Gemeenschapsleven bij planten
ALS u wel eens in Duitsland bent geweest, zult u wellicht in de buitenwijken van de steden grote stukken land hebben opgemerkt die in kleine tuintjes waren onderverdeeld. Het hele stuk land omvat misschien vijftig tot tweehonderd tuinen. Veel van dit land is eigendom van verenigingen, en alleen zij die lid zijn van zo’n vereniging, kunnen een tuin huren. Andere tuinen zijn particulier bezit. Wij kunnen hier veel over tuinieren leren; daarom willen wij u graag meenemen als wij Hans een bezoek brengen. Hij is een van de bestuurders van de plaatselijke „Kleingarten”-vereniging en dient als adviseur voor de afzonderlijke tuiniers.
De houders van de tuintjes hadden de laatste tijd enige moeilijkheden gehad. Het schijnt dat zij naar een lezing over „combinatieteelt” hadden geluisterd. Vol enthousiasme waren zij naar de tuin gegaan om te proberen de suggesties toe te passen. En het resultaat? Nu, op zijn zachtst uitgedrukt was het een beetje teleurstellend geweest.
„Hallo, Hans!” Zijn gedachten werden plotseling onderbroken. „Goede morgen, Werner!” antwoordde hij. „Hoe komt het dat je vanmorgen zo vroeg op pad bent?”
„O, je weet hoe fijn ik het vind om in de tuin te werken. Maar vandaag zul je me niet ontsnappen. ’k Heb verscheidene vragen voor je om te beantwoorden. Je weet van mijn mislukking met die ’combinatieteelt’. Ik zou heel graag willen weten wat er nu eigenlijk verkeerd is gegaan en waar ik geen rekening mee gehouden heb.”
„Ja, Werner, dat is niet zo gemakkelijk uit te leggen. Er moet namelijk met veel dingen rekening gehouden worden. Laten we beginnen met de bodemgesteldheid en de invloed die planten op elkaar hebben.
Welke rol speelt de bodemgesteldheid?
Wist je dat jij niet de enige bent die in je tuin werkt? Rupsen, aardwormen, ja, en een leger van micro-organismen in de vorm van algen, bacteriën en zwammen zijn je behulpzaam. Al je inspanningen zouden vaak nutteloos zijn als deze micro-organismen niet druk in de weer waren. Wat voor zin zou het hebben je uit te sloven om te proberen de bodem los te houden als er vervolgens een regenbui overheen kwam en de bodemdeeltjes allemaal zouden samenkleven zodat de grond weer hard en ondoordringbaar zou worden?”
„Wat doen deze organismen dan om de grond los te houden, en hoe zijn ze daar in de eerste plaats gekomen?”
„Probeer je niet altijd de bodem te verrijken door er rijpe compost doorheen te doen? Een weelderige zwammengroei is het gevolg, bestaande uit een uitgebreid netwerk van zwamdraden. Deze fijne draden van zeer korte levensduur houden de kleine bodemdeeltjes vast zodat ze niet kunnen samenkleven. Later nemen bacteriën het werk over, maar hiermee houdt een dergelijke bewerking van de grond nog niet op.
Er bevindt zich in de bodem een ononderbroken keten van veelvuldige levensvormen. Deze zorgen ervoor dat de bodemstructuur goed blijft, hetgeen betekent dat de gronddeeltjes in stand worden gehouden opdat warmte en water de grond kunnen binnendringen. Terzelfder tijd ontleden deze micro-organismen de stoffen die in de grond zitten opdat de voedingswaarde van de bodem vrijkomt voor de planten.”
„Maar wat heeft dat allemaal met ’combinatieteelt’ te maken?”
„Dat is een goede vraag, en ik hoop dat ik je een bevredigend antwoord kan verschaffen. Misschien kun je je herinneren dat er in de lezing op werd gewezen dat er veel onderzoek werd verricht. Herhaaldelijk werd het natuurlijke gemeenschapsleven van planten met het verbouwen van één plantesoort vergeleken. Professor Sekera heeft een interessante ontdekking gedaan. Hij merkte op dat in een bewerkte akker een veel kleinere populatie van verscheidene micro-organismen voorkwam. Een gemengde plantengemeenschap leeft daarentegen samen met een grote micro-organismenpopulatie in de bodem.
Kijk eens naar de natuurlijke wouden — eiken, beuken, kreupelhout en de kruipende maagdenpalm die zelfs boven het weelderige moskarpet groeit. Elk hoekje en gaatje wordt benut, en toch hinderen ze elkaar niet. Integendeel! Ze helpen elkaar. Bedenk ook eens dat elke boom, ja, elke plant zijn eigen escorte van micro-organismen heeft. Het gevolg hiervan is dat de bodem nooit ’uitgeput’ raakt of onproduktief wordt, doch gezond blijft en een goede structuur behoudt.
Het bladerdak en de vallende bladeren dienen als hulp voor de grond. Ze beschermen hem tegen de verzengende zonnestralen; ze voorkomen dat hij uitdroogt in de wind en modderig wordt tijdens plasregens. Bovendien wordt er zodoende voor gezorgd dat de bosgrond een goede structuur behoudt.
Welnu, in het klein kun je in je tuin een dergelijke toestand bevorderen. Laten we zeggen dat je bijvoorbeeld tuinbonen hebt geplant. Weldra zul je de afzonderlijke plantjes nogal eenzaam naast elkaar zien staan. De reden is dat ze niet tegen de warmte kunnen en heel weinig zijtakjes hebben. Er zal geen beschermend bladloof zijn om te voorkomen dat de verzengende zon de bodem uitdroogt. Langzamerhand zal de grond een harde korst vormen. De laatste druppels vocht zullen door de barsten uit de bodem ontsnappen. Als gevolg van de harde korst zal het koolzuur dat de grond aan de bladeren moet afstaan, in de bodem worden opgeslagen. En weldra zullen de overgebleven micro-organismen, die door het gebrek aan vocht hun toevlucht niet in dieper gelegen aardlagen hadden gezocht, door het koolzuur worden vergiftigd. Ja, zelfs de wortels zullen verstikken en afsterven.
Als je echter spinazie tussen de rijen plant, zul je heel andere resultaten verkrijgen. Spinazie groeit snel en beschermt de grond met haar brede bladeren. Onder dit beschermende plafond blijft de grond vochtig. Het resultaat zal precies tegenovergesteld zijn aan het vorige voorbeeld. En hoe komt dat? Door combinatieteelt.”
„Dat ligt voor de hand. Maar je ziet hoe weinig ik van mijn combinatieteelt terecht heb gebracht.”
De invloed van de ene plant op de andere
„Ja, Werner, je bent vergeten dat planten ook levende scheppingen zijn. Planten brengen in het stofwisselingsproces afscheidingsprodukten voort, net als mensen en dieren, en hierdoor kunnen andere planten gunstig of nadelig worden beïnvloed.
Dr. Madaus-Dresen spreekt in dit verband over drie verschillende soorten van afscheidingsprodukten: die van de geur, de wortels en de bladeren. Afscheidingsprodukten van geur en wortels zijn gasvormig. Afscheidingsprodukten van bladeren zijn organische en anorganische stoffen die na dauw, regen of mist vooral op de natte bladeren worden aangetroffen. Deze stoffen gaan terug in de bodem om hun taak opnieuw te vervullen.
Heb je ooit stinkdierkool geroken? Sommige planten kunnen andere niet verdragen vanwege de geur die ze verspreiden. Niemand zal het de venkelplant kwalijk nemen dat ze de absint-alsem niet als haar directe buurvrouw wenst. Dit kunnen wij gemakkelijk begrijpen als we de resultaten beschouwen van de proefnemingen die professor D. Kögel heeft gedaan. Hij ontdekte dat de geurafscheiding van absint-alsem zo sterk is dat op 70 centimeter afstand de venkel slechts 5,7 centimeter hoog werd. Op een afstand van 1,30 meter bereikte de venkel echter haar normale hoogte van 39 centimeter. In dit geval had de geurafscheiding een vertragende uitwerking op de groei van de partner-plant.
In verband met afscheidingsprodukten van wortels werden andere interessante dingen ontdekt. Er werd opgemerkt dat het afscheidingsprodukt van bepaalde plantewortels een slechte uitwerking had op planten van dezelfde soort in de buurt ervan. Het lijkt wel of afscheidingsprodukten van gelijksoortige planten die in elkaars nabijheid staan, elkaar niet verdragen. Bij combinatieteelt was echter precies het tegenovergestelde het geval.”
„Zeg Hans, dat doet me denken aan een voorbeeld in het dierenrijk. Een boer bracht elk jaar zijn koeien naar dezelfde wei. Mettertijd waren er door de koeiemest bepaalde plekken van een speciaal soort groen in de wei te zien. De dieren weigerden dit gras te eten. Op zekere dag kwam hij op de gedachte zijn paarden en schapen in dit weiland te laten grazen, en ziedaar! ze aten met smaak het gras dat de koeien niet wilden eten.”
„Als ik zo eens naar je slaboontjes kijk, heb ik het gevoel dat ze ongeveer net zo ongelukkig zijn als de koeien die altijd in hetzelfde weiland moesten grazen.
Probeer eens hetzelfde als die boer deed. Geef je slaboontjes een ’partner’ die hun stofwisselingsprodukten zal ’opeten’, zodat ze zich in vrede kunnen ontwikkelen. Voor slaboontjes is savooiekool de beste tegenhanger. Ze neemt de afscheidingsprodukten van de boontjes tot zich en maakt deze onschadelijk, terwijl de afscheidingsprodukten van savooiekool voedzaam zijn voor de boontjes. Ook in het opnemen van voedingsstoffen uit de bodem vullen de twee elkaar mooi aan.
Kun je je het jonge appelboompje herinneren dat kort nadat je het had geplant verdorde?”
„Ja, dat is waar! Maar ik kan niet begrijpen hoe dat mogelijk was. Kijk eens naar dat jonge kerseboompje; het staat op precies dezelfde plaats en het groeit als kool!”
„Denk er nog eens even over na, Werner. Je plantte dat jonge appelboompje op precies dezelfde plek waar de oude appelboom had gestaan die tijdens de storm was omgewaaid. In dit geval was het niet alleen de afscheiding van de wortels maar ook het restant van de afscheidingsprodukten van de bladeren dat een vergiftige uitwerking op het jonge boompje had. Voor het jonge kerseboompje is het echter welkom voedsel.”
„Maar hoe kon de oude appelboom dan zo goed groeien?”
„Wat het jonge boompje niet klaarspeelde, kreeg de oude boom wel voor elkaar. De oude stak zijn wortelharen ver genoeg uit om buiten zijn afscheidingsprodukten te komen. Hij vond voedsel in de buurt van verenigbare plantesoorten en bouwde op deze manier een levensgemeenschap op die hem gezond hield. Je kon dat natuurlijk niet zien.”
„Hoe is dat mogelijk?”
„We weten werkelijk heel weinig over dit alles. Nederige geleerden geven toe dat het nog lang zal duren voordat de mens alles wat zich binnen de levensgemeenschap van de plant afspeelt, zal hebben ontdekt. De dingen die hij echter reeds te weten is gekomen, zijn zo leerzaam en nuttig dat het de moeite loont ze te bespreken en toe te passen.
Welke invloed heeft het gemeenschapsleven op insekten?
Ik dacht hier aan een bijzonder resultaat dat men kan verkrijgen door combinatieteelt toe te passen. Hoe verklaar je de recente ontdekking dat insektenplagen zich niet zo gemakkelijk in bossen van gemengde houtsoorten verspreiden?”
„Heeft dat soms iets te maken met combinatieteelt?”
„Zeker! Men heeft ontdekt dat de geurafscheidingen van de ene plant een goede verdediging tegen insekten vormen voor de andere plant die er vlakbij in de buurt staat. Een heel goed voorbeeld — dat door veel biologen en tuinbouwkundigen is bevestigd — is de levensgemeenschap tussen de kortbladige vroege peen en de prei.
De vijand van de peen is de peenvlieg, terwijl de prei van de uiemot en de preivlieg te lijden heeft. Wanneer deze twee planten echter een levensgemeenschap vormen, is de sterke en typisch andere geur van de partner-plant zo weerzinwekkend voor de insekten dat ze niet eens zullen proberen hun eieren op de buurman-plant te leggen. Ze gaan er zo snel mogelijk vandoor om uit de buurt van deze geur te komen.
Met koolraap en radijs in hun gemeenschapsleven met sla is iets soortgelijks aan de hand. Koolraap en radijs worden door een bepaald soort vlieg hevig geteisterd, maar wanneer deze vlieg de geur van de sla ruikt, neemt ze de vlucht. Wanneer planten van ziekten te lijden hebben, kan men gewoonlijk door combinatieteelt verbetering in de situatie brengen.
Gemeenschapsleven in fruitbeplantingen
Nu ik je enkele tips voor je groentetuin heb gegeven, zou ik je graag iets over een heel ander soort van gemeenschapsleven willen vertellen. Je weet hoe ik van mijn fruitbomen geniet. Een paar ’Williams Christ’ (Bartlett) perebomen waren mijn trots en mijn vreugde. Maar ondanks het feit dat ze elk jaar bloeiden, droegen ze geen vruchten. Het kwam niet door gebrek aan bijen. Een van mijn buren die dezelfde soort had geplant, begon ze alle te verwijderen. Ik wachtte nog een poosje langer en trachtte de oorzaak te vinden.
Geheel bij toeval kreeg ik een bestuivingstabel in handen. Stuifmeel is zoals je weet het poeder van bloesems dat nodig is om de plant vruchtbaar te maken. Ik deed een interessante ontdekking. Het is bekend dat bij peren zelf-steriliteit voorkomt; dat wil zeggen dat het stuifmeel van bepaalde variëteiten niet dezelfde variëteit zal bestuiven en deze dus afhankelijk is van het stuifmeel van een andere variëteit van dezelfde fruitsoort. Mijn ’Williams Christ’ (Bartlett) had stuifmeel nodig van de ’Gellerts Boterpeer’. Aangezien noch ik noch mijn buurman een van deze bomen in de tuin had staan, kon de ’Williams Christ’ niet bestoven worden.
Om die reden bemachtigde ik een loot van de ’Gellerts Boterpeer’ en entte die in de kroon van de ’Williams Christ’. Het volgende jaar bloeide deze loot te zamen met de andere. De bijen namen hun deel van het werk over; de peer is een van de vruchtbomen die alleen door insekten bestoven kunnen worden. Wat een verrassing! Korte tijd later hingen de bomen vol peren. Ik was weer wat wijzer geworden.”
„Ik heb steeds weer gemerkt dat er veel te leren valt!”
„Ja, Werner, het is net als met het heelal. Hoe dieper wij erin doordringen, hoe groter en onmetelijker het wordt. Alles getuigt van de onveranderlijke kracht van de grote, alwijze Schepper, aan wiens wetten wij ons zullen moeten onderwerpen, want ze zijn overal, zelfs in het gemeenschapsleven van planten.”
[Illustratie op blz. 17]
SLABOON
SAVOOIEKOOL
ABSINT-ALSEM
VENKEL