Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g72 8/5 blz. 21-24
  • School op safari

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • School op safari
  • Ontwaakt! 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Uitrusting en obstakels
  • Fascinerende ponten
  • Tocht over de rivier
  • Over de weg
  • Een Afrikaans welkom
  • De studenten
  • De reuzenrivier van Centraal-Afrika
    Ontwaakt! 1973
  • De Galilese boot — Een schat uit bijbelse tijden
    Ontwaakt! 2006
  • Kom en bezoek Afrika’s verborgen Zwitserland!
    Ontwaakt! 1976
  • Schipbreuk op een eiland
    Mijn boek met bijbelverhalen
Meer weergeven
Ontwaakt! 1972
g72 8/5 blz. 21-24

School op safari

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN DE REPUBLIEK ZAÏRE

HOE zou u het vinden een tocht van 8000 kilometer door zeven van de acht provincies van de republiek Zaïre te maken? Mijn vrouw en ik hebben dat gedaan. Wij deden er een jaar en vijf maanden over, een periode gevuld met fascinerende ervaringen.

Wij waren een school op safari. „Safari” is het woord voor „reis” in het Swahili, een van de vele talen die in Zaïre gesproken worden. De school was niet voor kinderen maar voor volwassen christelijke bedienaren van het evangelie. Het doel ervan was deze mannen toe te rusten om op doeltreffender wijze voor de geestelijke behoeften van de leden van hun respectieve gemeenten zorg te dragen.

De Koninkrijksbedieningsschool, zoals deze cursus wordt genoemd, wordt overal ter wereld door Jehovah’s getuigen gehouden. De cursus wordt doorgaans op één plaats, of misschien in enkele permanente lokaliteiten in een land gegeven en christelijke opzieners gaan daarheen om de cursus te volgen.

De republiek Zaïre (vroeger de Democratische Republiek Kongo geheten)a is echter een uitgestrekt land waar een lange reis voor sommigen veel te kostbaar is. Door middel van onze „school op safari” brachten wij de school dichter bij hen en zodoende was het voor deze bedienaren van het evangelie mogelijk erheen te gaan zonder dat dit voor hen een al te grote financiële last vormde.

Iedere klas telde gemiddeld ongeveer twintig cursisten. De cursus duurde twee weken. De lessen waren onder vier rubrieken ondergebracht: Opzieners, Koninkrijksregering, Vergaderingen en Velddienst. De bijbel was het voornaamste leerboek, hoewel ook andere bijbelse studiehulpmiddelen werden gebruikt. Zoals overal ter wereld werd er geen lesgeld voor de Koninkrijksbedieningsschool gevraagd; de opleiding was geheel gratis.

Uitrusting en obstakels

Wij reisden per Land Rover. Wij hadden heel wat bij ons: ons opvouwbare bed, kookgerei, een voorraad van de belangrijkste levensmiddelen, lampen, boeken voor de school, een schoolbord, onze persoonlijke kleding, reserveonderdelen voor de Land Rover, een schop, een bijl, planken, staaldraad, blikken voor extra benzine en landkaarten. Het is een hele kunst om dit allemaal te pakken, daar alles goed stevig moet zitten om breken en slijtage op de slechte wegen te voorkomen. Op sommige wegen moet men altijd voorbereid zijn op panne, of andere onverwachte gebeurtenissen. De keurige rode lijnen op de kaarten die de wegen aangeven, zien er heel ongecompliceerd uit, maar o wee als men ze gaat rijden!

Van een van de langere etappes van onze safari, namelijk van de provincie Kasaï naar Kinsjasa — een zware tocht van 1600 kilometer die vier dagen duurde — staan ons twee dingen nog duidelijk voor de geest. Ten eerste het dikke zand op tal van weggedeelten. Soms reden we in de laagste versnelling, met vierwielaandrijving, om door de lange, mulle stukken heen te ploegen. En ten tweede, het aantal rivieren, waarvan sommige heel breed waren. Enkele van de smallere rivieren waren door bruggen overspannen, maar elf van de grotere staken we per pont over.

Fascinerende ponten

De ponten zijn een ervaring op zichzelf. Meestal bestaan ze uit drie of vier aan elkaar vastgesjorde lange houten kano’s of eenvoudige metalen boten, met een plankier erop. De meeste worden nu aangedreven door een buitenboordmotor. Enkele worden echter nog altijd door plaatselijke mankracht overgepagaaid of -geboomd. Op een van de oversteekplaatsen had de pont een ploeg van tien man. De hoofdman van de ploeg gaf met een eentonig gezang het ritme van de slagen aan.

Andere ponten gaan echter met een kabelsysteem. De kabel is vastgemaakt aan betonnen palen op beide oevers en geduwd door de stroom, glijdt de pont, door middel van een draaiend wiel, langs de kabel de rivier over.

Het is vaak een hachelijke zaak om op een pont te komen, daar men over twee wiebelende planken moet rijden die men onveranderlijk via een lastige bocht op moet rijden. Wij slaakten altijd weer een zucht van verlichting als wij een rivier veilig waren overgestoken en de Land Rover weer op vaste grond stond.

De ponten worden ook door voetgangers gebruikt en hun aantal schijnt niet aan beperkende bepalingen onderhevig te zijn. Heel vaak was onze Land Rover volkomen omringd door mensen. Dan zaten wij op de boot gepakt als sardines in een blikje. Het gebrek aan ruimte om adem te halen, baarde ons echter niet zoveel zorgen als het water dat, zoals wij zagen, over de randen van de kano’s begon te sijpelen. Niemand anders scheen zich er echter zorgen over te maken. De mannen slaagden er op de een of andere manier altijd in, het water er net zo vlug weer uit te hozen als het er in kwam!

Tocht over de rivier

Eén traject van onze safari, van Kinsjasa naar Boende in de Evenaarsprovincie, legden wij, omdat de wegen bijzonder slecht waren, per boot af en duurde acht dagen. De rivierschepen zijn grote motorboten die verscheidene schuiten zonder motor duwen of trekken. Wij waren op het eerste dek van de hoofdboot gehuisvest, dus hadden wij het voordeel dat wij van bovenaf het landschap langs de rivier konden gadeslaan en ook op de schuiten konden kijken. Op een ervan konden wij onze Land Rover zien staan, ingeklemd tussen dozen, kratten, goederen en mensen. Eén groepje vond dat de Land Rover een uitstekende wand vormde om er een soort van geïmproviseerde voortent aan vast te maken als beschutting tegen de zon.

Het meest frappante voor ons was het aantal mensen en de hoeveelheid goederen die aan boord gestouwd waren. Het devies van alle vormen van openbaar vervoer hier schijnt te zijn: „Te veel is net genoeg!” Er waren vastgebonden geiten, aan elkaar vastgebonden kippen, grote kommen water met levende vissen erin die in het rond zwommen en met hun staarten flapten, een paar levende krokodillen met dichtgebonden bekken en vastgebonden staarten, een waterschildpad, wilde zwijnen en kooien met papegaaien en andere vogels. Er waren ook talloze manden met gerookte vis, waaruit in de hete zon een sterke geur opsteeg.

Ook het lawaai is de moeite van het vermelden waard. Op de achtergrond klonk het onafgebroken stampen van de krachtige motoren. Dit bracht iedereen ertoe, zelfs in een gewoon gesprek, hard te schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Spelende, lachende en vaak huilende kinderen, plus de geiten en kippen, breidden het koor nog uit. Om kort te gaan, de boot was een toneel vol actie, met meer dan genoeg te zien en te horen.

Bij iedere aanlegplaats ontstond er een golf van verhoogde bedrijvigheid als er mensen van en aan boord gingen. Maar zelfs al voordat de boot vastmeerde, staken tientallen kano’s van wal en omringden ons. Meestal hadden zij nog meer vis en dieren te koop. Het was boeiend om naar te kijken.

De verkopers moesten hun labiele evenwicht behouden terwijl zij rechtop in hun kano’s met de passagiers over de prijs van hun vis of vlees stonden te onderhandelen. De mensen aan boord verdrongen zich tegen de railing en in het verhitte loven en bieden was het moeilijk te zeggen welke passagier met welke verkoper aan het onderhandelen was. Iedereen scheen te proberen zijn buurman te overstemmen. Met expressieve armgebaren van ergernis over een laag bod, of van gelaten instemming als men het met elkaar eens was geworden, kwam de koop ten slotte tot stand. Dan gaf de stoomfluit weer zijn oorverdovende vertreksein waar wij nooit aan wenden en waar wij ons altijd weer een hoedje van schrokken. De kano’s peddelden uit de weg en onze boot vertrok van de zoveelste aanloophaven, terwijl alle inwoners ons vaarwel wuifden en riepen.

Wij passeerden op onze tocht talloze schilderachtige dorpen met op palen gebouwde hutten. Het leven is voor deze mensen in duizenden jaren nauwelijks veranderd. Zij vissen vanuit hun kano’s, jagen in de bossen en bebouwen het land langs de rivieroevers. Al het voedsel dat zij over hebben, ruilen zij voor de weinige kleren en andere dingen die zij nodig hebben. Het is een vreedzaam en ongecompliceerd leven.

De zonsondergangen op de rivier waren bijzonder mooi; tegen de rode gloed van de ondergaande zon tekenden zich de silhouetten af van de hutten en bomen langs de waterkant terwijl het water dit alles nog eens weerspiegelde. Vooral ’s nachts was het vredig om met de maan en de sterren boven je te varen, terwijl er een verkoelend briesje waaide dat na de brandende hitte van de tropenzon iedereen verfriste.

Over de weg

Het grootste deel van onze tocht ging echter over de weg. Wij reden door elk soort van landschap dat maar denkbaar is — door dichte bossen, wouden, bergen, langs meren, over rivieren, door moerassen en savannen. Elke streek had haar eigen onderscheiden kenmerken en schoonheid. Men zou er ook aan kunnen toevoegen: haar eigen wegdekproblemen.

Enkele wegen waren goed, maar de meeste niet en sommige waren werkelijk slecht. Gedurende één tocht van drie dagen glibberden we in een sloot, raakten vast in gaten van ontwortelde bomen en strandden in een zee van modder waar we met een bulldozer uitgetrokken moesten worden. De reden voor al deze pech was zware regenval, die de kleiweg zo glad als spek had gemaakt. In één seconde kun je vast komen te zitten, maar het kan uren kosten om weer los te komen.

Gelukkig waren er meestal dorpen vlakbij en de bewoners wilden voor een kleine vergoeding maar al te graag een handje helpen. Een vrachtwagenchauffeur vertelde ons trouwens dat de dorpelingen vaak blij waren vlakbij een stuk slechte weg te hebben, aangezien dit een bron van inkomsten is! Hij kende zelfs enkele slechte stukken waar men een vastgestelde prijs moest betalen als men het ongeluk had vast te raken.

Toen wij één slecht gedeelte vol met modder en gaten naderden, kwamen de dorpsbewoners op het geluid van de auto aanhollen en bleven met over elkaar geslagen armen staan kijken hoe het drama zich zou voltrekken. Ik schakelde de Land Rover terug in de laagste versnelling. Wij schommelden, slingerden en botsten en waren er bijna, maar plotseling bleef het chassis op een ribbel tussen twee diepe groeven steken en de wielen draaiden, centimeters boven de grond, hulpeloos rond. Er steeg een luid gejuich van vreugde uit de rijen van de toeschouwers op terwijl zij naar voren renden om te onderhandelen over de prijs om ons eruit te helpen. Het vaststellen van de prijs nam een vol kwartier in beslag.

In de provincie Kivoe gingen wij door „het Zwitserland van de republiek Zaïre”. Het was werkelijk adembenemend om in de bergen te rijden en uitzichten te hebben over het Albert-, Kivoe-, en Tanganjika-meer. Een gedeelte van de weg ging door het Albertpark en wij kregen impala’s, buffels en olifanten te zien.

Een Afrikaans welkom

De hartverwarmendste ervaring die wij opdeden, was zeer beslist het welkom dat wij in elke plaats van bestemming kregen. De leden van de plaatselijke gemeente van Jehovah’s getuigen kwamen ons altijd in groten getale begroeten. Dan verdrongen zij zich om ons heen, met een glimlach die van oor tot oor reikte en schudden ongeveer onze handen eraf. Tegelijkertijd herhaalden zij telkens weer uitdrukkingen zoals „wako wako”, „jambo jenoe” of „mojo wenoe”, wat in hun verschillende talen „dag” en „welkom” betekent. Voor degenen van ons die gewend zijn aan de waardige formele of koel beleefde begroetingen die in sommige landen gebruikelijk zijn, kan een Afrikaans welkom volkomen overweldigend zijn. Er bestond geen twijfel over dat iedereen dolblij was dat wij waren gekomen.

In iedere plaats was alles al van tevoren voor ons verblijf in gereedheid gebracht. Onveranderlijk was er iemand voor ons uit zijn huis getrokken. Het dak was meestal opnieuw bedekt, gaten in de wanden gerepareerd en blinden voor de venstergaten aangebracht. De vloer was schoongeveegd en gewoonlijk stonden er voor ons een tafel en twee stoelen gereed. Vaak had men een nieuw toilet gegraven en een plaats omheind om een douche te nemen.

We hadden ons nog niet geïnstalleerd of steevast kwam er een stroom van bezoekers met geschenken binnen. Het traditionele geschenk is een kip, en op één plaats hadden wij ten slotte tien kippen die overal rond het huis liepen te kakelen en te krijsen. Af en toe kregen we een eend en twee maal werd ons een hertje gebracht. Anderen brachten vruchten, groenten, rijst of eieren. De gulheid van deze nederige mensen ontroerde ons altijd weer. Zij hebben zo weinig op stoffelijk gebied en toch geven zij met een gul hart.

De studenten

De school werd altijd in de Koninkrijkszaal, de plaatselijke vergaderplaats van Jehovah’s getuigen, gehouden. Meestal was dit een tamelijk groot lemen gebouw met open zijkanten en een rieten dak, waardoor het binnen verrukkelijk koel was.

Degenen die voor de school waren uitgenodigd, kwamen per boot, een paar arriveerden met de trein, maar het meest algemene vervoermiddel was de fiets. Sommigen liepen echter wel driehonderdtwintig kilometer! Iedereen werd even hartelijk welkom geheten en het was nooit een probleem om een slaapgelegenheid bij de leden van de plaatselijke gemeente te vinden. Gastvrijheid is een tweede natuur van Afrikanen.

De lessen werden merendeels in het Frans gegeven en in zes van de plaatselijke talen vertaald: Lingala, Kikongo, Swahili, Kiloeba, Cibemba en Tsjiloeba. De evangeliebedienaren die de cursus volgden, kwamen uit verschillende stammen en hadden een verschillende achtergrond, doch zij woonden en studeerden samen in volkomen harmonie op school. Hun leeftijd varieerde van twintig tot over de zestig jaar terwijl ook hun schoolopleiding sterk varieerde.

Voor degenen die gewoon waren de grond te bewerken of met hun handen te werken, was het werkelijk zwaar werk om twee weken achtereen onafgebroken te studeren. Zij legden echter een gewillige geest aan de dag. Het volgen van de cursus vervulde allen met het verlangen hun eigen bekwaamheid in het leren te verbeteren en anderen in hun plaatselijke gemeenten aan te moedigen dit ook te doen. Een van de meest algemene uitingen aan het eind van elke, twee weken durende, cursus was dat het niet lang genoeg was geweest.

Deze uitingen van waardering en de oprechte gastvrijheid die wij ontvingen, deden alle ongemakken van het reizen in het niet verzinken. Wij beschouwen het werkelijk als een voorrecht deel te hebben uitgemaakt van deze „school op safari”.

[Voetnoten]

a Zie ook blz. 30.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen