Kisangani komt weer tot leven
KISANGANI is ons thuis. Kisangani is een herboren stad. De naam is veranderd. Stanleystad heette ze vroeger, naar de beroemde ontdekkingsreiziger, maar de ligging is nog hetzelfde: aan beide oevers van de brede Zaïre, met het zwaartepunt aan de noordelijke kant. Zon en regen zijn er in overvloed, wat niet vreemd is op nog geen tachtig kilometer van de evenaar en midden in het uitgestrekte Centraalafrikaanse regenwoudgebied.
De grote stad die hier ontstond, was een paradijs voor de blanke man — alleen blanken bevolkten het stadscentrum, waar Afrikanen na het invallen van de duisternis slechts met een speciale „pas” mochten komen. Brede boulevards doorsneden de stad, geflankeerd door moderne winkels en kantoren, overbouwd met luxueuze appartementen. Gracieuze palmen overschaduwden prachtige villa’s en ruime bungalows. De elektriciteit kwam van de eigen hydro-elektrische centrale. Ze was stellig welvarend te noemen, deze woonplaats met een eigen rivierhaven en modern vliegveld.
Maar in de jaren zestig pakten zich dreigende wolken samen boven Stanleystad, de voorboden van een storm die zich in een periode van vier jaar driemaal ontlaadde in rebellie en opstand. De eens zo prachtige stad bleef als een puinhoop achter, een groot deel van haar manlijke bevolking werd afgeslacht en het merendeel van de blanken vluchtte voor zijn leven. De handel lag vrijwel „plat”. Maar na de laatste moeilijkheden in 1967 voltrok er zich een wedergeboorte.
Uit de ruïnes
Langzaam aan begon de nu in Kisangani omgedoopte stad (op bevel van de president kreeg ze haar oorspronkelijke Swahili-naam terug) zich van haar slagen te herstellen. In 1969 druppelden weer de eerste gevluchte Europeanen binnen om te zien wat zij nog van hun huizen en zaken konden redden. Hier en daar zag men weer woningen die werden opgeknapt. Aan het eind van het jaar kwamen ook enige vrienden van ons terug, Jehovah’s getuigen, die we enige maanden later konden verwelkomen.
Bijna elke dag zagen we wel iets nieuws in de stad: nieuwe gezichten, opnieuw in gebruik genomen gebouwen of een winkel die zijn deur weer voor klanten had opengesteld. Aanvankelijk kon men zonder te kijken de straat oversteken, maar weldra was dit al niet meer mogelijk; zienderogen nam het aantal voertuigen op straat toe. Momenteel gonzen de brede straten van leven, veroorzaakt door een dichte en snelle verkeersstroom. Moderne stadsbussen (in de wandeling „mammoeten” genoemd) bijgestaan door kleinere commerciële „taxibussen” onderhouden het vervoer. De winkels zijn welvoorzien en er zijn goede hotels en restaurants. Een textielfabriek is in aanbouw, evenals een nieuwe internationale luchthaven. Een assemblage-fabriek van vrachtwagens is met de produktie begonnen, terwijl een moderne houtzagerij hout exporteert uit het grote regenwoud. Zou men niet zo nu en dan een kogelgat in het raam van een winkel of de voorruit van een oude auto bemerken, dan zou men zich niet in een stad wanen — een thans bruisende metropool met een kwart miljoen inwoners — die nog maar zo kort geleden het toneel van verwoesting en geweld is geweest!
De herbouwers
Aan wie heeft Kisangani deze verbazende wedergeboorte te danken? Aan de Afrikanen, de mannen van Zaïre. Hun aard? Over het algemeen: gemakkelijk in de omgang, vriendelijk en vrolijk.
Op de hoogste sport van de sociale en economische ladder staat de zakenman en/of politicus, alsook de hoge regeringsambtenaar. Zijn woning bevindt zich doorgaans in een van de buitenwijken van de stad — daar waar vóór de onafhankelijkheid uitsluitend de blanken woonden. Hij spreekt goed Frans en draagt steevast een „abascos”, de nationale mannendracht. Hij verricht zijn werk in een geairconditioneerd kantoor, en verplaatst zich met eigen auto of neemt voor elke tocht die hij moet maken een taxi (ƒ 2 per rit door de stad). De blanke beschouwt hij in velerlei opzicht als zijn gelijke en doorgaans niet als een vijand. Een of meer Afrikaanse landgenoten, „boys” genaamd, werken voor hem thuis als zijn bedienden. Zijn vrouw of vriendin gaat rijk gekleed en draagt soms een exotisch kapsel of een pruik. Een probleem is dat hij vaak meer vrouwen heeft (twee of drie wettige) en bovendien nog een schare „vriendinnen”. Niet vreemd is het bijvoorbeeld een man die drie vrouwen en tweeëntwintig kinderen heeft, ’s avonds nog in zijn mercedes te zien „uitgaan”.
Onmiddellijk onder hem op de economische ladder volgen de regeringsemployés, de secretarissen en kantoormensen. Soms wonen zij in de eens prachtige, maar nu verlaten en tot ruïnes vervallen huizen van de stad, doch voor het merendeel moeten zij genoegen nemen met een kleine woonruimte in de Afrikaanse gemeenschap. Hun woningen zien er vaak verwaarloosd uit; geld om iets te kopen hebben zij niet. Wat zij verdienen hebben zij brood en broodnodig om hun gezin in het leven te houden, dat naar Afrikaanse wijze vaak groot is. Wat dacht u van zevenentwintig kinderen? Hier in de stad woont een bekwame elektricien die er zoveel heeft. Hij heeft drie „wettige vrouwen” en is thans een drogisterij begonnen om zijn inkomen wat aan te vullen.
Om de hongerige monden te helpen voeden, drijven de vrouwen vaak een klein eigen handeltje. Sommigen kopen goederen in het groot in, anderen kweken fruit in de tuin en verkopen dat op de markt of van huis tot huis. Dat zijn de echte harde werkers, de vrouwen van de markt. Zij raken zeer opgewonden wanneer ze met u loven en bieden over de prijs van hun waren en zullen een heel verongelijkt gezicht zetten als u te weinig biedt. Maar het is slechts schijn; van nature zijn ze goedgehumeurd en hun vriendschappelijke kibbelpartijen zijn voor toeschouwers vaak een bron van vermaak. Het zijn, zoals reeds gezegd, werkende moeders. Velen ziet men dan ook overal waar ze gaan een kind meetorsen op de rug, soms nog met een meedribbelend kleintje aan de hand. De borst wordt gegeven wanneer het daarvoor de tijd is, het doet er niet toe waar.
Men zou zo zeggen dat moeder met deze kleintjes haar handen letterlijk vol heeft, maar hoe krijgt ze dan de goederen die ze wil verkopen, naar en van de markt? Wel, wat dacht u, op haar hoofd. Gracieus en schijnbaar zonder inspanning torsen de vrouwen hier de zwaarste vrachten op hun hoofd een grote schaal ananassen, een emmer vis. Hun evenwichtsgevoel is wel zo goed dat zij alles op deze wijze kunnen vervoeren — van een naaimachine tot een bed aan toe! Thuis moeten ze alle karweitjes opknappen, toch vinden ze nog tijd om de grond te bewerken en hun groente en fruit te planten — of hun oliebolachtige gebak te maken en buiten aan de voordeur te verkopen.
Daarnaast zijn er de mannen — gewoonlijk de jongere — die geen vaste betrekking hebben. Velen van hen ontbreekt het echter in het geheel niet aan initiatief. Hebben ze een klein kapitaaltje, dan beginnen ze een eigen winkeltje. Afrikanen worden graag gefotografeerd zodat een fotostudio een goede bron van inkomsten vormt. Hier in Kisangani zijn er minstens vijf. Anderen hebben een oude trapnaaimachine op de kop kunnen tikken en zijn kleermaker geworden. Nog eenvoudiger is het een krat frisdrank en een blok ijs te kopen en op de hoek van een straat gekoelde dranken te verkopen. Op elke fles Coke maak je zo toch al gauw zes cent winst — dit is een dorstig land, waar het in de middag vaak over de 35 graden Celsius is.
Wilt u uw goederen goedkoop verplaatsen en is er geen haast bij, dan verdient het aanbeveling een „pousse-pousse” te huren; dit is een klein karretje dat door een man moet worden geduwd („pousser”, duwen in het Frans). De duwers en trekkers van deze karren werken beslist hard. Honderdvijftig kilo brengen ze voor minder dan drie gulden naar het andere eind van de stad; en de weg loopt heus niet altijd vlak. De karretjes variëren in bouw, maar de meeste zijn van metaal, van aan elkaar gelast schroot met aan iedere kant een — vaak niet precies even groot (!) wiel.
Aan de andere kant van de rivier loopt de spoorlijn, de verbindingsschakel met oostelijk Zaïre. Maar de rivier? Hoe komt men daar over? Neem een kano. Dat kan een heel avontuur zijn.
Met een kano bedoelen we hier een echte kano, dat wil zeggen, een uitgeholde boomstam! De grootte loopt uiteen van klein tot enorm; in de grootsten kunnen vijftig mensen een plaatsje vinden, hoewel de wet dit aantal heeft beperkt tot dertig sinds er een aantal tragische ongelukken met deze boten is voorgevallen. Elke kano verschaft werk voor twee man — een voor de aandrijving en de andere voor het innen van het geld. Aandrijving? Ja, de kano’s zijn uitgerust met buitenboordmotoren, die deze speervormige vaartuigen in ongeveer vijf minuten over de hier bijna achthonderd meter brede rivier stuwen! Behalve mensen gaat er van alles mee — fietsen, kippen, maniokmeel, bananen — alles wat men maar bij zich heeft. De overtocht kost tien cent per persoon en nog eens tien cent extra voor een fiets. Er zijn plenty van deze snelle boten.
Als u daar de voorkeur aan geeft, kunt u natuurlijk ook het autoveer nemen, voortgestuwd door twee dieselmotoren, maar dat is lang niet zo leuk, hoewel het gratis is. U kunt uw leven ook in handen geven van vissers door te vragen of zij u met hun kano zonder motor al peddelend de machtige, snelstromende Zaïre willen overbrengen.
Wat men hier ontmoet, is een van leven vibrerende gemeenschap van moedige mensen die druk bezig zijn een puinhoop te veranderen in wat president Mobutu Sese Seko reeds de derde stad van Zaïre heeft genoemd.
Een geestelijk ontwaken
Ondanks de grote materiële welvaart en de moderne gemakken, is de meerderheid van de bevolking nog steeds bijgelovig. Voorouderlijke gewoonten worden nog altijd slaafs nagevolgd, zelfs door personen uit de hogere inkomensgroepen. Zelfs bij de beter gesitueerden in de stad, houdt men bij een sterfgeval nog altijd een „wake” met ceremonieel klaaggeschrei en een dans- en drinkpartij tot de vroege morgenuren. Een baby wordt „beschermd” tegen boze geesten door zijn polsen, enkels en middel met zwarte koorden te ombinden waaraan kleine beentjes, stukjes bamboe of steentjes hangen. Is er iemand ziek, dan verricht men nasporingen om erachter te komen wiens „geest” de persoon in kwestie lastig valt; de plaatselijke toverdokter wordt geraadpleegd en deze zal gewoonlijk een zakje geven dat de patiënt direct op de huid zal moeten dragen, aan een zwart koord om zijn nek gebonden. Voorouderaanbidding, vrees voor de doden, zwarte magie om iemand te doden, betoveringen om vriendschap of liefde te winnen — dit alles vindt men te over in het moderne Kisangani. De meeste mensen zullen u zeggen dat zij katholiek zijn, maar velen, en met name de vrouwen, kunnen lezen noch schrijven, en zijn derhalve nooit in staat Gods Woord de bijbel voor zichzelf te bestuderen. Weliswaar hebben de protestanten goed werk gedaan wat het verspreiden en zelfs vertalen van de bijbel betreft — deze is nu in het Swahili en Lingala verkrijgbaar — maar zij hebben hun inspanningen nooit afgerond met een systematische en geregelde studie uit dit boek.
Hier in Kisangani begonnen echter in 1965 twee Afrikaanse getuigen van Jehovah met het afleggen van bezoeken bij de mensen, om hun het aanbod te doen hen persoonlijk bij het bestuderen van de bijbel te helpen, en Jehovah heeft hun werk gezegend. Thans zijn er vier gemeenten van Jehovah’s getuigen, waarvan alle leden zich actief bezighouden met de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Vorig jaar woonden bijna 500 personen het Avondmaal des Heren bij. De gemeenten bestaan uit gelukkige mensen, die liefde hebben voor de bijbel. Zij hebben hun bijvrouwen weggezonden, prostitutie de rug toegekeerd en het hoofd geboden aan de woedende tegenstand van hun familieleden en kennissen wanneer zij weigerden nog langer aan heidense praktijken mee te doen. Zij hebben een moedig, niet-politiek standpunt voor de ware aanbidding ingenomen. Hun achtergrond is zeer uiteenlopend: mensen met een medisch beroep, een universiteitsstudent, een afdelingshoofd, een hoofdbeambte van de posterijen en nog vele anderen zal men in de gemeenten ontmoeten, maar allen hebben één ding gemeen — hun toewijding aan de ware God, Jehovah. Wij zijn werkelijk gelukkig onder hen te kunnen wonen in Kisangani, deze fascinerende plaats die opnieuw bruist van leven. — Ingezonden.