Wat verstaat men onder de „groene revolutie”?
NOG maar een paar jaar geleden hoorde men berichten dat honderden miljoenen mensen in diverse landen honger leden. Elke dag stierven er naar verluidt duizenden mensen als gevolg van de heersende voedseltekorten.
Vooral in India was de toestand ernstig. Daar ontstond door twee opeenvolgende jaren met weinig regenval, te weten 1965 en 1966, een droogte die van grote nadelige invloed was op de oogsten. Veel mensen stierven de hongerdood. Alleen door grote voedselzendingen uit andere landen kon een volledige catastrofe worden afgewend.
Dit had tot gevolg dat er in vele bronnen verschrikkelijke voorspellingen stonden over een wereldhongersnood. Sommige autoriteiten schatten dat deze in het midden van de jaren ’70 zou uitbreken. Er waren zelfs personen die zeiden dat de wereldhongersnood reeds was begonnen.
Maar heden ten dage wordt er niet meer zoveel als toen gesproken over mensen die overal ter wereld van honger sterven. In plaats daarvan horen wij nu spreken over voedsel-’overschotten’ in gebieden waar nog slechts een paar jaar geleden grote tekorten waren.
Wat is hiervan de oorzaak? De oorzaak is een ’revolutie’ in de produktie van voedingsgranen. Aan dit fenomeen werd zo’n grote waarde gehecht dat het de naam „groene revolutie” kreeg.
Deze ’revolutie’ heeft echter enkele vragen doen rijzen, zoals: Hoe is ze ontstaan? Zijn er gevaren aan verbonden? Komt ze werkelijk de armen en hongerigen in de wereld ten goede? Is ze het antwoord op de voedselproblemen waarmee de mens te kampen heeft? Laten wij elk van deze vragen eens afzonderlijk gaan beschouwen.
Hoe het allemaal begon
De „groene revolutie” houdt voornamelijk verband met de succesvolle ontwikkeling van bepaalde tarwe- en rijstrassen die zeer hoge opbrengsten leveren. Dit is bijzonder belangrijk aangezien deze twee granen, en dan vooral rijst, het hoofdvoedsel vormen van het grootste deel van de wereldbevolking.
Deze „groene revolutie” begon omstreeks het jaar 1965. Vóór de jaren ’60 werd er echter reeds in Mexico door het ministerie van landbouw van dat land en de Rockefeller Foundation een gezamenlijk programma uitgevoerd voor de verbetering van tarwe.
De eerste doorbraak kwam als resultaat van de inspanningen van een team van landbouwdeskundigen onder leiding van Dr. N.E. Borlaug. Na een periode van ongeveer twintig jaar experimenteren had dit team tarwevariëteiten ontwikkeld die vier hectoliter opbrachten op stukken grond waarvan men voorheen met moeite één hectoliter had kunnen oogsten!
De nieuwe tarwesoort was kort en had een stevige stengel. Dit was belangrijk, want hierdoor knikte de plant niet onder het gewicht van de extra dikke aren door. Deze nieuwe soort was ook niet gevoelig voor de lengte van de dagperiode. Dit betekende dat ze zelfs in die werelddelen verbouwd zou kunnen worden waar het aantal uren daglicht verschilde van de plaats waar de zaadsoort was ontwikkeld. Ook reageerde de nieuwe soort heel goed op extra bemesting en irrigatie.
Ongeveer tegelijkertijd werd er onder toezicht van het Internationale Instituut voor Rijstonderzoek op de Filippijnen een nieuwe rijstvariëteit met hoge opbrengst gevonden. Deze rijst was voor de rijstbouw wat de tarwe van Mexico voor de graanbouw was.
In 1965 werden deze nieuwe graansoorten op grotere experimentele schaal in Azië verbouwd. Verscheidene honderden hectaren werden ermee bezaaid. Nu op het ogenblik, slechts zeven jaar later, groeien de nieuwe variëteiten overal ter wereld op miljoenen hectaren! Vooral in de tarweverbouwende streken in India en Pakistan zijn de nieuwe variëteiten in overvloed te vinden. Op de Filippijnen en andere Zuidoostaziatische rijstbouwgebieden zijn tevens snelle vorderingen gemaakt met het planten van de nieuwe rijstvariëteiten.
Hoe effectief?
De graanopbrengst heeft als gevolg van het ontstaan van de nieuwe variëteiten een opmerkelijke verandering ondergaan. In verschillende landen is er een grote toename geweest in de graanproduktie. Het tijdschrift BioScience van 1 november 1971 sprak vooral over India en Pakistan, „waar men, naar verluidt, het spookbeeld van een wijdverbreide hongersnood volledig of ten minste voor een generatie lang heeft verjaagd”.
Voordat de „groene revolutie” in India haar intrede deed, was de oogst van 1964-65 de beste. De graanopbrengst bedroeg toen ongeveer 89 miljoen ton. Maar in het jaar 1970-71 was de opbrengst 107 miljoen ton. De spectaculairste toename was waar te nemen bij de tarweoogst. Deze is in zes jaar tijds meer dan verdubbeld, van ongeveer 11 miljoen ton tot 23 miljoen ton. De produktie van rijst, een uiterst voornaam voedingsmiddel, heeft nog niet zo’n opzienbarende groei te zien gegeven. Toch hebben sommige Indiase functionarissen voorspeld dat India in 1972 mogelijk zelf in de eigen rijstbehoefte kan voorzien.
Als gevolg van de grote toename in de oogstopbrengsten kon er van sommige hongergebieden in de wereld, die voordien reusachtige hoeveelheden graan moesten importeren, worden bericht dat ze nu genoeg hadden of zelfs konden uitvoeren. Dit succes met de nieuwe granen brengt elk jaar steeds meer landbouwers ertoe ze te gaan verbouwen.
Uit dit alles zou men makkelijk de conclusie kunnen trekken dat de wetenschap dan uiteindelijk toch het antwoord heeft gevonden op het voedselprobleem van de mens. Het lijkt erop dat de hongerige mensen overal ter wereld alleen maar de nieuwe tarwe- en rijstvariëteiten hoeven te gaan verbouwen, en de honger zal verdwenen zijn.
Een waarschuwing
Toch waarschuwen veel landbouwdeskundigen tegen het trekken van een dergelijke conclusie. Zij zeggen dat de „groene revolutie” op het ogenblik het hongerprobleem van de mensheid niet heeft opgelost, en dat ze dit ook in de toekomst niet zal doen!
Zo wordt er bijvoorbeeld in het boek The Survival Equation, in een artikel van de hand van landbouweconoom Wolf Ladejinsky, het volgende verklaard:
„Bijna vijf jaar lang is de ’groene revolutie’ nu in een aantal, in landbouwkundig opzicht onderontwikkelde landen in Azië, aan de gang. Haar komst in aan tradities gebonden plattelandsgemeenschappen werd aangekondigd als de weerlegging van de verschrikkelijke voorspellingen over een hongersnood die grote delen van de wereld zou treffen.
Maar zelfs meer dan dat; zij die zich met welbehagen lieten meeslepen in bespiegelingen over de ophanden zijnde veranderingen, zagen ze als een geneesmiddel voor de armoede waarin de grote meerderheid der boeren verkeert. . . .
De gunstige omstandigheden die nodig zijn om deze nieuwe technologie ten volle tot haar recht te laten komen, zijn echter niet gemakkelijk te scheppen, waardoor er onvermijdelijk beperkingen verbonden zijn aan haar omvang en vooruitgang. Afgezien hiervan heeft de revolutie, op de plaatsen waar ze wel is geslaagd, talloze politieke en sociale problemen doen ontstaan. In het kort gezegd, de ’groene revolutie’ kan, zoals Dr. Wharton zeer juist opmerkte in ’Foreign Affairs’ van april 1969, zowel een hoorn des overvloeds als een doos van Pandora worden.”
Waarom laten veel autoriteiten nu waarschuwingen horen tegen een te groot optimisme, terwijl de „groene revolutie” juist in volle gang is? Tegenover welke problemen is men komen te staan? Hoe beïnvloeden ze de kans dat de „groene revolutie” armoede en honger zal overwinnen?
Eén probleem houdt verband met een groot potentieel gevaar en heeft te maken met de genetische basis van de nieuwe graanvariëteiten.
[Illustratie op blz. 4]
Een nieuwe rijstvariëteit, ontwikkeld op de Filippijnen, was voor de rijstbouw wat de tarwe van Mexico voor de graanbouw was; maar kan met deze nieuwe rassen het voedselprobleem worden opgelost?