Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/10 blz. 14-17
  • Hoe is het zover gekomen?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hoe is het zover gekomen?
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Opkomst van de moderne technologie
  • Gevolgen voor het milieu van de mens
  • Toenemende bevolking geeft toenemende verontreiniging
  • „Consumentenmaatschappij” ontwikkeld
  • Is de industriële levenswijze een mislukking?
    Ontwaakt! 1976
  • Het opsporen van de grondoorzaak
    Ontwaakt! 1971
  • Hoe ernstig zijn de tekorten?
    Ontwaakt! 1975
  • De bevolkingsexplosie — In welke mate een bedreiging?
    Ontwaakt! 1983
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/10 blz. 14-17

Hoe is het zover gekomen?

AL DE duistere voorspellingen, de ijselijke waarschuwingen en de bittere klachten over de vernietiging van het menselijk milieu zullen de zaak niet veranderen. Alleen het opsporen en aanpakken van de werkelijke oorzaak zal uitkomst brengen.

Hoe en wanneer is men begonnen deze planeet in een vuilnisbelt te veranderen? Waarom heeft het zo lang kunnen doorgaan dat het zulke rampzalige afmetingen kon gaan aannemen?

Gewoonlijk worden twee dingen aangewezen die de meeste schuld dragen: 1. de moderne technologie, de voortbrengster van de zware industrie en het snelle vervoersapparaat, en 2. de bevolkingsexplosie. Dit zijn de uiterlijke, zichtbare oorzaken, maar daarnaast bestaat er nog een veel diepere oorzaak.

Laten wij eens zien wat er gebeurd is en hoe diep het probleem in werkelijkheid geworteld is.

Opkomst van de moderne technologie

De meeste onderzoekers brengen de toenemende verontreiniging met de zogenaamde Industriële Revolutie in verband. Deze is meer dan tweehonderd jaar geleden, in het midden van de achttiende eeuw, begonnen. Tot aan die tijd waren vier van de vijf mannen boer. De boerenfamilies verbouwden hun eigen voedsel, sponnen hun eigen kleding, vervaardigden dikwijls hun eigen meubels en zelfs veel van hun eigen gereedschappen. De steden en dorpen waren hun marktplaatsen. Daar woonden ambachtslieden die thuis of in kleine winkeltjes metaal bewerkten, misschien boeken of kranten drukten, sieraden en zilverwerk maakten en een betere kwaliteit textiel en leer- en houtwerk vervaardigden dan de gemiddelde boer. Met zulke produkten konden zij voedsel van de boeren kopen, of een koopman kon hun produkten opkopen, ze naar het buitenland verzenden en in ruil ervoor buitenlandse produkten verkrijgen die als luxe werden beschouwd.

Twee factoren in het bijzonder hebben de menselijke samenleving in veel landen veranderd: het kapitaal en de wetenschappelijke uitvindingen (technologie). Deze factoren werden echter door een derde kracht tot een eenheid samengebundeld.

Daarover zegt The World Book Enyclopedia (uitgave 1970, deel 10, blz. 185): „De kracht die wetenschap en geld te zamen bracht, lag waarschijnlijk in de groeiende vraag naar de gerieflijkheden van het leven.” In het begin zijn dit betrekkelijk eenvoudige dingen geweest; de mannen wilden gereedschappen die door de pas uitgevonden machines konden worden gemaakt, de vrouwen wilden machinaal geweven stoffen. Toen echter de toevloed van produkten groter werd, groeiden hun verlangens mee.

Die machines — spinmachines, weefmachines, stoommachines, smeltovens, convertors en walsen voor metaalverwerking — waren duur. Slechts een paar mensen met kapitaal konden ze kopen. Daarna moesten zij fabrieken vestigen, speciale gebouwen voor hun machines inrichten, mensen aannemen en die opleiden en tewerkstellen bij de bediening ervan. Dit waren hoge investeringen en de beleggers waren natuurlijk vastbesloten goede winsten te maken. Naarmate de industrie zich uitbreidde, werden de mannen aan de boerderijen en de zelfstandige bedrijfjes in winkel of huis onttrokken en werden zij fabrieksarbeiders. En de fabrieken werden vaak dicht bij elkaar in de steden gevestigd waar brandstoffen en arbeidskrachten goedkoop waren. De grondlijnen van het verontreinigingsprobleem beginnen nu zichtbaar te worden.

Mettertijd kwamen er snellere, meer ingewikkelde en automatische machines waarbij vergeleken de oudere machines primitief waren, doch ze vereisten ook meer kracht, grotere hoeveelheden brandstof. Steeds meer produkten die vroeger met de hand gemaakt werden, kwamen op de lijst van machinale produkten te staan. De zelfstandig werkende handwerkslieden namen geleidelijk in aantal af. De kleinere zaken en industrieën dienden gelijke tred te houden met de opmars van de technologie of ze werden door concurrenten met een snellere massaproduktie geruïneerd.

De uitvinding van de stoomlocomotief en later de verbrandingsmotor die op benzine loopt, droegen ook tot de groei van de industrie bij. Met snellere en goedkopere transportmogelijkheden konden de fabrieken hun markt uitbreiden, hun produkten steeds verder weg sturen en eveneens grondstoffen en brandstof van verder gelegen plaatsen aanvoeren. Zo zijn er ten slotte enorme industrieën ontstaan die vaak de kleinere hebben verdrongen of in zich opgenomen.

Al deze groei werd geprezen als „vooruitgang”, doch deze vooruitgang eiste een zeer hoge prijs. De „kwaliteit” van het menselijk leven is er ernstig door aangetast.

Gevolgen voor het milieu van de mens

In de als paddestoelen uit de grond schietende industriesteden werden de fabrieken dikwijls op uitgekozen plaatsen, zoals bij een rivier of aan de waterkant, gevestigd. Hun afvalprodukten werden in de rivieren geloosd of in de buurt gestort. (Het afval van één fabriek kan soms gelijk zijn aan dat van een hele stad van 100.000 of meer inwoners.) Voor de mijnen die het belangrijke metaalerts en de steenkool moesten leveren werden steeds diepere gaten in de aardbodem gegraven, of door „bovengrondse” mijnbouw werden heuvels afgegraven en grote kraters uitgehold, waardoor verwoeste landstreken van vele vierkante kilometers ontstonden. Later kregen de oliebronnen een nog groter aandeel in het verontreinigingsproces. Berghellingen werden ontsierd door spoorlijnen, en locomotieven puften tot midden in de stadskernen en brachten daar rook, gruis en lawaai. In het begin vonden de mensen al deze dingen wel opwindend. Zelfs toen dit niet meer zo was, waren de mensen er al aan gewend en hadden zij zich erop ingesteld.

De ontwikkeling in het gebruik van fossiele brandstof — steenkool en later aardolieprodukten — heeft bij de industrialisatie een voorname rol gespeeld. Deze fossiele brandstoffen konden gemakkelijker worden vervoerd en hadden een groter verbrandingsvermogen dan de vroegere brandstoffen (hout en plantaardige oliën). Doch aangezien ze niet volledig verbrandden, slingerden ze grotere concentraties van verschillende gassen — koolmonoxyde, zwaveloxyden, koolwaterstoffen, stikstofoxyden — en sommige vaste stoffen de atmosfeer in. Worden ze slechts uit een paar schoorsteenpijpen of de schoorstenen van woonhuizen uitgebraakt, dan richten ze geen noemenswaardige schade aan. Pas toen hun aantal vele malen vermenigvuldigd werd, begon het wezenlijke gevaar duidelijk merkbaar te worden.

Zo werden er op plaatsen als de Maasvallei in België in 1930, te Donora in Pennsylvanië in 1948 en in London in 1952 tijdens periodes van windstilte of mist door de verraderlijke vergiften van deze gassen verschrikkelijke dingen teweeggebracht. Na de derde mistige dag waren in Donora 5910 mensen ziek — bijna de helft van de bevolking van die plaats. Gedurende de week van dichte mist in London en de week die daarop volgde liep het sterftecijfer met 4000 gevallen op. Thans hebben miljoenen mensen in de grote steden over de hele wereld pijnlijke ogen, hun longen zijn geprikkeld en het aantal gevallen van emfyseem, bronchitis en longkanker stijgt voortdurend. Zij sterven misschien niet meteen, maar hun levensduur wordt er beslist door verkort.

Hierbij komt tevens de uitbreiding van de wetenschappelijke technologie op nog twee andere gebieden: landbouw en oorlog. De boeren, kampend met een steeds afnemend aantal arbeidskrachten, zijn gaan mechaniseren en chemische meststoffen en verdelgingsmiddelen gaan gebruiken. Dit heeft grote oogsten opgebracht, maar de verontreiniging is minstens even groot geweest. De wetenschappelijke ontwikkeling van oorlogsuitrusting, vooral die van de kernbommen, heeft een nieuw gevaar opgeleverd, dat van de radioactieve verontreiniging. Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot aan 1963 hebben er meer dan vierhonderd kernexplosies plaatsgevonden. Sedert het kernstopverdrag in 1963 zijn er nog ongeveer driehonderd ondergrondse kernexplosies geweest. Thans worden uitgestrekte bosgebieden in Zuidoost-Azië door ontbladering verwoest.

Toenemende bevolking geeft toenemende verontreiniging

Er gingen duizenden jaren overheen voordat de wereldbevolking de één miljard bereikte; dit was in 1850. In 1930 werd de twee miljard bereikt. Thans is het aantal reeds 3,6 miljard en men schat dat dit binnen de komende dertig jaar verdubbeld zal zijn. De steden hebben het grootste deel van deze bevolkingsaanwas gekregen. In 1740 telde Engeland als geheel slechts iets meer dan 6.000.000 inwoners. Thans heeft alleen de hoofdstad Londen al meer inwoners.

Deze „bevolkingsexplosie” heeft de Industriële Revolutie gesteund in haar streven naar steeds grotere produktie, steeds omvangrijkere projecten. Met meer mensen is het energieverbruik — in de industrie, thuis en in het transportwezen — toegenomen. De uitbreidende steden eisten steeds meer van het omringende bouwland op en de landerijen rond de nieuwe begrenzingen hadden dikwijls zoveel te lijden, hetzij door verontreiniging, hetzij door roofbouw, dat ze hun vruchtbaarheid verloren. Het voedsel moest over steeds grotere afstanden worden aangevoerd.

Doordat de mensen probeerden te ontkomen aan de verslechterende toestanden in de stad, ontstonden de buitenwijken. Dit droeg door het toenemende gebruik van personenauto’s echter alleen maar tot meer verontreiniging bij. Er ontstonden uitgebreide wegennetten, zodat het eens zo groene landschap langzamerhand met steeds meer en bredere stroken beton of asfalt werd bedekt. Het tijdschrift Time zegt: „Jaarlijks wordt alleen al in de V.S. meer dan 400.000 hectare grond waarop zuurstof-producerend geboomte staat, bestraat.” In São Paulo in Brazilië heeft men nog slechts ongeveer een halve vierkante meter groen per persoon. Naarmate het luchtverkeer toenam, droegen de luchthavens hun steentje bij tot het verstikken van uitgestrekte stukken land en het op grote schaal verontreinigen van de lucht.

Weliswaar heeft men een tijdlang enig succes geboekt bij het verbeteren van bepaalde milieuomstandigheden in de industriesteden. Er bestaan thans maar weinig steden meer zoals Manchester in Engeland in de jaren 1843-1844, toen er in één stadswijk slechts één toilet voor elke 212 personen was! Toch zien wij thans een toestand waarin niet alleen bepaalde stadswijken die men achterbuurten noemt, maar de aarde als geheel — land, water en lucht — sterk vervuild raakt.

„Consumentenmaatschappij” ontwikkeld

De grootindustrie heeft voor haar produkten een blijvend afzetgebied nodig. In de beginperiode van de Industriële Revolutie kwamen nogal eens slappe tijden voor, want door de nieuwe machines voor massaproduktie werd de vraag dikwijls door het aanbod overtroffen. De grote fabrieken waren niet zo plooibaar en in staat zich bij de lopende vraag aan te passen als de vroegere particuliere handwerkslieden, die vaak twee of drie ambachten verstonden en zelfs af en toe in de landbouw werkten.

De „bevolkingsexplosie” heeft dit probleem slechts ten dele opgelost. Ze was niet voldoende om het streven van de industrie naar voortdurende „groei” te bevredigen. Daarom zochten de fabrikanten naar manieren om de vraag te stimuleren en aan te kweken. Door reclame, alsook door de geregelde produktie van nieuwe typen of kleine verbeteringen die de oudere modellen minder gewenst maakten, werd tot kopen aangemoedigd. Het oogmerk was niet meer zozeer, in de behoeften van de mensen te voorzien, dan wel hen ertoe te brengen bepaalde dingen te willen hebben. De artikelen werden dikwijls met een beperkte levensduur ontworpen en daardoor ontstond er jarenlang een blijvende vraag naar. Ten gevolge van deze „doelbewuste veroudering” werd er dikwijls meer op goedkoopte gelet dan op kwaliteit en duurzaamheid.

Dit alles heeft wat men dikwijls een „weggooi”-maatschappij noemt voortgebracht, een maatschappij die zijn produkten een korte tijd gebruikt en ze dan weggooit. In deze verkwisting verandering te brengen zou op de economie van veel landen van ingrijpende invloed zijn.

U kunt zich dus indenken wat een buitengewoon ingewikkeld, diepgeworteld probleem er is ontstaan. Het is langzamerhand, verspreid over het leven van vele generaties, opgekomen. Toch heeft dit alles één grondoorzaak. Welke is dat dan?

[Tabel op blz. 16]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

3.000.000.000

2.000.000.000

1.000.000.000

De wereldbevolking is thans met 1.000.000.000 in slechts 15 jaar toegenomen. Voor de eerste 1.000.000.000 waren meer dan 5800 jaar nodig!

1971 WERELDBEVOLKING MEER DAN 3.650.000.000

Vloed

4026 v.G.T. 3000 2000 1000 G.T. 1000 1971

(Bevolkingscijfer voor vroegere periodes zijn geschat.)

[Illustratie op blz. 15]

De Industriële Revolutie heeft miljoenen van de boerderijen naar het werk in de fabrieken getrokken

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen