Wat zou uw beslissing zijn als u de rechter was?
WIJ nodigen u uit uzelf in de positie te verplaatsen van een rechter die de volgende zaak in Oostenrijk moest berechten:
Een meisje van twee jaar heeft leukemie. De behandelende arts schrijft het gebruik van bloedtransfusie voor. Op religieuze gronden verwerpen de ouders van het meisje deze behandeling. Hierna weigert de geneesheer het kind nog enige verdere medische behandeling te geven. Het kind wordt uit het ziekenhuis ontslagen.
De ouders gaan dan op zoek naar een andere behandelingsmethode voor hun dochtertje, die haar misschien zal helpen. Een korte tijd later sterft zij echter. De plaatselijke autoriteiten beschuldigen de ouders van doodslag. De zaak komt voor het gerecht. De ambtenaar van het openbare ministerie eist in zijn requisitoir dat de ouders worden gestraft. Als u de rechter was, wat zou dan uw beslissing zijn?
Lees alstublieft eerst dit artikel en stel u op de hoogte van de zaak voordat u uw uitspraak doet.
De ziekte en de dood van het kind
In mei 1970 bemerkten Eduard en Veronika Walter, woonachtig in het plaatsje Steyr, in Opper-Oostenrijk, dat hun dochtertje Irene van twee jaar erg bleek zag. Zij raadpleegden onmiddellijk een kinderarts. Deze was van oordeel dat er in Irene’s geval eenvoudig sprake was van ondervoeding. Daar haar toestand niet vooruitging, vervoegden de ouders zich in september opnieuw bij de dokter. Het bloed van Irene werd onderzocht, maar er werd geen bloedziekte geconstateerd.
Een maand later, tegen het eind van oktober, werd het kind naar het Algemene Districtsziekenhuis te Steyr verwezen. Twee dagen later kreeg haar moeder tijdens het bezoekuur in het ziekenhuis te horen dat Irene een bloedtransfusie moest krijgen. Mevrouw Walter legde uit dat zij als een van Jehovah’s getuigen weigerde haar kind een bloedtransfusie te laten geven wegens het bijbelse gebod dat de mens zich dient te onthouden van elke vorm van bloed. — Hand. 15:28, 29; Lev. 17:14.
Toen werd de vader gevraagd naar het ziekenhuis te komen, wat hij deed. De ouders bleven bij hun standpunt met betrekking tot bloedtransfusie voor hun kind. Daarop verklaarde de dokter: „Dan is de zaak wat mij betreft afgedaan.”
Dus reeds vanaf het begin vertoonde men in het ziekenhuis de neiging het kind verdere medische zorg te onthouden indien de ouders niet met een bepaalde soort van behandeling — bloedtransfusie — zouden instemmen. Diezelfde avond moeten de heer en mevrouw Walter hun kind mee naar huis nemen zonder op enigerlei wijze te zijn ingelicht over enige andere therapie.
Herhaaldelijk vroegen zij of er andere manieren, zonder bloedtransfusie, waren om hun kind te helpen. Maar de dokter zei dat deze niet bestonden. De ouders gingen eerst met Irene naar een kliniek in Opper-Oostenrijk en toen naar twee natuurgenezers in Duitsland en Oostenrijk. Er werd voor het kind geen geneeswijze gevonden. Op 5 november 1970 stierf zij in het huis van haar ouders in Steyr.
Ouders beschuldigd
Hebt u de indruk dat de ouders werkelijk de dood van hun kind wensten, of dat zij met voorbedachten rade haar dood verhaastten toen, zij het toedienen van een bloedtransfusie weigerden? Dr. A. Andel schijnt deze mening toegedaan te zijn geweest, want bij het opmaken van de overlijdensacte vulde hij bij punt 12 in: „Weigering bloedtransfusie.” Onder punt 12 staat het volgende: „Geef in geval van gewelddadige dood (zelfmoord, moord, doodslag, ongeluk) details betreffende wijze en oorzaak van zulk een gewelddadige dood.”
De volgende dag bracht Dr. Andel de zaak aan bij de federale politiepost in Steyr. De ouders werden onmiddellijk door de federale recherche ondervraagd, en zij zetten uiteen wat hun religieuze standpunt ten aanzien van bloedtransfusie was. Bovendien verklaarden zij dat de doktoren geen genezing hadden kunnen garanderen, en dat het besef dat een transfusie van bloed ernstige en zelfs fatale gevolgen kan hebben, hen eronder andere ook toe had gebracht een transfusie te weigeren.
De politie legde het rapport over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie verzocht daarna bij het Instituut voor Gerechtelijke Geneeskunde van de Paris-Lodron-universiteit te Linz om een verklaring betreffende de dood van Irene Walter. In de slotconclusie van het rapport van het instituut, geschreven door professor N. Wölkart en geneeskundig hoofd Dr. K. Jarosch, stond:
„Op het ogenblik liggen de levenskansen in verband met deze ziekte ongunstig, zelfs met de nieuwste geneeskundige behandeling, d.w.z. in beginsel was er geen herstel mogelijk; de aan de ziekte ten grondslag liggende aandoening zou vroeg of laat toch fataal zijn gebleken.”
Dit zelfde verslag ging echter verder met de toevoeging dat de weigering tot het geven van bloed het leven van het kind niet weinig heeft verkort. In de slotconclusie stond dat het kind was gestorven aan bloedarmoede, veroorzaakt door leukemie en „het verhinderen van een juiste medische behandeling”.
Het openbaar ministerie maakte op 19 februari 1971 de zaak tegen Eduard en Veronika Walter bij het districtsgerechtshof te Steyr aanhangig. Er werd verklaard dat hun weigering om bloedtransfusie aan hun kind toe te staan een overtreding was geweest van artikel 335 van het wetboek van strafrecht met betrekking tot handelingen die het leven in gevaar brengen. Deze wet luidt:
„Elke daad of elk verzuim van de zijde van iemand die — door voor iedereen duidelijke en natuurlijke consequenties, of wegens speciaal bekendgemaakte regelingen, of uit hoofde van zijn rang, ambt, beroep, vak of professie, of in het algemeen wegens de bijzondere omstandigheden waarin hij verkeert — kan onderscheiden dat door dit verzuim of deze daad gevaar voor het leven of de gezondheid van een ander te duchten is, of dat dit gevaar er waarschijnlijk door zou kunnen worden vergroot, dient, indien het feit iemand ernstig letsel heeft berokkend, te worden gezien als een overtreding van de wet van de zijde van de betrokkene en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of met een geldboete van ten hoogste $100.000,– [ongeveer ƒ 13.900,–] en, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar.”
De telastlegging eindigde met de eis dat de tweede strafmaatregel zou worden toegepast.
Vragen die beschouwd dienen te worden
Wat denkt u nu van de zaak? Bent u het eens met de beschuldiging van de ambtenaar van het openbaar ministerie en bent u van oordeel dat de schuld van de verdachten voldoende is vastgesteld? Of hebben de ouders gewetensvol alles gedaan wat in hun vermogen lag om het leven van hun kind te redden? Welke kans bestond er dat het kind door een bloedtransfusie was blijven leven, of dat haar leven erdoor was verlengd? Was bloedtransfusie in dit geval de enige juiste en beste behandeling?
Deden de doktoren aan de andere kant alles wat zij konden en moesten doen om het kind te helpen? Laten wij eens de verklaring van enige deskundigen beschouwen.
Wat is de juiste behandeling?
De laatste woorden in de slotconclusie van de hierboven reeds aangehaalde deskundigenverklaring luidden: „Dood ten gevolge van bloedarmoede, veroorzaakt door aleukemische lymfoïde leukemie en het verhinderen van een juiste medische behandeling.” Gesteld nu echter dat de als „juist” beschouwde behandeling ook bepaalde risico’s zou blijken in te houden? Als eerlijke rechter zou u dat bij het nemen van een beslissing in uw beschouwing moeten betrekken. En bezie dan eens het volgende:
Gedurende het gerechtelijk vooronderzoek hadden de ouders het Monatsschrift für Kinderheilkunde (Maandblad voor [het Duitse Genootschap voor] Kindergeneeskunde), Deel 118, no. 1, januari 1970, aan het hof overhandigd. In dit tijdschrift stonden de verhandelingen gepubliceerd van voordrachten die op 24 september 1969 tijdens de 76e conferentie van het Duitse Genootschap voor Kindergeneeskunde waren gehouden over het onderwerp: „Nieuwe gezichtspunten betreffende leukemie bij kinderen.”
Op bladzijde twee werd verklaard dat weken vóór de opname in het ziekenhuis reeds symptomen van de ziekte waarneembaar zijn. Op de bladzijden vier tot en met twaalf werden de verschillende, op het ogenblik meest effectieve chemotherapeutische behandelingsmethoden besproken en het succes dat men ermee had gehad. Deze zesentwintig bladzijden beslaande wetenschappelijke bespreking in bovengenoemde publikatie voor de kindergeneeskunde werd voor commentaar naar het Instituut voor Gerechtelijke Geneeskunde van de Paris-Lodron-universiteit te Linz gezonden.
Het instituut vatte de bespreking vervolgens in ongeveer vierendertig regels samen en verklaarde dat „de meer recente behandelingsmethoden bij acute leukemie tot een aanzienlijke verlenging van de overlevingsduur hebben geleid”. Er werd nog aan toegevoegd: „De overlevingsduur is met behulp van moderne behandelingsmethoden verlengd tot een gemiddelde van 13 maanden.” „Men verwacht zelfs een vijfmaal zo lange overlevingsperiode als tot nu toe.”
De advocaten van de ouders verzamelden ook verklaringen van deskundigen, zoals professor H. Weicker, hoofd van het Instituut voor Menselijke Genetica aan de universiteit van Bonn en mederedacteur van een handboek over kindergeneeskunde, die gedurende twintig jaar praktijk in de kindergeneeskunde meer dan 200 kinderen heeft behandeld die leden aan acute leukemie. Professor Weicker schreef:
„De gemiddelde levensverwachting van een kind met een gewone acute leukemie is bij benadering drie maanden, indien het niet onmiddellijk bij het optreden van de eerste duidelijke symptomen van leukemie wordt behandeld. Bij Irene Walter traden deze symptomen op in mei of juni (ongewone bleekheid) en in juli (vergroting van de milt), afgezien van het feit of ze als zodanig werden herkend. Naar de gemiddelde levensverwachting gerekend — als er geen behandeling wordt toegepast — kon het kind tot september of oktober 1970 blijven leven, waarbij de werkelijke levensduur natuurlijk van individuele verschillen afhangt. In de levensverwachting van kinderen met leukemie is sinds de invoering van bloedtransfusie geen of slechts een onbeduidende verandering gekomen. . . .
Slechts door de invoering van cortison bij de behandeling van leukemie is de levensverwachting met gemiddeld zes tot negen maanden toegenomen. Vandaar ook dat de gecombineerde cortison-cytostaticatherapie bij de behandeling van leukemie volledig de eerste plaats inneemt. . . . Door het verloop van de ziekte op deze wijze te beoordelen en onze kennis in aanmerking te nemen betreffende de overlevingskansen voor leukemie-kinderen, moet in het betrokken geval de conclusie dat er sprake zou zijn van een gewelddadige dood ten gevolge van het weigeren van bloedtransfusie, worden afgewezen. . . . Er bestaat geen twijfel over dat haar levenskansen aanzienlijk waren vergroot indien de gecombineerde cortison-cytostaticabehandeling bij haar was toegepast, maar dan ook alleen door middel van deze therapie en niet door middel van bloedtransfusies, die reeds in de jaren veertig gewoon waren.”
De risico’s van bloedtransfusie
Nog een deskundige die om zijn mening werd gevraagd, was Dr. F. W. Gunther, hoofd van het stadsziekenhuis van Wuppertal-Barmen, in Duitsland. Hij zei dat hij ’geheel instemde’ met bovenstaande verklaring van professor Weicker, en voegde er nog als eigen commentaar aan toe:
„Als directeur van de kinderkliniek in Wuppertal-Barmen, waar jaarlijks vier tot vijfduizend patiënten verpleegd worden, ben ik bekend met de ziekteverschijnselen van leukemie zoals ze optreden bij kinderen. Ik heb nooit een kind dat aan leukemie leed, in leven zien blijven. . . . De doktoren die Irene hebben behandeld moeten in zoverre in het gelijk gesteld worden dat zij de ouders bloedtransfusie aanbevalen. In dit verband is het echter goed op te merken dat ikzelf heb gezien dat bloedtransfusies bij leukemie-patiënten ernstige en zelfs fatale complicaties tot gevolg kunnen hebben.”
Op bevel van het hof werden de verslagen betreffende de zaak naar het geneeskundig hoofd van de kinderafdeling van het Mödling-ziekenhuis gezonden, naar Dr. Ruziczka, tevens rector aan een universiteit, om nog een mening van een deskundige op het gebied van de kindergeneeskunde te horen.
Dr. Ruziczka gaf als zijn oordeel te kennen dat in het geval van Irene Walter een bloedtransfusie als behandeling van de bloedarmoede waarmee leukemie gepaard gaat, juist zou zijn geweest. Maar hij wees ook op de nadelen en zelfs het levensgevaarlijke aspect van bloedtransfusies.
De heer en mevrouw Walter waren zich zeer goed bewust van de gevaren die het geven van een bloedtransfusie met zich brengt. Zij hadden de brochure gelezen die door het Wachttoren-, Bijbel-, en Traktaatgenootschap was uitgegeven, met de titel „Bloed, geneeskunde en de wet van God”. Deze verhandeling, die gedocumenteerde bewijzen verschaft betreffende de verschillende gevaren die verbonden zijn aan het toedienen van bloed, werd aan de verslagen van het gerechtshof toegevoegd.
De behandeling van de zaak
Op 27 oktober 1971 werd de zaak te Steyr behandeld. Een arts van het Steyr-ziekenhuis, Dr. J. Fritz, werd als getuige gehoord. Hij verklaarde dat de voorgestelde bloedtransfusie ten doel had gehad de algemene gezondheidstoestand van het kind te verbeteren en haar in het oog springende bleekheid weg te nemen, en niet als een werkelijke behandelingsmethode voor haar ziekte bedoeld was geweest. Na het onderzoek dat in samenwerking met de kliniek van de universiteit van Innsbruck werd verricht, zou het kind vervolgens naar het op een na grootste behandelcentrum in Wenen zijn overgebracht. (Het kind stierf echter ongeveer twee en een halve week na de eerste opname in het ziekenhuis!) De werkelijke behandeling zou dan in Wenen hebben plaatsgevonden.
Daarna las de ambtenaar van het openbaar ministerie zijn vordering voor en verklaarde de ouders schuldig of althans medeplichtig aan een misdrijf gericht tegen het leven, en eiste hun straf.
Van de zijde van de verdediging, bestaande uit Dr. H. Puschner en Dr. H. Frieders, uit Wenen, werd geargumenteerd dat de ouders meer hadden gedaan om het leven van hun kind te redden dan de wet vereist.
Als u de rechter was, wat zou u dan beslissen? Beschouw nog eens de feiten die op het geval betrekking hebben door de volgende vragen te beantwoorden aan de hand van wat u hebt gelezen:
Wat staat er in artikel 335 van het wetboek van strafrecht, welke wet de ouders overtreden zouden hebben? Wat hebben de medische deskundigen van beide kanten gezegd? Wat hebben de ouders gedaan om het leven van hun kind te verlengen?
Laat uw overwegingen niet beheersen door de gedachte dat het kind toch gestorven zou zijn. Volgens de wet is zelfs het verkorten van leven strafbaar. Aan de andere kant zou men de vraag kunnen stellen of het leven van het kind werkelijk door een bloedtransfusie zou zijn verlengd.
Bent u tot een beslissing gekomen? Indien ja, dan kunt u die nu vergelijken met de werkelijke uitspraak die de rechter in de zaak Walter deed:
De uitspraak
De heer en mevrouw Walter werden vrijgesproken op grond van de volgende feiten:
1. De verdachten hadden zichzelf voldoende op de hoogte gesteld van de uitwerking van een bloedtransfusie en wisten dat er andere doeltreffende behandelingsmethoden bestonden. Vandaar dat zij niet hadden kunnen inzien dat het weigeren van een bloedtransfusie in de zin van de wet een misdrijf zou zijn tegen het leven van hun kind.
2. Het ziekenhuis had zich feitelijk voor het verkrijgen van verdere instructies in verband met de behandeling van het kind tot de voogdijraad moeten wenden. Met het oog op het betrokken risico was het heel goed mogelijk geweest dat de voogdijraad van een gedwongen bloedtransfusie had afgezien en het religieuze geweten van de ouders had gerespecteerd.
3. De door het hof geraadpleegde deskundigen hebben gewezen op de nadelen die kleven aan bloedtransfusie. De weigering van de ouders was dus niet ongefundeerd.
OPMERKING: Ongeveer tien bekende Oostenrijkse specialisten, onder wie universiteitsdocenten, hoofdchirurgen aan kinderklinieken en directeuren van kinderziekenhuizen van Oostenrijkse universiteiten, verklaarden, toen hun mening in verband met bovengenoemd geval werd gevraagd, dat zij persoonlijk bereid waren het religieuze standpunt van Jehovah’s getuigen inzake bloedtransfusie te respecteren en dat zij alle andere denkbare medische behandelingsmethoden zouden toepassen om deze patiënten te helpen. Zulke geneeskundigen zijn te prijzen omdat zij hun medemens trachten te helpen en terzelfder tijd respect tonen voor wat zijn christelijke, door de bijbel onderwezen geweten hem voorschrijft.