Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/6 blz. 12-15
  • Bezoek van de paus brengt de Filippijnse kerk in de publiciteit

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bezoek van de paus brengt de Filippijnse kerk in de publiciteit
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Velen in religieus opzicht onwetend
  • Vereenzelvigd met de rijken
  • Zij brengen niet in praktijk wat zij prediken
  • Beroep op de jeugd en op de armen
  • Is het christelijk?
  • Waarom verlaten zij de kerken?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Zal de Kerk in praktijk brengen wat de paus heeft gepredikt?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • De reizen van de paus — Waarom nodig?
    Ontwaakt! 1984
  • De reizende Johannes Paulus II — Kan hij zijn verdeelde Kerk verenigen?
    Ontwaakt! 1980
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/6 blz. 12-15

Bezoek van de paus brengt de Filippijnse kerk in de publiciteit

Door Ontwaakt!-correspondent op de Filippijnen

TOEN paus Paulus VI op 27 november 1970 uit zijn straalvliegtuig op de voor zijn ontvangst uitgelegde rode loper stapte en als eerste werd begroet door de president van de Filippijnen, werd er geschiedenis gemaakt. Het was het eerste bezoek van een paus aan het Verre Oosten en aan de Filippijnen, die meer dan vierhonderd jaar overheersend katholiek zijn geweest.

Het bezoek van de paus richtte de schijnwerper der publiciteit als nooit tevoren op de Filippijnse Katholieke Kerk. Het was, volgens de woorden van een pastorale brief die door de Filippijnse katholieke bisschoppenconferentie voor publikatie werd vrijgegeven, „een gelegenheid om het katholieke leven aan een onderzoek te onderwerpen” en „een uur van zelfonderzoek”. Eén schrijver zei dat de paus naar een „gistende kerk” kwam, terwijl de Manila Times van 13 juni 1970 opmerkte dat de kerk „op de Filippijnen tegenover misschien de ernstigste uitdaging staat waar ze in 400 jaar tegenover is geplaatst”.

Wat is de reden van de gisting, de uitdaging en de noodzaak voor zelfonderzoek? Een blik op wat in het openbaar, merendeels door Filippijnse katholieken zelf, is gezegd, is zeer verhelderend.

Velen in religieus opzicht onwetend

Reeds op 9 juni 1970 gaf het nieuwsbulletin van de Vaticaanse congregatie voor de evangelisatie van de volken, Fides, hoewel het de rooms-katholieke geest van de Filipino’s prees, toe dat „er bij veel Filippijnse katholieken nog heel veel onwetendheid heerst”. Er werd in gezegd dat „religie soms de tendens vertoont bijgeloof te worden”. Dit werd bevestigd door Rufino J. kardinaal Santos, aartsbisschop van Manila, die volgens een citaat heeft gezegd: „Het grootste probleem waarmee de kerk te kampen heeft, is evenwel de onwetendheid van de gelovigen voor zover het de grondwaarheden van onze religie betreft.”

Hoe komt dit echter? Waarom zijn zelfs zij die door de kerk als „de gelovigen” worden beschouwd in religieus opzicht onwetend? Eén factor, waarop door Pacifico Ortiz, rector van de Ateneo-universiteit in Quezon City, werd gewezen, is dat de kerk niet over voldoende priesters beschikt om zorg te dragen voor een bevolking van nu al bijna 38 miljoen.

Het Vaticaanse bulletin Fides stemt hiermee overeen door te zeggen dat er op de Filippijnen gemiddeld één priester voor 5865 katholieken is, „doch dat slechts ongeveer de helft van de geestelijken rechtstreeks bij parochiewerk is betrokken en de toename in priesters achterop dreigt te raken bij de bevolkingstoename”. Hierdoor ziet, volgens de Manila Times van 13 juni 1970, een groot aantal katholieken die in dorpen wonen, slechts eens per jaar, of nooit, een priester. Is het tekort aan priesters echter de enige reden voor de wijdverbreide onwetendheid op religieus gebied?

Vereenzelvigd met de rijken

Het tekort aan geestelijke herders verbindend aan het bezoek van de paus, had de priester B. A. Carreon het volgende te zeggen: „De paus zou wel kunnen huilen om de talrijke priesterloze gemeenschappen in het achterland waar kudden zonder herders tevergeefs om priesterlijke zorg roepen, terwijl in religieuze instellingen honderden priesters op een kluitje zitten om kinderen van de elite te leren hoe zij goede zinnen moeten vormen, foutloos Engels moeten spreken en succesvolle directeuren moeten worden.”

Ook andere schrijvers zeggen over de kerk op de Filippijnen dat ze algemeen vereenzelvigd wordt met de kleine elitegroep die een groot deel van ’s lands rijkdom beheerst.

Om aan te tonen waarom de mensen de kerk over het algemeen met de rijken vereenzelvigen, plaatste de Sunday Times Magazine van 15 november 1970 een artikel, getiteld: „De kerk en haar bezittingen.” De schrijver beweert dat men de Katholieke Kerk op de Filippijnen, als men ze met een handelsonderneming zou vergelijken, gemakkelijk tot „de tien grootste handelmaatschappijen in het land” zou kunnen rekenen.

Om zijn bewering te staven, wees hij op het aartsbisdom Manila, het rijkste in het land. Het artikel zegt dat M. Gaviola, secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie op de Filippijnen, bevestigde dat de kerk activa op de Philippine Trust Bank had ter waarde van 25 à 30 miljoen peso’s (ongeveer 23 tot 27 1/2 miljoen gulden), plus een aanzienlijk aandeel in de Bank of the Philippine Islands, de San Miguel Corporation en de Monte de Piedad & Savings Bank. Bovendien bezit de kerk grote belangen in een radiostation, een krant, een reisbureau en een ziekenhuis. En door bemiddeling van een dochteronderneming bezit en exploiteert ze scholen.

De onwetendheid op het gebied van religie van de Filippijnse katholieken is dus niet alleen aan een tekort aan priesters toe te schrijven. De beschikbare priesters houden zich veeleer vaak met andere zaken bezig.

Zij brengen niet in praktijk wat zij prediken

De katholieken op de Filippijnen erkennen dat de kerk met nog een ander ernstig probleem te kampen heeft, R. G. Tupas, die voor Sunday Times Magazine schrijft, is van mening dat „de grootste taak waar de kerk tegenover staat de uitdaging is, in praktijk te brengen wat ze predikt”.

In het afgelopen jaar hebben de Filippijnse bisschoppen zich tweemaal uitgesproken tegen corrupte regeringsambtenaren, doch andere opmerkzame katholieken zijn van mening dat het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor dit probleem aan de voeten van de kerk dient te worden gelegd. Bisschop Gaviola geeft bijvoorbeeld toe dat „sommige mensen, als de bisschoppen geknoei en corruptie in de regering veroordelen of tegen het misbruiken van rijkdom opkomen, zich afvragen of het hier niet geldt dat de pot de ketel verwijt dat hij zwart ziet”.

Ook Carmen Guerrero-Nakpil wees op de kerk toen zij op 15 november 1970 in haar eigen rubriek schreef dat Filipino’s het soort van mensen zijn dat de kerk heeft gemaakt. Twee weken later schreef dezelfde schrijfster dat de kerk, aangezien ze op de Filippijnen lange tijd deel heeft uitgemaakt van de politieke macht van het land, nu de verantwoordelijkheid moet gaan dragen voor fouten en onrechtvaardigheden die in het verleden tegenover de menselijke samenleving zijn begaan.

Verder zei A. Roces in zijn rubriek in de Manila Times van 3 juni 1970, dat het bezoek van de paus de Filippijnen in de publiciteit zou brengen als een land dat reeds honderden jaren katholiek is, en daarom is de vraag: „Wat laten de mensen daarvan zien? Rufino J. kardinaal Santos zelf gaf toe: „Wat ook — politiek of anderszins bezien — de toestand van het land is, de kerk weerspiegelt deze.”

Is het louter een „pure samenloop van omstandigheden”, zoals één schrijver het stelde, dat „er toevallig meer armoede, meer sociale ongelijkheid en een geringere en latere neiging tot modernisme in traditioneel katholieke landen bestaat”?

Dit zijn geen beschuldigingen van atheïsten, maar oprechte vragen van Filippijnse katholieken. Dit zijn toestanden waardoor katholieken zich overal afvragen of hun religie werkelijk goede vruchten voortbrengt.

Beroep op de jeugd en op de armen

Het voorgaande laat enkele van de problemen zien waarmee de paus tijdens zijn driedaags bezoek aan Manila, van 27-29 november 1970, werd geconfronteerd. Het is daarom niet verwonderlijk dat de paus, behalve dat hij tijdens zijn bezoek drie missen opdroeg, zich veel moeite gaf om degenen te ontmoeten die door de kerk verwaarloosd of ervan vervreemd zijn, namelijk de jeugd en de armen.

Het is alom bekend dat in de hele christenheid jonge mensen zich van de kerk afwenden, en ook op de Filippijnen is dit het geval. Daarom deed de paus terwijl hij hier was een beroep op de jeugd toen hij op de universiteit van Santo Tomas een studentenbijeenkomst toesprak en de jongeren prees om hun dynamische ijver.

Een andere groep die aandacht behoeft, wordt gevormd door de armen, en daarom deed de paus ook op hen een beroep. In de krottenwijk van Tondo bezocht hij het huis van een arm gezin met acht kinderen, bij welke gelegenheid hij zei: „Ik voel het als mijn plicht hier in uw tegenwoordigheid te verklaren dat de Kerk arme mensen zoals u liefheeft.” Stilzwijgend de veronachtzaming door de kerk toegevend, zei hij vervolgens: „En daarom moet ik ook zeggen dat de Kerk u liefde moet betonen, u hulp moet bieden en u ook op praktische wijze met haar edelmoedige dienst moet bijstaan.”

Op deze wijze zag de paus de werkelijkheid onder de ogen van wat bisschop Gaviola verscheidene maanden eerder had gezegd, namelijk: „Indien wij de arbeidersklasse en de jeugd verliezen, zal de kerk onherroepelijk afbrokkelen.” Maar zou het kunnen zijn dat deze groepen alreeds verloren zijn en dat de put als het ware wordt gedempt nadat het kalf verdronken is?

Toen de paus aankwam, was de Aziatische bisschoppenconferentie, die door bisschoppen uit vijftien Aziatische landen werd bijgewoond, bijeen. De conferentie schonk veel aandacht aan dezelfde kwesties, zoals blijkt uit de thema’s ervan, namelijk: „Ontwikkeling van de volken van Azië” en „pastorale zorg voor universiteitsstudenten”.

De bisschoppelijke commissie die met de pastorale zorg voor de studenten was belast, merkte op dat 60 percent van de Aziatische bevolking beneden de 25 jaar is”. Dit feit, zo zei ze, „geeft het toenemende Aziatische studentenactivisme het karakter van dringendheid”. De bisschoppen besloten ook dat de Katholieke Kerk de „Kerk van de armen” moet zijn. Zal een dergelijk besluit de armen echter overtuigen en hen voor een kerk winnen die lange tijd met de rijken is vereenzelvigd?

Is het christelijk?

De nadruk die op niet-geestelijk sociaal werk in plaats van op de geestelijke behoeften van de mensen werd gelegd, moest waarnemers wel opvallen. Zo zei iemand die voor de Daily Mirror schrijft, op 30 november 1970: „Paulus is modern. Aangepast aan de steeds agnostischer, zo niet atheïstischer wordende wereld, die het noemen van Gods naam als dwaasheid beschouwt, maakte Paulus VI in zijn toespraken weinig toespelingen op zulke ouderwetse katholieke uitdrukkingen als verlossing, heiliging en redding. In plaats daarvan uitte hij woorden die een sociologische klank hebben: broederschap, harmonie, samenwerking, dynamisch zijn, sociale gerechtigheid en vrede.”

Nu rest echter de vraag: „Is dit christelijk? Welnu, Jezus wees op Gods hemelse koninkrijk als het middel om de hervormingen tot stand te brengen waaraan de mensheid behoefte heeft. Dr. B. F. Reyes, president van de Pamantasan ng Lungsod ng Maynila (stadsuniversiteit van Manila), zelf een katholiek, zei nog niet lang geleden over de Katholieke Kerk: „Haar doel schijnt niet meer de hemel te zijn; haar doel schijnt nu grotendeels de aarde te zijn. Ze heeft grote kerken en schitterende altaren; maar ze heeft weinig geloof en heel weinig liefde.”

Toont de bijbel echter niet aan dat christenen moeten zorgen voor hen die letterlijk behoeftig zijn? Ja, maar merk op dat de bijbel ten aanzien hiervan eveneens zegt: „De vorm van aanbidding die van het standpunt van onze God en Vader uit bezien rein en onbesmet is, is deze: voor wezen en weduwen zorgen in hun verdrukking en zichzelf onbevlekt van de wereld bewaren” (Jak. 1:27). Zichzelf „onbevlekt van de wereld” bewaren is dus ook een essentieel christelijk vereiste. Het is evenwel duidelijk dat de Katholieke Kerk in grote mate een deel van deze wereld is.

Maakten de eerste christenen toen zij in de behoeften van weduwen voorzagen, dit bovendien tot hun voornaamste doel? Welnu, u kunt in de bijbel lezen dat Jezus Christus en zijn apostelen, hoewel zij de stoffelijke behoeften van hun medemensen niet over het hoofd zagen, het voornaamste accent evenmin van het onderwijzen van het Woord van God naar het tafeldienen verlegden. De apostelen zeiden dat zij zich in plaats daarvan „aan de bediening van het woord” zouden wijden. Wat was het resultaat? „Zo bleef het woord van God groeien.” — Hand. 6:4, 7.

Welnu, is het soort van religie dat de paus bepleit christelijk? Niet volgens de mening van Filippijnse katholieken, zoals de reeds eerder aangehaalde Dr. B. Reyes dit somber opmerkte: „Het christendom dat wij belijden, is een gedegenereerde vorm van religiositeit die volkomen verschilt van het eenvoudige, vriendelijke en liefdevolle christendom dat zijn goddelijke stichter onderwees.” „Het is een vals en gekunsteld christendom zonder Christus. Het kan ons niet redden, want het heeft zijn macht om te redden verloren. Het kan ons Christus niet geven, want het heeft hem verloren.” Is dat het soort van religie dat u wenst?

Het bezoek van de paus heeft inderdaad de Katholieke Kerk op de Filippijnen in de publiciteit gebracht. Als resultaat van het zelfonderzoek door Filippijnse katholieken zijn er echter ernstige vragen opgeworpen die katholieken over de hele wereld zich omtrent hun kerk moeten stellen. Immers, wanneer zowel de handelwijze als de vruchten ervan niet christelijk zijn, trekt ze haar mensen dan tot God? — Matth. 7:18-20.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen