Onbekendheid met de bijbel leidt tot grotere verliezen
IN DE jaren vijftig maakten de Amerikaanse kerken een snelle groei door. De kerkgemeenten breidden zich uit. Nieuwe sekten splitsten zich af van de hoofddenominaties. En nergens was de rooskleurige droom ’de wereld tot het Koninkrijk van Christus te bekeren’, rooskleuriger dan in de „Bible Belt”. In het begin van de jaren zestig ging echter de vaart uit de religieuze beweging. In het Zuiden begaven, zoals wij hebben gezien, vele kerkleden en predikanten zich op een zijspoor door hun aandacht volledig te richten op sociale en politieke kwesties.
Hoe verging het evenwel degenen die echt naar de kerk kwamen om geestelijk voedsel tot zich te nemen? Werd hun duidelijk geleerd dat de bijbel het Woord van God is en werd hun getoond hoe zij dit boek als een gids in hun leven konden gebruiken? Het antwoord hierop uit de mond van kerkleiders is zonneklaar. Zo gaf bijvoorbeeld Carl Bates, een voormalige president van de Southern Baptist Convention, toe: „Wij hebben een generatie van baptisten grootgebracht die vrijwel geheel onbekend is met onze leer.” En de baptist Dr. K. L. Chafin merkte op: „Zij kunnen hun geloof niet eens onder woorden brengen.”
Waarom zijn kerklidmaten onbekend met de bijbel?
Hoe komt het echter dat kerklidmaten ’vrijwel geheel onbekend zijn met de leer’ van hun kerk en niet in staat zijn ’hun geloof onder woorden te brengen’, terwijl dit toch op de bijbel gebaseerd dient te zijn? Is het mogelijk dat de geestelijken hun kudden niets „degelijks” uit de bijbel te bieden hebben? Gelooft de geestelijkheid in het Zuiden wel werkelijk — evenals de apostel Paulus — dat de bijbel „door God geïnspireerd” is? — 2 Tim. 3:16.
Het standpunt van één kerk inzake deze kwestie, kan men snel te weten komen door de Broadman Bible Commentary op te slaan, een commentaar op de bijbel bestaande uit twaalf delen, vervaardigd door baptistische geleerden. De authenticiteit van de bijbel wordt in dit werk zozeer betwijfeld dat het verscheidene jaren na vrijgave de gemoederen in baptistenkringen nog in opwinding bleef brengen. Nu zijn er echter steeds minder kerkleden die dit ’commentaar’ aanvallen. In de Christian Century stond over de in 1972 gehouden zakenbespreking van de Southern Baptist Convention:
„De kwestie die had gedreigd op de SBC-besprekingen de grootste klap te zullen geven — het doorlopende onderzoek in verband met de 12-delige ’Broadman Bible Commentary’ en de auteurs ervan — liep met een sisser af . . . [conservatieven] boden een resolutie aan met het verzoek het werk te herroepen en te herschrijven wegens de strijdigheid ervan met het baptistische geloof in de absolute onfeilbaarheid van de bijbel.”
Waren de meeste afgevaardigden ervoor een bijbelcommentaar te verwerpen waarin de „absolute onfeilbaarheid” van de bijbel in twijfel wordt getrokken? Het verslag vervolgt:
„De [afgevaardigden] weigerden met een overweldigende meerderheid het commentaar uit de roulatie te nemen . . . Er werden geen afzonderlijke stemmen geteld, maar de resolutie schijnt met een viervijfde meerderheid te zijn afgewezen.”
Hoe kan er van gewone kerkleden verwacht worden dat zij ’hun geloof onder woorden kunnen brengen’ als zelfs onder leidinggevende kerkleden de meningen verdeeld zijn over zulke fundamentele kwesties als de „absolute onfeilbaarheid van de bijbel”? Er zullen ongetwijfeld grote verschillen in geloofsovertuiging ontstaan wanneer er wordt getwijfeld aan de rol van de Schrift. Maar de onzekerheid is niet slechts beperkt tot wat men gelooft.
Een christen dient zich in zijn gedrag te laten leiden door wat de bijbel zegt. Was het daarom ook niet te verwachten dat er twijfel zou ontstaan over de vraag hoe een christen zich dient te gedragen?
Ja. En welk een verwarring er is ontstaan kan aan de hand van een specifiek voorbeeld duidelijk worden gemaakt. Aan twee Southern Baptist-predikanten werd door een persbureau in Georgia de vraag gesteld of stemmen, in militaire dienst gaan, het groeten van nationale symbolen, intergeloofactiviteiten, patriottische ceremoniën en het ondersteunen van de V.N. iemand tot een „deel van de wereld” maakten. Een van hen beantwoordde de vraag op elk punt met „Ja”. De ander zei in verband met elk punt „Nee”. Nochtans merkte een van de geestelijken op de vragenlijst die hem was toegezonden, nog op dat „God geen god van wanorde is”.
Zeker, God is niet verward, en ook zijn Woord, de bijbel, niet. Maar is het niet duidelijk dat er een geweldige verwarring bestaat onder de geestelijken van dezelfde baptistendenominatie? De gewone man zal niet minder verward zijn. Het is niet vreemd dat veel ’vrijwel geheel met de leer onbekend zijnde’ leken eenvoudig niet meer naar hun kerk gaan.
Het niet vasthouden aan de bijbelse maatstaf met betrekking tot gedrag heeft ook onder de methodisten van de „Bible Belt” een verdeeldheid brengend probleem geschapen. Welk probleem?
Methodisten en homoseksualiteit
Het is het probleem van homoseksualiteit. De bijbel zegt duidelijk: „Vergist u niet . . . niemand die zich schuldig maakt aan overspel of homoseksuele perversie . . . zal het koninkrijk Gods bezitten” (1 Kor. 6:9, New English Bible). Maar toen aan vier methodistenpredikanten in Atlanta (in de Zuidamerikaanse staat Georgia) werd gevraagd of er met het beoefenen van homoseksualiteit bijbelse beginselen werden overtreden, antwoordde slechts één met Ja!
In 1971 hield het tijdschrift The Texas Methodist een onderzoek onder leden van dezelfde kerk in verband met de houding ten aanzien van homoseksualiteit. Op de vraag: „Kan iemand volgens u tegelijkertijd een christen en een homoseksueel zijn?” antwoordde 41 percent van de 533 ondervraagde personen met „Ja!” En van de predikanten gaf 60 percent „Ja” ten antwoord. Sommigen vonden homoseksualiteit zelfs „natuurlijk”.
Welk een verdeeldheid-zaaiend effect deze homoseksualiteitskwestie in de methodistische kerken in het Zuiden heeft gehad, blijkt wel uit een ingezonden brief van een ouder kerklid aan The Texas Methodist: „Ik ben al ruim zeventig jaar methodist, maar heb nog nooit zulk een smerigheid meegemaakt als wat thans in de Methodistische Kerk gebeurt, en de leiders van onze Kerk schijnen het nog te tolereren ook. Geen wonder dat er zoveel lidmaten weglopen.”
Huichelachtigheid drijft velen in de „Bible Belt” op de vlucht
Er is nog een andere reden waarom velen — en vooral jongere mensen — de fundamentalistische „Bible Belt”-religies de rug hebben toegekeerd. Welke reden dit is, wordt ons verteld door P. H. Johnson van de Martin Street baptistenkerk in Raleigh (Noord-Carolina): „Heel wat jongeren zien enerzijds de theorie en anderzijds de praktijk van het christendom.”
Jarenlang hebben de „Bible Belt”-kerkleden onder strikte verbodsbepalingen geleefd; roken en het drinken van alcoholische dranken was verboden. Maar hebben de kerkmensen werkelijk aandacht geschonken aan deze verboden? Wel, meer dan 90 percent van de reusachtige tabaksoogst van de Verenigde Staten komt nog steeds uit het Zuiden. En Kentucky is een van de belangrijkste whisky-producerende staten van Amerika gebleven. Is het te verwachten dat de kritische jongeren van deze tijd zulke duidelijke tegenstrijdigheden niet zullen opmerken? Nauwelijks!
Er kan beslist gezegd worden dat gebrek aan geloof in de bijbel, en het bijgevolg niet consequent vasthouden aan de onderwijzingen van dit boek, in de religieuze organisaties van de „Bible Belt” tot verdeeldheid, onzekerheid en huichelachtigheid heeft geleid. Het heeft bijgedragen tot een achteruitgang in het aantal lidmaten. Nochtans zijn er veel eerlijke personen die zich in alle oprechtheid afvragen of het religieuze beeld van de Amerikaanse „Bible Belt” geen enkel lichtpuntje meer vertoont.