Het hoofd bieden aan het opkomende getij van vandalisme
OP EEN school in de Amerikaanse staat Philadelphia sloegen jongeren 170 ruiten in, sneden telefoonlijnen door en bespetterden de klaslokalen met verf. De schade bedroeg $10.000 en verplichtte de school voor een dag te sluiten.
Ook leerlingen op een lagere school in St. Louis gingen onlangs als razenden te keer, wierpen meer dan honderd tafeltjes door de ramen en duwden een piano de trap af.
„Het was net een gebombardeerd gebouw uit een oorlogsfilm”, was het commentaar van een Canadese politiefunctionaris over een eveneens vernielde school in Toronto.
Het zou al erg genoeg zijn als het hier om zeldzame incidenten ging. Ze zijn echter verre van zeldzaam. Volgens een speciaal rapport, opgesteld door de redactiestaf van het onderwijsblad Education U.S.A., heeft in Amerika schoolvandalisme „de omvang van een nationaal probleem aangenomen”.
Niet alleen scholen
Niet alleen scholen vallen echter ten prooi aan de bekladdings- en vernielingsdrift van vandalen, ook winkels, huizen, bibliotheken, museums, kerken, banken, parken, speelplaatsen, openbare telefooncellen, auto’s, bussen, ondergrondsen en treinen — ja, vrijwel alle openbare en privé-eigendommen moeten het ontgelden.
Voor het overgrote deel worden de vernielingen aangericht door benden rondzwervende jongeren. De San Francisco Examiner noemde ze „mousepacks” (’muizenbenden’). Waaruit hun „werkzaamheden” bestaan? Zij slaan ruiten in, rukken antennes van geparkeerde auto’s, plunderen speeltuinen, stichten brand, zijn altijd voorzien van een spuitbus met verf en richten op alle denkbare manieren schade aan.
„Voortdurend zijn we het slachtoffer”, waren de woorden van een vertegenwoordiger van de Philadelphische ondergrondse. „Het maakt, geen verschil of het 7- of 17-jarigen betreft — ze urineren in de stations, bekladden de muren met swastika’s en vloekwoorden, knoeien aan de seinen en breken het glas. En toen we onbreekbare kwiklampen op hoge palen gingen gebruiken, schoten ze die stuk.”
Nagenoeg alle 7000 rijtuigen van de Newyorkse ondergrondse zijn bekrast en met verf besmeurd en vaak niet meer in het bezit van volledig onbeschadigde ramen. In een recent jaar leidden deze daden van vandalisme tot 560 verwondingen in de bussen en rijtuigen van de Newyorkse ondergrondse, voor het merendeel ten gevolge van gebroken glas. Stenen en andere voorwerpen, geworpen naar auto’s, doden in de Verenigde Staten jaarlijks ongeveer honderd mensen.
Het zijn echter niet alleen jongeren die daden van vandalisme bedrijven. In 1971 werd het nieuwe John F. Kennedy Centrum voor Muziek en Toneel opengesteld voor het publiek. Binnen drie maanden tijds hadden vandalen vrijwel alles „wat bereikbaar en los zat” meegenomen, zo klaagde senator Charles Percy. Tapijten waren stukgesneden, kandelaars geruïneerd, schilderijen en potten met planten verdwenen, kranen uit de toiletruimten ontvreemd, enzovoort, enzovoort. Ook nationale parken schijnen een dankbare prooi te zijn voor zowel oude als jonge vandalen.
Stijgende kosten
De totale schade die door vandalistische praktijken wordt aangericht, is onvoorstelbaar groot. Alleen in de stad New York sneuvelden ten gevolge van vandalisme 243.652 schoolruiten, in één jaar tijds! Tweehonderd miljoen dollar is men naar schatting jaarlijks van overheidswege kwijt om in heel Amerika alle aan schoolgebouwen, door diefstal, brandstichting en ruitenvernielerij aangerichte schade te herstellen. Volgens andere autoriteiten is dit bedrag echter „veel te laag geschat”, aangezien er nog andere verliezen zijn.
Zo werd bijvoorbeeld in 1969 in Newyorkse scholen volgens de officiële opgave voor $2.266.025 schade aangericht. Daarbij waren echter, volgens H. McLaren, hoofd van het Newyorkse bureau voor schoolgebouwen, niet de reparatiekosten van bekraste muren en tafeltjes, alsmede gebroken schoolmeubilair en schooluitrusting inbegrepen. Dan zou het totaal „wel driemaal zo hoog zijn als het in het rapport genoemde bedrag”, zo stelde hij vast.
Maar daarmee is men er wat de scholen betreft nog niet. Het vandalisme brengt nog een belangrijke uitgaaf met zich mee: de instandhouding van een school-veiligheidsdienst. In 1971 breidden de Newyorkse scholen de omvang van hun gezamenlijke veiligheidsdienst tot het dubbele uit, ten koste van één miljoen dollar. Ook in de Amerikaanse stad Los Angeles besteden de scholen per jaar meer dan één miljoen dollar aan bewakingspersoneel. Aan sommige Newyorkse onderwijsinstellingen staan politiefunctionarissen als studenten ingeschreven en bezoeken de lessen.
Hoe groot de schade echter ook is die door schoolvandalisme wordt aangericht — sommigen houden het voor Amerika „op bijna een half miljard dollar per jaar” — ze kan niet alleen worden uitgedrukt in dollars en centen. De vrees en spanning die door de vernielingen of louter de dreiging van vernieling worden gewekt, belemmeren het onderwijs en kunnen zelfs tot ziekten leiden. Maar het zijn, zoals reeds gezegd, niet alleen scholen die een zware tol aan het vandalisme moeten betalen.
Reparaties aan beschadigde auto’s, aan huizen, winkels, kerken en andere gebouwen lopen eveneens in de vele miljoenen. Alleen het schoonmaken van bekladde muren en andere voorwerpen vormt al een belangrijke uitgaaf. De Newyorkse ondergrondse is er ongeveer een half miljoen dollar per jaar aan kwijt. En de stad Philadelphia schat dat ze jaarlijks vier miljoen dollar betaalt om aan het probleem het hoofd te bieden. „Het verwijderen van tekeningen en leuzen van rotsen en muren is nu alleen in Amerika reeds een vergeefse miljarden-onderneming”, zo stond in een redactioneel commentaar van The Christian Century.
Waarom lijkt dit getij van vandalisme elk jaar toe te nemen?
Wat schuilt erachter?
Er zijn al veel verklaringen voor het verschijnsel gegeven. „Alle misdaad neemt toe, overal, en dit is er slechts één aspect van”, waren de woorden van een vervoersman in Chicago.
Verkeerd onderricht en slecht gedrag van volwassenen zijn twee bijkomende factoren waar de redactiestaf van Education U.S.A. op wijst in haar speciale rapport „Vandalisme en geweld”.
Bij elkaar genomen, lijken de diverse opgegeven redenen erop te wijzen dat het vandalisme vaak een protest is. „Vandalisme is opstand met een oorzaak”, zo formuleerde professor P. G. Zimbardo van de Stanford-universiteit het. De oorzaak, zo zegt hij, is „sociale ongelijkheid, onverschilligheid, en het verlies van de normen die golden in de gemeenschap, de buurt en het gezin”.
En het is inderdaad waar dat jongeren nagenoeg overal normen zien verdwijnen — liegen, bedriegen en huichelen nemen hand over hand toe, zelfs onder wereldleiders. Dit wekt in de harten van jongeren gevoelens van vijandschap op jegens de zogenaamde ’gevestigde orde’, en vandalisme is één mogelijkheid om lucht te geven aan hun ongenoegen.
Ook ouders zijn niet vrij te pleiten. Rechter John Forte van Concord, in de Amerikaanse staat Massachusetts, geeft aan in welke opzichten niet: „Dan zie je kinderen naast hun ouders zitten, wachtend om in onze nieuwe rechtszaal verhoord te worden. En wat doen ze? Ze kerven hun initialen in de banken, terwijl hun ouders onverschillig toekijken. De ongelukkige schapen hebben ouders die te weinig om hen geven om op te merken wat ze aan het doen zijn, en nog minder om hen te onderrichten.”
Onverschillige, zorgeloze ouders zijn misschien wel de hoofdoorzaak van vandalisme. En deze ouderlijke veronachtzaming van verantwoordelijkheid kan men in bijna elke gemeenschap waarnemen. Met het gevolg dat zowel blanke als zwarte jongeren, arm of rijk, allen nauw bij vandalisme betrokken zijn. Uit een onderzoek dat zich uitstrekte over meer dan 3100 tieners afkomstig uit „elke belangrijke laag van de opgroeiende bevolking van Illinois”, bleek dat bijna één op elke drie betrokken was geweest bij de vernieling van eigendommen!
Hoe kan dit opkomende getij van vandalisme worden gekeerd?
Wat er nodig is
Er zijn al heel wat pogingen ondernomen om het getij te keren. Glazen schoolruiten zijn vervangen door moeilijk te breken plastic; binnenmuren gaan schuil onder harde verven met epoxihars, welke bestand zijn tegen geschrijf met viltstiftpennen, lipsticks en potloden. Nieuwe scholen zien er als forten uit, met weinig of geen buitenramen. Alarminstallaties, hekwerken, nachtverlichting, waakhonden — al deze en nog vele maatregelen meer heeft men toegepast. Zonder het toenemende vandalisme een halt toe te roepen.
Dit betekent evenwel niet dat de situatie hopeloos is. Er bestaat een oplossing. In een redactioneel artikel werd ze aangetipt, met de woorden: „Het werkelijke antwoord is gelegen in de vorming van het gedrag van onze jongeren.” Maar hoe?
Herziening van wetten is één manier waarop men dit heeft getracht. Achtendertig Amerikaanse staten kennen thans wetten op grond waarvan ouders rechtstreeks verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de vandalistische daden van hun kinderen. Ouders op deze wijze laten opdraaien voor de schade die hun kinderen hebben aangericht, is een maatregel die heeft geholpen, maar het probleem nog in genen dele heeft opgelost. Er is meer nodig.
Een functionaris van de kinderpolitie met een goed inzicht, wees wat dit betreft op het volgende: „Met geld betalen maak je nog geen eind aan vandalisme — deze ziekte gaat dan schuil achter een lading bankbiljetten. Pas wanneer ouders voldoende tijd en aandacht aan hun kinderen besteden omdat zij dat willen — niet omdat zij bang zijn voor toekomstige rekeningen of boetes — zal er een kentering en een afname komen in het vandalisme-probleem.”
Louter tijd en aandacht is echter niet het enige wat kinderen van hun ouders nodig hebben. Zij hebben ouders nodig die hun leren waarom gehoorzaamheid aan de wet en respect voor de eigendommen van anderen juist is. Maar wie bepaalt wat juist is? Niet eenvoudig een paar mensen. Het is onze Schepper, de Almachtige God, die ons in zijn Woord, de bijbel, vertelt wat juist is.
Ouders die hun kinderen opvoeden in liefde en respect voor hun Schepper en zijn rechtvaardige vereisten, zullen ontdekken dat zij met betrekking tot hun eigen kroost het toenemende getij van vandalisme een doeltreffend halt kunnen toeroepen.