China zwaait zijn deuren open
NIET langer is China een opgesloten ’slapende draak’. Duidelijk heeft het zich de afgelopen jaren op het wereldtoneel gemanifesteerd, en zich, als de Volksrepubliek China, ontwikkeld tot een aankomende „super”-wereldmacht.
Met 750 tot 800 miljoen mensen binnen zijn grenzen, is het het volkrijkste land op aarde, dat met een dergelijke reuzenbevolking plus een groot grondgebied en ontzaglijke natuurlijke rijkdommen, en zelfs kernwapens en raketten, zijn invloed op de wereldaangelegenheden steeds krachtiger doet voelen.
Twintig jaar lang is China na de communistische machtsovername in 1949 nagenoeg „gesloten” geweest voor buitenlandse bezoekers. Maar de laatste paar jaar is hier verandering in gekomen. China heeft zijn deuren opengesteld voor mensen uit andere landen. En het zijn hun waarnemingen geweest die wat meer licht hebben geworpen op de ontwikkeling die het land de afgelopen vijfentwintig jaar heeft doorgemaakt.
Waarom zo lang geïsoleerd?
Waarom China zich de afgelopen vijfentwintig jaar zo betrekkelijk geïsoleerd heeft gehouden van de rest der volkeren? Een blik in het verleden zal ons helpen.
Eeuwenlang heeft China in bijna volledige afzondering geleefd, wat zo voortduurde tot het begin van de negentiende eeuw, toen Europese landen handelsrechten en gebied begonnen te eisen. In 1839 brak er zelfs een strijd uit tussen Engelse en Chinese troepen, die als de „opiumoorlog” bekend kwam te staan. De Britten eisten en verkregen ook het recht om opium te verkopen aan het Chinese volk.
De daarop volgende honderd jaar bleken zeer vernederend uit te pakken voor de Chinezen. Vreemde mogendheden deelden onder elkaar gebiedsrechten en economische en politieke privileges zonder dat de Chinezen eraan te pas kwamen. In de Encyclopaedia Britannica van 1974 staat dan ook:
„In de aan 1950 voorafgaande eeuw . . . moest China machteloos toezien hoe vreemde mogendheden zijn gebied en hulpbronnen opknabbelden, terwijl zijn vernederde bevolking moest vechten voor een karig bestaan.
Al droeg het dan de naam van ’onafhankelijke staat’, zijn status en omstandigheden gaven het meer het aanzien van een buitenlandse kolonie.”
Het feit dat de overheersende buitenlandse mogendheden voor het merendeel natiën van de christenheid waren en de „cultuur” die zij brachten wrokkend werd afgewezen, verklaart ten dele waarom de religies van de christenheid zo weinig ingang hebben gevonden bij het Chinese volk.
Voor een in betrekkelijke welvaart opgegroeide Westerling, kon een tocht door dit „vroegere” China een kwellende ervaring zijn. Was hij gevoelig van aard, dan werd hij voortdurend getroffen door de armoede, honger en het gebrek aan sanitaire voorzieningen die hij om zich heen zag. Constant stuitte hij op bedelaars, prostituées, daklozen en wezen.
Na het welslagen van de communistische revolutie in 1949, bleef de reactie niet uit. De van het Westen afkomstige politieke, religieuze, economische en sociale regelingen werden vrijwel volledig uitgebannen. Men wenste ook absoluut geen buitenlandse inmenging meer. China’s nieuwe regeerders hielden het land „gesloten” voor buitenstaanders — een situatie waarin pas onlangs een wijziging is gekomen.
Wat bezoekers zeggen
De indrukken waarmee bezoekers thans van China thuiskomen, zijn uniek wat hun eenstemmigheid betreft. Kenschetsend is bijvoorbeeld een conclusie van D. Rockefeller, voorzitter van de bestuursraad van de Newyorkse Chase Manhattan Bank:
„De algemene economische en sociale vooruitgang is . . . indrukwekkend. Slechts 25 jaar geleden schijnen honger en mistroostige armoede in China eerder regel dan uitzondering te zijn geweest. Thans lijkt wel bijna iedereen voldoende (ofschoon Spartaanse) voeding, kleding en huisvesting te genieten.
De straten en huizen zijn smetteloos schoon, en de geneeskundige verzorging is buitengewoon verbeterd. Misdaad, verslaving aan drugs, prostitutie en venerische ziekten bestaan nagenoeg niet meer. Deuren laat men als vanzelf onafgesloten. En snelle vorderingen zijn er gemaakt op het gebied van de landbouw, herbebossing, de industrie en het onderwijs.”
Ook Mike Mansfield, meerderheidsleider in de Amerikaanse Senaat, liet zich op soortgelijke wijze uit:
„Het was een ander China dan ik van jaren terug kende. Er zijn geen bedelaars meer op de straten; de mensen zien er gezond uit; iedereen lijkt te werken. Er is voldoende voedsel en kleding en behalve de oude familietrouw, heeft zich ook een gevoel van gemeenschapszin ontwikkeld. . . .
Men heeft een gezonde begroting kunnen aanhouden; er zijn geen buitenlandse schulden; er zijn geen binnenlandse schulden; er wordt alleen een geringe belasting geheven. . . .
Onder de jongeren was geen enkel teken van misdadigheid. De straten waren veilig en er was niet veel vervuiling. Ook hun rivieren hebben ze niet laten vervuilen, door de verstandige manier waarop ze van menselijk afval gebruik maken — voor bemesting.”
Na een uitgebreid bezoek aan China verhaalde schrijver W. Leontief in het tijdschrift Atlantic: „Het contrast met de onafzienbare ellende en uiterste armoede . . . in de rest van de zogenaamde onderontwikkelde wereld, is zo in het oog lopend dat het bijna niet te geloven is.”
Er lijkt dus weinig twijfel over te bestaan dat er in China geweldige vorderingen zijn gemaakt op materieel terrein. Het merendeel van de allerergste en droevig slechte toestanden uit het verleden, schijnt men grotendeels te hebben opgelost.
Massaal onderwijsprogramma
Veel van wat er momenteel in China wordt gedaan, draait om de massale inspanningen die men zich op alle terreinen van onderwijs heeft getroost. „Bijna iedereen in de Volksrepubliek China lijkt wel bij de een of andere vorm van scholing of herscholing te zijn betrokken”, zo stond in het tijdschrift Saturday Review.
China gaat er prat op ongeveer 150 miljoen leerlingen en studenten op scholen en hoger-onderwijsinstellingen te hebben, terwijl ook de bijscholing van reeds werkende volwassenen op grote schaal is aangepakt. Zelfs gepensioneerden worden vaak nog „bijgeschoold”, terwijl bij al dit onderwijs de nadruk meer op praktische dan theoretische kennis ligt.
Zo leren Chinese kinderen bijvoorbeeld de kurk uit flessedoppen te halen om het hergebruik hiervan te vergemakkelijken. Zij leren hun straat schoon te maken en boodschappen te doen voor oudere mensen, of kleine onderdelen te maken die bij de produktie van goederen worden gebruikt.
Grote nadruk wordt bij het onderwijs bovendien gelegd op samenwerking en niet zozeer op individuele vooruitgang. Toen een bezoeker aan een school de opmerking maakte dat de speelblokken te groot en te zwaar waren om gemakkelijk door één kind gehanteerd te worden, riepen de Chinese onderwijzers uit: „Precies! Dat kweekt aan tot wederzijdse hulpverlening.” Het individu wordt dus geleerd onder te gaan in de massa.
Na een beschouwing te hebben gegeven van het Chinese onderwijssysteem, meldde het blad Saturday Review:
„Jonge mensen worden ervan overtuigd dat zij een rol spelen bij de vorming van China’s toekomst en de toekomst van de wereld terwijl zij veeleer lijken te worden aangedreven door het idee van dienstbetoon, dan het verlangen naar persoonlijk voordeel. Niemand wordt als nutteloos beschouwd; zelfs de doofstommen en de kreupelen kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de gemeenschap.
De waarden waarin kinderen worden onderwezen, zijn trots op het nieuwe China, zoals dit wordt geleid door Voorzitter Mao, onzelfzuchtigheid, bescheidenheid, bereidheid om van anderen te leren, en volharding ondanks moeilijkheden . . .
Ten koste van alles wil men de ontwikkeling vermijden van een super-intellectuele elite die geen functie in de maatschappij vervult.”
Sociale veranderingen
De volledige regeringscontrole op alle onderwijs heeft onder andere tot verstrekkende veranderingen geleid in het maatschappelijke leven. Een van de doeleinden die men hiermee nastreeft, wordt voor ons beschreven door J. S. Service, een voormalige functionaris van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, die voorheen achtentwintig jaar in China heeft gewoond. Hij merkte op:
„Men wordt zich bewust van een allesoverheersende instelling. Noem het voor mijn part een geest, een stemming of houding. Maar één woord waarmee men het misschien het beste kan omschrijven, is gelijkheidsstreven.”
Waarnaar men dus streeft is in principe „gelijkheid van alle mannen en vrouwen”. Het resultaat van dit streven is, zoals de heer Service vaststelde, een bijna totale verdwijning van het vroeger zeer ernstig bestaande klassenonderscheid. En zoals hij daaraan nog toevoegde: „Voorbij zijn ook de dagen dat vrouwen onderworpen, achtergestelde leden van de maatschappij waren.”
Dit „gelijkheidsstreven” schijnt zelfs in het Rode Volksleger te bestaan. Onderscheidingen en titels heeft men daar naar verluidt afgeschaft, terwijl iedereen hetzelfde uniform draagt. Schrijver D. Durdin tekende hierover aan: „Om superioriteitsgevoelens te bestrijden, doen commandanten om de zoveel tijd dienst als gewoon soldaat. Niettemin is de discipline streng, aangezien ze evenzeer door groepsdwang als door orders wordt gehandhaafd.”
Dit streven naar wegwerking van alle voormalig bestaande klasse- of standsverschillen, kan ook in de medische verzorging worden waargenomen. Men heeft zich reusachtig ingespannen voor het verbeteren van de gezondheidszorg voor allen, ongeacht maatschappelijke rang of stand. Na 5600 kilometer gereisd en allerlei medische faciliteiten gezien te hebben, moest een groep van zestien Amerikaanse gezondheidsfunctionarissen tot de conclusie komen:
„Tegen het eind van onze rondreis, was het wel duidelijk dat er in China’s nieuwe maatschappij een systeem van gezondheidszorg is ontwikkeld dat door geen enkele geïndustrialiseerde natie wordt overtroffen, en zelfs wat het verlenen van eerste medische hulp betreft, de Amerikaanse gezondheidszorg overtreft, terwijl het alles in zich bergt om uit te groeien tot het beste van de wereld. . . .
In tegenstelling tot de situatie in de V.S., is in China medische verzorging een mensenrecht, dat openstaat voor alle 750 miljoen Chinezen, of ze nu op het platteland of in de steden wonen.”
Aangezien het inkomen van doktoren door de staat is vastgesteld en streng op hun betaling wordt toegezien, heeft momenteel geen enkele arts de kans om rijk te worden van zijn werk. Geld is derhalve een geringe stimulerende factor. Over wat dan wel de motieven van Chinese artsen zijn, schreef de Newyorkse arts Dr. V. W. Sidel het volgende interessante commentaar:
„Wat hier [in de Verenigde Staten] het moeilijkst verkoopt, zijn de verhalen over die geest van onbaatzuchtigheid die men daar [in China] aantreft. Je bent in de V.S. een excentriek wanneer je voor niets iets voor anderen doet. Men twijfelt direct aan je beweegredenen.
In China schijnen de mensen zich vandaag aan de dag deze edelmoedigheid als voornaamste doel te hebben gesteld. Allen krijgen de les elkaar te helpen. Dat is volgens mij ook de ware geneeskunde.”
Voor de patiënten liggen de kosten naar zeggen uitzonderlijk laag, terwijl zelfs deze nog meestal voor rekening komen van de fabriek, de commune of andere organisatie waar de patiënt werkt.
Wat ziekten betreft, Westerse bezoekers moesten herhaaldelijk constateren dat er van venerische ziekten, drugverslaving of alcoholisme zeer weinig te merken viel. Waardoor? Dr. Halfdan Mahler, directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie schrijft dit toe aan „een klimaat dat men misschien het beste als ’puriteins’ zou kunnen omschrijven”. Voorechtelijke en buitenechtelijke seks is naar verluidt zeer ongebruikelijk.
Een andere opmerkelijke verandering die bezoekers opviel, was het betrekkelijk geringe aantal politiemensen dat men zag. En zij die er waren, hadden geen enkel wapen, zelfs geen knuppel bij zich. Met uitzondering van de verkeersregelaars, vielen ze geheel niet op. De hoge misdaadcijfers in andere landen, schijnen in het China van thans onbekend te zijn. Correspondent R. P. Martin van U.S. News & World Report merkte op: „Dit is een samenleving die er, voor zover ik het heb kunnen waarnemen, een hoge moraal op na houdt en zich strikt houdt aan wet en orde.”
Wat de lonen en prijzen betreft, die zijn, naar Westerse maatstaven gemeten, erg laag, zodat inflatie in China niet zo’n groot probleem lijkt te vormen als elders in de wereld. De gemiddelde persoon schijnt zonder moeilijkheden in zijn eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. En wat belastingen aangaat, daarover wist C. L. Sulzberger, redacteur van de New York Times, te melden:
„[China] verlaat zich niet op een vorm van [inkomsten]belasting om aan de benodigde staatsinkomsten te komen. . . . De arbeiders betalen geen inkomstenbelasting. Hun salarissen zijn vastgelegd door de staat en de fabrieken dragen alle winst over aan de regering.”
Deze kennelijk naar de regering gaande winsten, maken de vrijwel gratis voorzieningen op het gebied van gezondheid, onderwijs en andere sociale diensten mogelijk. Vrouwen kunnen daardoor op vijfenvijftigjarige leeftijd en mannen op zestigjarige leeftijd met pensioen gaan, terwijl de pensioengerechtigde leeftijd voor hen die „gevaarlijk” werk doen, nog lager ligt. Het pensioen zelf schijnt 70 percent te bedragen van wat iemand ooit als hoogste bedrag heeft verdiend.
Een materiële verzorging dus ’van de wieg tot het graf” dat is het voorheen ongekende genot waar de gemiddelde Chinees nu op kan rekenen. Zo luidt de algemene conclusie van alle buitenlandse bezoekers.
Tegen welke prijs?
Tegen welke prijs is dit echter allemaal tot stand gekomen? Welke veranderingen heeft het teweeggebracht in het leven van de Chinese bevolking?
Gezien het volledig gereglementeerde leven, is het duidelijk dat het Chinese volk een hoge prijs heeft moeten betalen, als men denkt aan het verlies van bepaalde vrijheden. Natuurlijk betekende die „vrijheid” vroeger ook niet veel, aangezien de meeste arme Chinezen wel op de een of andere wijze „economische slaven” waren van een vorst of grootgrondbezitter.
Maar hoeveel vooruitgang deze arme mensen nu ook onder het huidige systeem maken, de betrekkelijke vrijheid waar de meeste volken toch naar verlangen, zullen zij nooit bezitten; dat weten ze. Zo heeft men thans in China bijvoorbeeld niet de vrijheid om te kiezen welke soort van lectuur men wil lezen, welke schoolopleiding men wil volgen, of te bepalen aan welke religie of politieke zienswijze men de voorkeur geeft.
De controle op ieders doen en laten, is volledig. Op alle niveaus van de samenleving zijn vertegenwoordigers van de regering. Er zijn zelfs „straat”- of „blok”-wachten die op de hoogte blijven van en nagaan wat er in de omgeving gebeurt. Elke afwijkende politieke, economische of religieuze gedachte of daad wordt snel de kop ingedrukt. Personen die te veel uit de maat gaan lopen, worden vaak naar ’herscholingscentrums’ gezonden waar ze veel tijd dienen door te brengen met zelfkritiek en de bestudering van de werken van Mao Tse-toeng en de communistische ideologie.
Op fabrieken en in communes bestaan verplichte bijeenkomsten voor „onderwijs” in politiek en andere aangelegenheden, die vaak uren kunnen duren. Bovendien is men als arbeider niet vrij om desgewenst van werk te veranderen. Zozeer is men ingekapseld dat maar heel weinig zonder toestemming van de autoriteiten gedaan kan worden.
Ook de verbazingwekkende voedselproduktie is niet normaal tot stand gekomen. De boeren moesten namelijk elk stukje land dat ze bezaten, aan de communes afstaan, dat wil zeggen, aan de staat. Zo’n commune vormt een agrarische gemeenschap die landbouwwerk verricht en uit verscheidene duizenden gezinnen kan bestaan. Privé-bezit is er echter een absoluut onbekend begrip, als we tenminste de kleine stukjes grond die boeren soms krijgen om wat groente voor zichzelf te verbouwen als ze tijd hebben, niet hoeven mee te rekenen — terwijl zelfs de bebouwing van deze lapjes onder het strikte toezicht van de commune-autoriteiten staat.
De veranderingen onder het communistische bewind zijn derhalve niet vrijwillig tot stand gekomen. Ze zijn het volk opgedrongen, zonder dat iemands persoonlijke mening werd geteld.
Vrijheid om God te aanbidden
De vrijheid van mensen om God volgens hun eigen geweten te aanbidden, wordt in de meeste landen als een basisrecht beschouwd. Maar zo niet in China, waar die vrijheid thans sterk is beperkt. Aan het bestaan van de meeste religies heeft men zelfs uit praktisch oogpunt maar helemaal een eind gemaakt.
Nu is natuurlijk deze vijandschap jegens religie niet vreemd. Veel Chinezen dragen de religies van de christenheid, alsook het boeddhisme en het confucianisme een kwaad hart toe, omdat al deze godsdiensten hun bijdrage hebben geleverd tot het machtsmisbruik en de onderdrukking waaronder het Chinese volk in het verleden te lijden heeft gehad — terwijl de geestelijke leiders van deze religies door hun huichelarij en politieke gekonkel het ontstaan van deze afkeer nog extra in de hand hebben gewerkt.
Alleen: God zelf staat ook vijandig ten aanzien van deze religies en hun huichelarij! En stellig kan hij niet verantwoordelijk gesteld worden voor hun zonden, aangezien deze rechtstreeks ingaan tegen de wetten en beginselen die hij duidelijk in zijn Woord, de bijbel, heeft laten optekenen. Hiervoor zal hij deze religies ter verantwoording roepen. — Matth. 7:21-23; Openb. 17:16, 17.
Doch er bestaat ook ware aanbidding, die het welzijn van de mensen bevordert. Deze ware aanbidding hebben mensen van alle natiën nodig. Ze doet een beroep op het hart van mensen, en brengt ware veranderingen bij hen teweeg, zodat zij beter en vrediger leven. Ze vertelt hun hoe zij goede werkers kunnen zijn en dat zij in onderworpenheid dienen te leven aan de autoriteiten — niet gedwongen, maar uit vrije wil. Ze leert hun zich niet in politiek te mengen, niet de belangen van anderen te dwarsbomen, maar daarentegen eerlijk en oprecht te zijn.
Behalve dat, richt de ware aanbidding tevens de aandacht van mensen op de wonderbare hoop die er bestaat op een betere wereld, een wereld waaruit niet alleen honger en armoede, maar ook ziekte, rouw en dood verdreven zullen zijn. Dat zal voor de mensen eeuwig leven betekenen. Geen menselijke regering kan iets dergelijks beloven. Maar, God heeft gegarandeerd dat er hier, op deze aarde, zo’n nieuwe ordening zal komen onder het bestuur van zijn hemelse koninkrijk, een regering die niet op geregelde tijden door een politieke machtsstrijd zal worden verscheurd. — Openb. 21:4; Matth. 6:10.
Het is op dit koninkrijk van God dat Jehovah’s getuigen de aandacht van de mensen richten. Hun boodschap is gericht op deze blijde hoop en verschilt duidelijk van de leer der religies die in het verleden zoveel leed over het Chinese volk hebben gebracht. De activiteiten van Jehovah’s getuigen zijn welbekend in vele andere landen — waar zij, geheel gratis, vreugdevol mensen helpen die meer over God en zijn grootse voornemen met de mensheid willen weten.
Maar helaas — in China hebben Jehovah’s christelijke getuigen niet de vrijheid hun aanbidding te beoefenen. Integendeel, zij zijn daar zelfs ernstig vervolgd. Velen van hen hebben jaren in de gevangenis gezeten. Het lezen van de bijbel en andere handelingen die verband houden met hun aanbidding, zoals het bij elkaar komen voor bijbelstudie, werd hun verboden.
Weldra zal God zijn nieuwe ordening van rechtvaardigheid brengen, hetgeen hij zal doen door dit goddeloze samenstel van dingen dat thans de aarde beheerst, en overal aan mensen zoveel leed heeft gebracht, te vernietigen. Deze schitterende hoop is iets dat oprechte mensen overal op aarde moeten leren kennen. Ook het Chinese volk zal erover moeten horen.
Hoewel China kortgeleden zijn deuren heeft opengezet voor sociale, economische en zelfs politieke uitwisseling, rest de vraag of die deuren wijd genoeg open zullen zwaaien om ook de ware aanbidding een kans te geven binnen te komen. Zal het Chinese volk mogen delen in de wonderbare hoop van eeuwig leven in Gods rechtvaardige nieuwe ordening? Wij bidden dat dit zal geschieden, maar of het ooit zover zal komen, dat staat nog geheel en al te bezien.