Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g73 22/1 blz. 21-26
  • Religieuze wreedheid — Kenmerk van de Nederlandse vrijheidsoorlog

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Religieuze wreedheid — Kenmerk van de Nederlandse vrijheidsoorlog
  • Ontwaakt! 1973
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De vroege geschiedenis
  • De regering van Karel V
  • Filips II volgt Karel op
  • De hertog van Alva
  • Willem „de Zwijger”
  • Religieuze wreedheid aan beide kanten
  • Hoe de Nederlandse kerk met Rome overhoop kwam te liggen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Een heilige
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
  • De Spaanse inquisitie — Hoe kon het gebeuren?
    Ontwaakt! 1987
  • Religieuze crisis in Nederland
    Ontwaakt! 1993
Meer weergeven
Ontwaakt! 1973
g73 22/1 blz. 21-26

Religieuze wreedheid — Kenmerk van de Nederlandse vrijheidsoorlog

DE NEDERLANDSE rooms-katholieke hiërarchie schijnt op het ogenblik de meeste kritiek te hebben op het beleid van paus Paulus. Vooral de opstandige houding van de Nederlanders in de kwestie van het verplichte celibaat voor priesters werd door het Vaticaan als een „onvergeeflijke zonde” beschouwd. Maar wist u dat de Nederlanders vierhonderd jaar geleden ook voorop gingen bij het bestrijden van het beleid van het Vaticaan?

De Nederlanders hadden daar goede redenen voor, want een historicus verklaart over die tijd: „Nergens werden de ketters meedogenlozer vervolgd dan in de Nederlanden.” Dat dit geen overdreven uitspraak is, blijkt wel uit de opmerking die hun voornaamste vervolger, Filips II, maakte: „Waarom de Spaanse inquisitie invoeren? . . . de inquisitie in de Nederlanden is veel meedogenlozer dan in Spanje.”

Deze inquisitie was in de eerste plaats de reden waarom de bevolking van de Nederlanden in opstand kwam en uiteindelijk het katholieke Spaanse juk van zich afwierp. Tachtig jaar lang (met uitzondering van een bestandsperiode van 1609 tot 1620) hebben de Nederlanders gevochten, en in 1648 verwierven zij met de ondertekening van de vredesverdragen van Münster en Westfalen hun vrijheid. Hiermee „stonden de Spanjaarden alles af waarvoor de Nederlanders hadden gestreden”. Het zij opgemerkt dat de landstreek die toen de Nederlanden werd genoemd, ook België omvatte.

De vroege geschiedenis

De geschiedenis van de Nederlanden gaat terug tot het jaar 58 v.G.T., toen Julius Caesar het gebied van de Lage Landen veroverde. Een paar eeuwen later kwamen zendelingen van de christenheid deze landen binnen. En in de achtste eeuw deed met Karel Martel (de „strijdhamer”) religieuze onverdraagzaamheid haar intrede, een onverdraagzaamheid die onder zijn kleinzoon, Karel de Grote, bleef voortduren. Deze heersers stelden de heidenen voor de keus: gedoopt worden of sterven!

Zo’n vijf eeuwen later bloeide de religieuze onverdraagzaamheid in de Lage Landen weer op, deze keer niet tegen heidenen gericht, maar tegen degenen die van oordeel waren dat de leer van de Rooms-Katholieke Kerk afweek van de bijbel. Tot de slachtoffers ervan behoorden de Wederdopers, de Waldenzen en de Lollarden. Globaal genomen, predikten deze groeperingen „gehoorzaamheid aan God, vertrouwen op de bijbel als gids voor een christelijke levenswijze en eenvoud bij de aanbidding”.

Enig idee van de wijze waarop zij geleden hebben, verkrijgt men bij het lezen van de historische verslagen die vertellen wat er gewoonlijk met een Waldenzer slachtoffer gebeurde. Nadat zijn schuld met gebruikmaking van een heet ijzer of een ketel kokend water was „aangetoond”, werd hij uitgekleed en aan een paal gebonden. Vervolgens werd hij levend gevild, dat wil zeggen, van hals tot middel van zijn huid ontdaan, waarna er zwermen bijen op zijn bloedende vlees werden losgelaten, die hem pijnigden tot de dood verlossing bracht.

De regering van Karel V

Na verloop van tijd slaagden de heersers van het Franse Bourgondische vorstenhuis erin de opvolgers van Karel de Grote het gebied van de Lage Landen te ontnemen. En door het aangaan van huwelijken met dit Bourgondische huis, verwierf uiteindelijk het Habsburgse vorstenhuis het bestuur over de zeventien provincies die het gebied van de Lage Landen vormden. Zo werd Karel V op de leeftijd van vijftien jaar heerser over de Nederlanden, en in 1619, op negentienjarige leeftijd, tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.

Keizer Karel V gaf zich niet alleen veel moeite de zeventien provincies tot een politieke eenheid te smeden, maar trachtte ook religieuze eenheid te bewerkstelligen. Er wordt ons verteld dat „hij Duits, Spaans, Italiaans, Frans en Vlaams sprak . . . Hij kon zich op vormelijke wijze onderhouden met Spanjaarden, vertrouwelijk omgaan met Vlamingen, en geestig zijn in gezelschap van Italianen”. Wegens deze goede kwaliteiten werd hij ondanks zijn ernstige zonden tegen God en mensen door velen bewonderd.

Politieke factoren hadden Karel ertoe gebracht met de Duitse lutheranen het verdrag van Passau te sluiten, maar in de Nederlanden, alsook in Spanje, had hij het idee dat hij kon doen wat hij wilde, zodat hij de inquisitie invoerde. In een in 1521 voor de Nederlanden vervaardigd edict verklaarde hij: „Daar het lijkt dat de voornoemde Maarten [Luther] geen man is maar een Duivel in mensengedaante en gekleed in het gewaad van een priester, moeten, beter dan dat het gehele mensenras naar de hel en de verdoemenis gaat, al zijn volgelingen en bekeerlingen gestraft worden met de dood en de verbeurdverklaring van al hun goederen.”

De daaropvolgende edicten werden steeds strenger en bereikten hun hoogtepunt in het Edict van 1550. Nu waren alle vergaderingen voor religieuze aanbidding in particuliere huizen, al het lezen van de bijbel en ook alle discussies over controversiële religieuze zaken verboden.a Bovendien werd er verordend dat alle mannen die schuldig werden bevonden en berouw hadden, onthoofd moesten worden, terwijl de vrouwen die berouw hadden, levend dienden te worden begraven. Zij die weigerden hun geloof te herroepen moesten levend worden verbrand. De enige manier waarop een ’ketter’ aan de dood kon ontkomen, was door anderen te verraden.

In dit Edict van 1550 kregen officiële personen verder nog de waarschuwing dat als zij het waagden clementie of barmhartigheid te betonen, zij zonder meer ontslagen en gestraft zouden worden. Het edict was voor eeuwig en diende „voor altijd, eenmaal in de zes maanden, in elke stad en in elk dorp van de Nederlanden te worden afgekondigd”. Men heeft wel geschat dat gedurende de veertigjarige regering van Karel tussen de vijftig- tot honderdduizend Nederlanders tijdens de inquisitie om het leven zijn gekomen.

Filips II volgt Karel op

Gekweld door een ondermijnde, slechte gezondheid droeg Karel V zijn bestuur over de Nederlanden en bepaalde andere gebieden over aan zijn zoon Filips II, terwijl zijn broer Ferdinand het keizerschap kreeg over het Heilige Roomse Rijk. Vanuit zijn plaats van afzondering, een klooster, drong Karel er bij zijn zoon Filips op aan „de ketterij met strengheid en harde zuiveringsacties met wortel en tak uit te roeien”.

Filips had zo’n aansporing echter niet nodig, want zijn titel „katholiek koning” was hem dierbaar. Hij vervreemdde zichzelf van zijn Nederlandse onderdanen door zijn religieuze onverdraagzaamheid alsook door het feit dat hij alleen maar Spaans kon spreken en zichzelf omgaf met Spanjaarden. Hij trouwde de katholieke Maria Tudor, koningin van Engeland, beter bekend onder de naam „Bloody Mary” wegens de onbarmhartige wijze waarop zij de protestanten gedurende haar korte regering liet doden. In 1556 hernieuwde Filips het beruchte Edict van 1550 en daarmee begon, wat wel is genoemd, „de langste, de donkerste, de bloedigste en de belangrijkste episode in de geschiedenis van de religieuze hervorming in Europa”.

Filips stelde inquisiteurs-generaal aan, en dezen zonden een tiental inquisiteursafgevaardigden door heel Nederland om de ’ketters’ op te sporen en terecht te stellen. De beruchtste onder hen was Pieter Titelmans, een sadist die grappen maakte als zijn slachtoffers zich verwrongen in de vlammen. Kenmerkend voor zijn wijze van optreden is wat hij deed toen hij een bepaald huis binnendrong en daar tien mensen aantrof die aan het bidden waren en de bijbel lazen. Voor deze misdaden liet hij hen onmiddellijk aan de paal verbranden. Er wordt verteld dat Titelmans eens een rechterlijk ambtenaar ontmoette die hem vroeg hoe het kwam dat hij geen beschermend militair escorte behoefde, terwijl hij als rechterlijk ambtenaar dat wel nodig had. Titelmans antwoordde: „Ik grijp slechts de onschuldigen en deugdzamen, die geen weerstand bieden.” Daarop antwoordde de ambtenaar: „Maar als u al de goede mensen arresteert en ik alle slechte, is het moeilijk te zeggen wie er ter wereld dan nog aan kastijding zal ontkomen.”

De hertog van Alva

Al meer dan tien jaar had Filips II — die in die tussentijd weer naar Spanje was vertrokken — er bij de plaatselijke Nederlandse autoriteiten op aangedrongen zijn inquisitie te ondersteunen. Maar zij werden steeds onwilliger om aan zijn eisen gehoor te geven. Toen het aantal ’ketters’ bleef toenemen, ging Filips tot drastischer maatregelen over. Hij zond de bekwaamste en meest ervaren generaal van geheel Europa, de hertog van Alva, naar de Nederlanden om de ketterij eens voor altijd uit te roeien. Dat was in het jaar 1567.

De hertog kwam in de Lage Landen aan met een strijdmacht bestaande uit 24.000 personen en 6000 paarden. Hiertoe behoorden 10.000 van de beste soldaten van Europa, en ook 2000 prostituées. Hij stelde onmiddellijk een „Raad van Beroerten” in, die bij de Nederlanders beter bekend kwam te staan als „Bloedraad”. Door verraad en bedrog kon hij de voornaamste Nederlanders in zijn net vangen, waarbij louter het bezitten van rijkdom reeds voldoende was om iemand te veroordelen.

Aan het begin van het bewind van de hertog ging het pauselijke Heilig Officie zelfs zover alle drie miljoen Nederlanders als ketters ter dood te veroordelen, welk vonnis tien dagen later door Filips II werd bevestigd. De New Catholic Encyclopedia verklaart: „De zes jaren dat Alva heeft geregeerd, zijn een niet te vergeten tijd geweest van terreur, waarin de Spaanse regering heeft getracht het reeds sterk verschanste protestantisme in de Noordelijke provincies te ontwortelen. . . . Zonder mededogen werden Bergen, Mechelen, Zutphen, Naarden en Haarlem door Alva belegerd, ingenomen en geplunderd.” Toch kon hij niet op deze wijze voortgaan, want de standvastige Hollandse verdedigers eisten een zware tol aan doden onder de manschappen van de hertog. Zo kon zijn leger van 30.000 man pas na zeven maanden en het verlies van 12.000 levens de stad Haarlem innemen. Oorlogsmoe sloop de hertog ten slotte het land uit om aan zijn schuldeisers te ontsnappen, zich er tegelijkertijd op beroemend dat hij gedurende zijn zesjarig bewind 18.600 ketters om het leven had gebracht. Dit is heel goed mogelijk, want hij doodde bijvoorbeeld eens in één ’heilige week’ 800 mensen.

Willem „de Zwijger”

Dat Filips II en zijn agenten, zoals de hertog van Alva en zijn opvolgers (Don Juan van Oostenrijk en de hertog van Parma), er allen niet in slaagden de Nederlanden te onderwerpen is ongetwijfeld grotendeels toe te schrijven aan de rol die Willem van Oranje, „de Zwijger”, en zijn zonen die hem opvolgden, hebben gespeeld. In zijn tienerjaren was Willem de gunsteling geweest van keizer Karel V en na verloop van tijd werd hij de stadhouder of bestuurder van drie van de noordelijke Nederlandse provincies. Hij verwierf zijn titel „de Zwijger” doordat hij zijn ontsteltenis verborgen hield bij het horen van het komplot dat door Filips II en de koning van Frankrijk was gesmeed om het protestantisme te doen verdwijnen door alle protestanten in hun rijken uit te roeien.

Hoewel Willem zelf katholiek was en geen sympathie koesterde voor het protestantisme, zag hij dat „er voor de Nederlanden tot een inquisitie was besloten, wreder dan die in Spanje, daar men slechts wantrouwend naar een beeld behoefde te kijken om reeds in het vuur te worden geworpen”. Hij vertelde dat hij „medelijden [had] met de vele deugdzame mannen en vrouwen die aldus gedoemd [waren] wreed te worden vermoord”, en besloot alles in het werk te stellen om hen te redden. Hoewel hij van Filips het bevel had gekregen alle sekten uit te roeien „die door onze Heilige Moederkerk worden verworpen”, deed hij juist het tegenovergestelde, „het gehoorzamen van God noodzakelijker achtend dan het gehoorzamen van mensen”. Zo werd hij dus, in plaats van het belangrijkste werktuig in handen van de inquisitie, de pilaar rond wie de Nederlanders zich schaarden. Uit genegenheid kreeg hij de naam „Vader des Vaderlands”.

Als reactie op de vele jaren van religieuze wreedheid stelde Willem op 31 augustus 1568 een formele oorlogsverklaring op die was gericht tegen de hertog van Alva, terwijl hij tevens zijn landgenoten aanspoorde zich te verenigen en voor hun vrijheid te strijden. Zo begon de Nederlandse „Tachtigjarige Oorlog”. Hoewel de Nederlanders herhaaldelijk op land werden verslagen, zegevierden zij meer dan ooit op zee, hoofdzakelijk door het optreden van de op zeerovers gelijkende benden die bekend stonden als de „watergeuzen”. Na verloop van tijd bekeerde Willem zich tot het protestantisme en werd een „soldaat van de reformatie”.b De vijand, zich bewust van de belangrijke plaats die Willem in de Nederlandse vrijheidsstrijd innam, zette een enorme prijs op zijn hoofd. Na een aantal mislukte aanslagen maakte in 1584 de kogel van een verrader een eind aan het leven van de toen eenenvijftigjarige prins. Maar zijn zoons zetten zijn werk voort — eerst Maurits bijna veertig jaar lang en toen Frederik Hendrik gedurende ongeveer tweeëntwintig jaar; deze werd op zijn beurt opgevolgd door zijn zoon Willem II, aan het begin van wiens regering de Nederlanders eindelijk hun vrijheid gewaarborgd kregen.

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog ontvingen de Nederlanders herhaaldelijk hulp uit Engeland, en ook uit Frankrijk en Duitsland.

Religieuze wreedheid aan beide kanten

Gedurende deze gehele tachtigjarige periode waren veel Nederlanders, terwijl zij vochten voor religieuze (alsook politieke) vrijheid voor zichzelf, niet bereid die anderen te gunnen. Een van de beruchtste onder hen was Sonoy, in 1575 de gouverneur van het Noorderkwartier. De wijze waarop hij sommigen wier enige misdaad was dat zij in het geheim het katholieke geloof beleden, liet martelen, was zo walgelijk dat men ziek wordt wanneer men de details leest. Een historicus schreef dan ook over hem: „Sonoy was er, tot zijn eeuwige schande, toe bereid te bewijzen dat . . . de protestanten zelfs aan de inquisiteurs nog een lesje konden geven in deze duivelse wetenschap.” Hoewel de Nederlanders over het algemeen een afschuw hadden van de wreedheden die door Sonoy werden bedreven (Willem had Sonoy zelfs uitdrukkelijk gewaarschuwd geen katholieken te vervolgen), hadden latere pogingen om hem ter verantwoording te roepen geen succes wegens de belangrijke rol die hij in de vrijheidsoorlog had gespeeld.

Zolang Willem van Oranje leefde was hij een rots van religieuze verdraagzaamheid, en herhaaldelijk berispte hij functionarissen om hun onverdraagzaamheid. Kenmerkend zijn de instructies die hij de magistraten van Middelburg gaf: „Wij maken u bekend . . . dat u niet het recht hebt u in te laten met andermans geweten, zolang er niets wordt gedaan dat persoonlijke schade of openbaar schandaal veroorzaakt. Wij gebieden u daarom uitdrukkelijk u ervan te onthouden deze Dopers lastig te vallen en hun geen hinderpalen in de weg te leggen bij het verrichten van hun werk en het uitoefenen van hun dagelijkse ambacht, waarmee zij hun vrouw en kinderen brood verschaffen. . . . Wacht u daarom voor ongehoorzaamheid en weerstand tegen de verordening die wij nu uitvaardigen.”

Maar hoe ver zijn eigen onderdanen van dergelijke humanitaire beginselen afstonden blijkt wel uit de manier waarop zij Balthazar Gerards straften, die erin slaagde de geliefde „Vader des Vaderlands” te vermoorden. Hun woede kende geen grenzen. „Ondraaglijke folteringen” werden op hem toegepast.

Enkelen onder de Nederlanders gingen er tijdens de oorlog zelfs toe over in honderden kerken en kloosters beelden omver te halen en ’heilige’ afbeeldingen, bibliotheken en altaren te vernielen. Maar er moet worden toegegeven dat deze oproermakers in de regel nonnen noch priesters enig kwaad deden, noch rijken plunderden.

Gedurende het laatste deel van de regering van Willems zoon Maurits, die zijn vader in militaire bekwaamheden, maar niet in humanitaire beginselen overtrof, verscheen er een sekte die bekend kwam te staan onder de naam Remonstranten. De Remonstranten waren voorstanders van een minder dogmatische leer, vooral betreffende de redding en de voorbeschikking, dan door de overheersend aanwezige calvinisten werd beleden. Leden van deze minderheidssekte werden beboet, gevangen gezet, verbannen en zelfs afgeslacht.

Ja, aan beide kanten werden er tijdens de Tachtigjarige Oorlog schokkende religieuze wreedheden bedreven. Dit alles toont zeer beslist aan dat geen van beide partijen tot de ware volgelingen van Jezus Christus behoorde! Alle religieuze wreedheid van bovengenoemde aard is volkomen tegengesteld aan de beginselen die Christus verkondigde: „Alle dingen dan die gij wilt dat de mensen voor u doen, moet ook gij insgelijks voor hen doen.” „Allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan.” „Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkaar liefhebt; net zoals ik u heb liefgehad, dat ook gij elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt.” — Matth. 7:12; 26:52; Joh. 13:34, 35.

Hoe is de huidige situatie in Nederland? Weer is er een revolutie gaande die gericht is tegen de macht van het Vaticaan. Deze keer wordt ze niet, zoals in het verleden, gekenmerkt door geweld. Maar toch kunnen wij ons afvragen hoevelen van degenen die het pausschap verwerpen, werkelijk de hoge maatstaven die in Gods Woord de bijbel worden uiteengezet, aanvaarden en in hun leven in praktijk brengen.

[Voetnoten]

a Dat deze manier van denken niet aan het pausdom vreemd is, blijkt wel uit een berichtje in de New York Times van 16 mei 1972: „De Italiaanse bisschoppen . . . beklemtoonden dat het niet aan leken staat de regel betreffende het priestercelibaat te bediscussiëren.

b Een van de voornaamste problemen waarmee hij te kampen had was het feit dat slechts de noordelijke zeven provincies protestant waren en de tien zuidelijke bijna geheel katholiek. Thans omvat het gebied van deze laatste provincies België.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen