Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/12 blz. 17-19
  • Ik was een gevangenbewaarster van christenen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik was een gevangenbewaarster van christenen
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Er wordt ons allen geboden neer te buigen
  • Onder de indruk van hun geloof en moed
  • Wanhoop en gebrek aan een krachtgevend geloof
  • Hereniging met de getrouwe christelijke vrouwen
  • In de gevangenis werd ik vrij!
    Ontwaakt! 1987
  • De reclassering van gevangenen — Hoe kan dit succes hebben?
    Ontwaakt! 1975
  • Prediking in gevangenissen werpt vruchten af
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Hoe ik mijn doel verwezenlijkte een christelijk gezin groot te brengen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/12 blz. 17-19

Ik was een gevangenbewaarster van christenen

Zoals verteld aan Ontwaakt!-correspondent in Korea

TEGEN het eind van de jaren dertig was ik gevangenbewaarster in de gevangenis van Seoel. Korea werd toen door de Japanners bestuurd. Ik was één van een groep van zes Koreaanse vrouwen die aan de vrouwenafdeling waren toegewezen; wij werkten onder leiding van zes vrouwelijke Japanse cipiers. Ik wist niet half dat ik spoedig een gevangenbewaarster van getrouwe christenen zou worden.

In 1938 en 1939 las ik dat de Japanse regering enigen van de leidinggevende bedienaren van de Internationale Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen in Japan en Korea bekendstonden, had gearresteerd. Later, toen afzonderlijke Getuigen werden gearresteerd, ontdekte ik dat ik gevangenbewaarster was van zes van deze vrouwen, allen predikers van Jehovah’s getuigen. Zij werden in mijn afdeling ondergebracht.

Mijn werk in de gevangenis bestond erin de gevangenen de Japanse taal te leren, hen te leren breien of te leren enig handwerk te doen, te trachten de analfabeten te onderwijzen en hen voor te bereiden op de tijd dat zij vrijgelaten zouden worden. Ik haalde ook gevangenen uit hun cel voor wat lichaamsbeweging. Behalve dat ik mijn werk als bewaakster had, was het ook mijn verantwoordelijkheid erop toe te zien dat de hand werd gehouden aan alle voorschriften van de gevangenis.

Er wordt ons allen geboden neer te buigen

Een van de voorschriften van de gevangenis was dat alle gevangenen (en ook wij als cipiers) zich iedere morgen op bevel van de hoofdbewaker moesten neerbuigen in de richting van Tokio. Dit was een nationalistische Japanse rite, bedoeld als aanbidding van de Japanse keizer. Het was een onderdeel van het shintoïsme. Wij Koreanen werden gedwongen eraan mee te doen. Later vernam ik dat deze zes vrouwelijke Getuigen onder andere vanwege hun weigering zich neer te buigen in de richting van het Oosten gevangen waren genomen. In de gevangenis weigerden zij ook op religieuze gronden zich in de richting van Tokio neer te buigen.

Toen zij aan de gevangenisautoriteiten werden gemeld en pogingen om hen ertoe te bewegen zich neer te buigen vruchteloos bleken, werden zij gestraft. Ieder werd uiteindelijk geketend. De kettingen waren zwaar en moeilijk op te tillen als zij wilden gaan verliggen. Het grootste deel van de vierentwintig uur per dag bleven zij geketend.

Toentertijd vond ik het dwaas om uit religieuze overwegingen zo’n koppige houding aan de dag te leggen waardoor men zichzelf zo’n wrede straf op de hals haalde. Vele malen trachtte ik hen ertoe te overreden zich met ons neer te buigen in de richting van het Oosten om zich zodoende deze beproeving te besparen.

Onder de indruk van hun geloof en moed

Maar naarmate ik meer met deze vrouwen praatte, raakte ik diep onder de indruk van hun geloof. Zij waren altijd opgeruimd, en met betrekking tot alle andere zaken waren zij zeer gehoorzaam en gemakkelijk in de omgang. Tot een van deze vrouwen voelde ik mij speciaal aangetrokken. Dit kwam doordat er veel overeenkomsten bestonden tussen het leven van mevrouw Chang en dat van mij. Zij had een goede opleiding genoten net als ik. Zij was enigste dochter evenals ik. Zij leerde heel snel hoe zij het haar opgedragen werk moest verrichten. Zij bezat een uitstekende algemene ontwikkeling. Ik bezat in het bijzonder empathie voor haar omdat zij in de gevangenis was gezet vlak nadat zij getrouwd was.

Iedere keer als ik de cellen waarin deze zes vrouwelijke Getuigen waren opgesloten controleerde, waren zij de bijbel aan het lezen of spraken zij er met elkaar over. Ik kon zien dat de bijbel de basis was van hun geloof en ik vroeg mij af hoe een boek hen tot zo’n groot geloof kon inspireren.

Op een dag toen ik de Getuigen uit hun cel haalde voor wat lichaamsbeweging vroeg mevrouw Chang mij naar nieuws van de buitenwereld. Ik vertelde haar dat Japan had gezegevierd over de strijdkrachten van de Verenigde Staten op de Filippijnen en over de Britse strijdkrachten in Singapore, enzovoort. Mevrouw Chang legde een profetie uit de bijbel aan mij uit; dit deed zij op zo’n wijze dat zij mij de indruk gaf dat zij dacht dat Japan ten slotte verslagen zou worden.a Ik was ontzet dat zij zo iets zelfs maar zou laten doorschemeren: en als het de andere bewakers ter ore kwam, zou dat voor haar zelfs een nog zwaardere straf betekenen, onder andere een vermindering van het voedselrantsoen. Ik raadde haar ten slotte ten sterkste aan zulke woorden tegenover niemand te herhalen.

Een paar dagen later, toen ik het voedsel door een gleuf in hun cel schoof, verklaarde mevrouw Chang mij meer uit haar bijbel. Zij zei dat alle regeringen van de wereld in de bijbel werden beschreven als gelijkend op beesten en dat ze door Gods koninkrijk vernietigd zouden worden. Ik had van die gleuf kunnen weggaan, maar ik was geïnteresseerd in wat zij zei. Ik had haar kunnen laten straffen, maar ik dacht er niet over. Ik voelde genegenheid voor deze moedige vrouwelijke Getuigen wier geloof hen zo vrijmoedig kon laten spreken zelfs al werden zij vanwege dat geloof gestraft.

Als ik alleen met hen was maakte ik soms wel eens een ogenblikje hun kettingen los, maar dat moest heel omzichtig gebeuren. Toen gebeurde er iets wat men niet makkelijk vergeet.

Eén van deze zes vrouwen werd ernstig ziek. Terzelfder tijd dat zij gevangen was gezet, was ook haar zoon in dezelfde gevangenis opgesloten. Maar hij schipperde ten aanzien van zijn geloof door zich in de richting van het Oosten neer te buigen. Hierdoor werd hem een betere baan in de gevangenis gegeven maar hij werd niet vrijgelaten. Zijn moeder was onwrikbaar in haar geloof. Toen het ernaar uitzag dat zij zou sterven, vroeg zij haar zoon te mogen zien. Ik bemiddelde voor haar zodat haar zoon ten slotte vanuit de mannenafdeling werd gebracht. Ik was bij deze ontmoeting van moeder en zoon aanwezig. Zij was stervende, maar zij moedigde haar zoon aan zijn geloof te behouden. Hij luisterde niet maar smeekte zijn moeder een compromis aan te gaan zodat zij buiten de gevangenis kon sterven. Vijf dagen later stierf zij inderdaad. De zoon mocht de begrafenis in de gevangenis bijwonen. Hij snikte bitter en ik kon er niets aan doen dat ik zelf ook huilde.

Wanhoop en gebrek aan een krachtgevend geloof

Op dat tijdstip besloot ik van beroep te veranderen. Ik was gevangenbewaarster geworden nadat ik was afgestudeerd van een zeer goed bekend staande school voor vrouwen, een school die was opgericht door de regering, en ik had de bevoegdheid tot het geven van onderwijs. Toen ik nog op school was, waren wij rondgeleid in een gevangenis, en ik was getroffen door de hulpeloosheid van de gevangenen. Als ik een bewaakster ben, zo dacht ik, kan ik niet alleen onderwijs geven maar deze ongelukkigen ook op de een of andere manier helpen. Dus solliciteerde ik en werd ik aangenomen bij de gevangenis. Maar in de jaren dat ik bij de gevangenis werkzaam was, zag ik zoveel ongelukkige mensen en besefte ik hoe weinig ik hen kon helpen.

Weliswaar had ik zo nu en dan brieven van vroegere gevangenen ontvangen waarin zij mij schreven hoezeer zij datgene wat ik hun had geleerd op prijs stelden en dat gaf mij een fijn gevoel. Maar ik zag zoveel waarmee ik hen niet kon helpen, en vanuit louter menselijk standpunt bezien wanhoopte ik of ik wel werkelijk in staat was de dingen te veranderen ten einde hen te helpen. Na de dood van deze vrouwelijke Getuige besefte ik dat ik geen geloof had om mij kracht te geven zoals haar geloof haar kracht had gegeven. Ik verliet mijn betrekking als bewaakster in de gevangenis van Seoel vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Mijn eigen religieuze achtergrond had mij een dergelijk geloof niet kunnen inprenten. Mijn familie was boeddhistisch geweest. Ik was vaak met mijn moeder naar de boeddhistische tempel gegaan. Maar als meisje op de middelbare school had ik genoeg onderwijs gehad om te weten dat de aanbidding van beelden zoals mijn moeder die beoefende slechts bijgeloof was, zodat ik niet langer op die manier aanbad toen ik zelfstandig werd.

Toen 1945 aanbrak en de lange bezetting van Korea door Japan eindigde, herinnerde ik mij wat mevrouw Chang mij verteld had, en ik werd erdoor getroffen dat de bijbelprofetieën inderdaad waar waren. Ik trachtte zelfs contact op te nemen met mevrouw Chang, maar bij de gevangenis ontdekte ik dat zij en de andere vier vrouwen waren vrijgelaten.

In de tussenliggende jaren werkte ik hard voor de Bezettingsregering van de Verenigde Staten totdat in 1948 de republiek werd opgericht. Toen vond ik ander werk. Een buurman die diaken was in een van de kerken van de christenheid nodigde mij uit de diensten bij te wonen. Dat deed ik. Maar ongewild zag ik de huichelachtigheid in die kerk, dus ging ik niet meer. Ik had nog steeds geen echt geloof om mij kracht te geven.

Hereniging met de getrouwe christelijke vrouwen

In de loop der jaren kwamen Jehovah’s getuigen van tijd tot tijd bij mij aan de deur, en zo nu en dan nam ik hun tijdschriften. Maar ik had geen tijd om met hen te praten of punten met hen te bespreken. Toen, in het voorjaar van 1969, kwam een van de Getuigen naast mij wonen. Zij begon met mij over de bijbel te spreken. Ik vroeg haar of Jehovah’s getuigen dezelfden waren als de Internationale Bijbelonderzoekers, zoals mevrouw Chang voor mij bekendstond. Zij zei dat dat zo was. Ik vernam van haar dat mevrouw Chang op dat moment in Inchon was, dus ging ik naar Inchon om haar te bezoeken.

Wij hadden een lang gesprek over de bijbel en het geloof van de Getuigen. Naar aanleiding van dat gesprek besloot ik met Jehovah’s getuigen te gaan studeren. Er werd een afspraak gemaakt voor een geregelde bijbelstudie, waarbij mijn nieuwe buurvrouw mij les zou geven.

Ik maakte vorderingen in bijbelkennis en in oktober 1969 bezocht ik het „Vrede op aarde”-​congres van Jehovah’s getuigen in het Changchoong-sportpaleis te Seoel. Daar ontmoette ik de andere vier vrouwen die in de gevangenis hadden gezeten vanwege hun geloof. Het was een vreugdevolle hereniging. Zij begroetten mij als een oude vriendin en niet als hun vroegere gevangenbewaarster. Wat ik op de vergadering zag maakte diepe indruk op mij.

Ik ging door met mijn bijbelstudie en bezocht geregeld de vergaderingen in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s getuigen. Toen nam ik het besluit: ik wilde ook het geloof bezitten van deze getrouwe christelijke vrouwen. Dus werd ik op 24 juli 1970 op de „Mensen van goede wil”-​districtsvergadering van Jehovah’s getuigen te Seoel gedoopt. Bij die gelegenheid zei ik tot anderen: „Dit is de gelukkigste dag van mijn leven.”

Het predikingsgebied te Sodaemun-ku van onze gemeente Choong Jung Ro omvat ook de helling van een heuvel waarvandaan men op de gevangenis van Seoel kan kijken. Als ik in dat gebied samen met mijn christelijke zusters een aandeel heb aan het verbreiden van het goede nieuws van Gods koninkrijk, moet ik onwillekeurig denken aan wat zich daar jaren geleden heeft afgespeeld. Ik ben werkelijk blij dat ik uiteindelijk het wonderbaarlijke geloof bezit dat mijn dierbare christelijke zusters steun gaf tijdens een zevenjarige periode van gevangenschap gedurende de Tweede Wereldoorlog.

[Voetnoten]

a In 1941, ongeveer vier maanden vóór de Japanse aanval op Pearl Harbor, publiceerde het Wachttorengenootschap de brochure Het einde der asmogendheden, vertroost alle treurenden, waarin „het profetische bewijs van het spoedige einde der asmogendheden” werd uiteengezet, gebaseerd op het bijbelboek Daniël, hoofdstuk 11.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen