Gevaar — te veel van één soort
HET tijdschrift BioScience liet onlangs de waarschuwing horen: „Er doemt in verband met de ’groene revolutie’ nog een spookbeeld op, dat van een wijdverbreide epidemie.”
Wanneer er grote gebieden met één graanras zijn begroeid, staat de hele oogst bloot aan een ernstig gevaar. Bij het uitbreken van een nieuwe planteziekte of het optreden van nieuwe rassen van een parasiet, is het mogelijk dat het hele gebied dat met graan van één soort is bebouwd, wordt aangetast. Als er echter een verscheidenheid van graansoorten wordt verbouwd, is dat gewoonlijk niet het geval.
De deskundigen zijn het erover eens dat deze mogelijkheid in verband met de nieuwe granen met hoge opbrengst in het geheel niet denkbeeldig is. Deze nieuwe soorten hebben een heel smalle genetische basis. De Rockefeller Foundation bericht dat alle tarwerassen die heden ten dage in Azië meer hectaren bedekken dan welke andere soort van tarwe maar ook, van één bepaalde stam afkomstig zijn.
Toch wordt er aan de nieuwe soorten de voorkeur gegeven omdat ze het zo goed doen. De boeren willen geld verdienen, en zijn bereid alles te verbouwen wat veel opbrengt. Daarom telen zij steeds meer van de soorten die een hoge opbrengst leveren en vervangen de plaatselijke soorten die minder opbrengen. Toch is het volkomen onbekend in hoeverre de nieuwe variëteiten (die niet plaatselijk zijn ontwikkeld) bestand zijn tegen bepaalde ziekten.
Vandaar dat een artikel in de Londense New Scientist de waarschuwing liet horen: Als de weinige nieuwe soorten bezwijken aan een ziekte, zijn de gevolgen niet te overzien. Er zou gedurende enige tijd heel weinig zijn waardoor ze vervangen zouden kunnen worden, daar het tijd vergt om nieuwe rassen te vinden die resistent zijn tegen een nieuwe ziekte. In het artikel kwam men tot de conclusie dat, als gevolg van het ingrijpen van de mens in de natuurlijke schepping, de kans op het uitbreken van een ramp was toegenomen in plaats van afgenomen.
Is het reeds eerder gebeurd?
Bestaat die vrees alleen in theorie? In het geheel niet. Er zijn in het verleden reeds oogsten geweest die het bovenbeschreven lot hebben ondergaan, doordat de gewassen een te smalle genetische basis hadden.
Een voorbeeld hiervan is de epidemie die in de vorige eeuw de aardappelteelt trof. De ziekte, die bekendstaat als ’de’ aardappelziekte, nam in 1845 in Europa epidemische vormen aan. In het volgende jaar 1846, werd de aardappeloogst in Europa opnieuw door verliezen getroffen, terwijl de ziekte in Ierland een complete ramp veroorzaakte.
De Ieren hadden het grootste deel van hun land in gebruik genomen voor de aardappelteelt, waarbij zij voornamelijk één variëteit verbouwden. De ziekte verwoestte toen deze hele oogst. The World Book Encyclopedia vertelt wat er als gevolg daarvan gebeurde: „De aardappelhongersnood in de jaren ’40 van de vorige eeuw veroorzaakte de ergste ramp in de Ierse geschiedenis. . . . ongeveer 750.000 personen stierven van honger en aan ziekten. Gedurende die jaren verlieten honderdduizenden mensen Ierland.”
Wat recenter, ongeveer twintig jaar geleden, gebeurde er iets soortgelijks in de Verenigde Staten. Haverkwekers begonnen daar nieuwe havervariëteiten te verbouwen die hoge opbrengsten leverden. Deze variëteiten waren afkomstig van kruisingen binnen het ras Victory. Ze werden algemeen en op grote schaal verbouwd. Maar toen nam plotseling een bepaalde schimmel sterk toe, wat leidde tot een hoge sterfte onder de gewassen. Binnen een periode van twee jaar kwam deze schimmel zo wijdverbreid voor dat de Victory-variëteiten niet meer veilig geteeld konden worden.
In de jaren ’30 werd er een tarweras ontwikkeld met de naam Hope gene. Deze variëteit beloofde de oplossing te brengen voor het probleem van de „zwarte roest” (een planteziekte, veroorzaakt door een schimmel). Binnen een paar jaar waren gehele streken in het westen van de Verenigde Staten, van Texas tot Noord-Dakota, ermee bebouwd. Maar tegen het eind van de jaren ’40 ontstond er een geheel nieuwe en kwaadaardige schimmel. Alle broodtarwe en durumtarwe in de Verenigde Staten en Canada was er vatbaar voor. De nieuwe schimmel verspreidde zich in de belangrijke tarwegebieden zeer snel en eiste een grote tol. Verscheidene jaren lang had dit tot gevolg dat er in het noordelijke deel van de zone van de „Great Plains” bijna geen durumtarwe groeide.
De recentste tegenslagen
In 1971 stond op de voorpagina van de New York Times de volgende kop: „Geneticatriomf dreigt uit te lopen op ramp.” In het begeleidende artikel werd gesproken over de veredelde maïssoorten die sinds 1950 in de Verenigde Staten worden verkregen door de zogenaamde hybrideteelt. Door deze teeltwijze ging de maïsopbrengst per hectare met meer dan het dubbele omhoog.
Maar toen kwam in 1970, zoals het artikel vertelt, plotseling een onverwachte aanval van een nieuwe kwaadaardige planteziekte. Toen bleek hoe kwetsbaar de speciaal gekweekte hybriderassen waren, die door de meeste landbouwers waren gezaaid. Tussen de maand juli en de oogsttijd ging ongeveer 246 miljoen hectoliter maïs verloren! Dat was bij benadering 15 percent van de hele maïsoogst of, in geldswaarde uitgedrukt, een schadepost van ongeveer één miljard dollar!
Betreffende deze maïsramp werd in de New York Times opgemerkt:
„In principe is de oorzaak van de kwetsbaarheid gelegen in het feit dat alle landbouwers terzelfder tijd van elk gewas de beste variëteiten willen verbouwen. De hieruit voortvloeiende uniformiteit dreigt uit te lopen op een ramp als er een nieuwe vijandelijke mutant — zoals de laatste nieuwe stam van de ’southern corn leaf blight’ — verschijnt.
Net als op zoveel andere terreinen in deze moderne maatschappij het geval is, geeft iets wat voor korte tijd economische voordelen oplevert, op de duur, zowel in ecologisch als economisch opzicht, problemen.”
Heeft echter een van de nieuwste graanvariëteiten reeds op deze wijze schade opgelopen? Ja, de nieuwe rijst is al aangetast geweest. In het boek The Environment Crisis werd opgemerkt: „In verband met de IR8-rijst heeft men reeds heel wat met dit probleem te maken gehad, maar er worden nog steeds grotere monoculturen aangelegd.”
Men spreekt over een „monocultuur” wanneer de grond met één gewas wordt bebouwd en in het algemeen op geen enkele andere wijze wordt gebruikt. Dus terwijl men reeds moeilijkheden ondervindt, schijnen steeds grotere monoculturen regel te worden, omdat de landbouwers snel geld willen verdienen.
In februari werden er van de zijde van de Nationale Voedsel- en Landbouwraad van de Filippijnen nieuwe cijfers vrijgegeven over de situatie aldaar. De cijfers lieten zien dat een dodelijke plantevirus, genaamd tungro, ongeveer 56.500 hectaren rijst op de eilanden Mindanao en Luzon had verwoest. President Ferdinand Marcos zei ten overstaan van het Filippijnse huis van afgevaardigden: „Voor de Filippijnse landbouw was het [1971] een rampjaar.”
Wegens de nieuwe rijst met hoge opbrengst die na 1966 op de Filippijnen was geplant, had het land in zijn eigen rijstbehoefte kunnen voorzien en tot 1970 zelfs enig overschot gehad. Maar in het afgelopen jaar, 1971, was er een reusachtige invoer nodig — 460.000 ton rijst. En de regering voorspelde dat het land zowel in 1972 als in 1973 met een tekort van wel 640.000 ton te kampen zal hebben.
Het betelen van steeds grotere gebieden met gewassen die een te smalle genetische basis hebben, is dus een zeer gevaarlijke en kortzichtige methode. Maar dat is niet het enige probleem in verband met de nieuwe graansoorten.
[Illustratie op blz. 6]
Het verschil tussen door ziekte aangetaste hybridemaïs (rechts) en niet-aangetaste vrij bestoven maïs (links)