Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/6 blz. 3-7
  • Eist uw werk u geheel op?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Eist uw werk u geheel op?
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • In de strik van het gigantisme
  • Praktijken die in strijd zijn met de ethische beginselen
  • Opzettelijke verkorting van de levensduur
  • Geen betrekkingen waaruit men zich rustig kan terugtrekken
  • Managerziekte
  • Ontkom aan de dichtslaande val van het bedrijfsleven
  • Wat gaat uw bedrijf u kosten?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • De grote zakenwereld en misdaad
    Ontwaakt! 1984
  • Christelijke eenheid bewaren in zakelijke betrekkingen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Hard werken — Wanneer het een deugd is
    Ontwaakt! 1993
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/6 blz. 3-7

Eist uw werk u geheel op?

„IN WERKELIJKHEID léven we niet; we bestáán alleen maar. Het enige excuus voor ons bestaan is onze baan, ons werk dat ons geheel opeist”, klaagde Arnold bitter.

Mijnheer Kinleya, zijn superieur, die samen met hem de koffiemaaltijd nuttigde, knikte. „We zijn slaven. Ons werk eist ons totaal op.”

„Ziet u het verkoopcijfer eens dat ik vorig jaar heb ingeleverd. En hoe wordt het door u gewaardeerd? U vertelt me dat ik het dit jaar 10 percent beter moet doen.”

„Dat”, bracht mijnheer Kinley in herinnering, „is de koele, ongevoelige handelmaatschappij die door bemiddeling van mij tot jou spreekt. Mijn taak is, alles uit de mensen te halen wat erinzit.”

De oudste van de twee dacht met weemoed terug aan de tijd toen alles nog niet zo onpersoonlijk, zo ontmenselijkt was, toen de onderneming nog niet met het reusachtige „zwel”-concern was gefuseerd. Vóór de fusie was de president van het handelsbedrijf tevens de eigenaar. Relaties hadden een meer persoonlijke basis. Er was plaats voor begrip en collegialiteit. Er was echter niet veel anders uit die dagen overgebleven dan een wat gehavende vertrouwelijke sfeer tussen hemzelf en enkele mensen zoals Arnold. Zelfs deze vertrouwelijke sfeer was oppervlakkig. In zijn hart was mijnheer Kinley niet van plan zijn persoonlijke overtuiging kenbaar te maken.

„Wij maken nu dus deel uit van een groot handelsconcern”, zei Arnold met een duidelijk sarcasme in zijn stem. „Onze aandelen liggen op de openbare markt. Iedereen die geld heeft, kan een vorderingsrecht op ons kopen. Zij investeren hun geld, en zonder een spier te vertrekken willen zij tweemaal zoveel terug hebben. Dat betekent dat wij meer winst moeten uitzweten. Het kan niet schelen hoe, àls we maar winst maken. De enige manier om dit voor elkaar te krijgen is door een prullerig produkt te maken.”

In de strik van het gigantisme

Dit gesprek tussen Arnold en mijnheer Kinley, dat zij tijdens hun lunchpauze inderdaad hebben gevoerd, is typerend voor hen die zich in de moderne zakenwereld vaak de gevangene voelen van reusachtige concerns. Slechts weinigen schijnen kans te zien aan de dichtslaande val te ontsnappen. Twee machteloze vuisten, zo overdacht mijnheer Kinley, schudden zij naar het commercialisme, de handelsgeest, die een gezicht laat zien waarin staalharde lijnen van hebzucht staan geëtst. Deze geest werd, volgens een citaat in Fortune, door een directeur van een reusachtige Amerikaanse staalonderneming als volgt gedefinieerd: „Wij staan niet in het zakenleven om staal te maken, niet om schepen te bouwen, niet om gebouwen op te richten. Wij zijn in het zakenleven om geld te verdienen.”

Groei, door uitbreiding, door fusie, of hoe dan ook, is de gevierde brede weg naar steeds grotere winsten.

Een menselijke samenleving waarin de centrale drijfkracht gevormd wordt door winst als gevolg van groei, verwekt concurrentiestrijd tussen ondernemingen, waardoor deze zich nog sneller in de richting van het gigantisme ontwikkelen. De invloed van de kleine zakenman wiens bedrijf zijn domein was, de handwerksman wiens vaardigheid zijn rijkdom betekende, de landman die in het bezit was van zijn hectaren grond en in hoge mate onafhankelijk was, is aan het verdwijnen. „Dit is het tijdperk van de enorme multimiljarddollarvennootschap”, schrijft F. J. Cook in zijn boek The Corrupted Land. „Steeds meer is dit het tijdperk van de computer en de automatisering. . . . Het gevolg is niet slechts dat de particuliere zakenman in een vennootschappelijk bestaan wordt gejaagd, maar dat ook de kleine vennootschap ertoe wordt gedreven in een grotere onderneming op te gaan. Deze niet te keren stuwing in de richting van de vorming van steeds ontzagwekkender machtstructuren is een kenmerk geweest van de hele periode na de Tweede Wereldoorlog.”

Van 1950 tot 1960 zijn meer dan duizend grote Amerikaanse bedrijven gefusioneerd. Het tempo waarin dit heeft plaatsgevonden, is in de jaren zestig versneld. Ruim twee derde van Amerika’s industrie (vervoersondernemingen, fabrieken, mijn- en nutsbedrijven) wordt thans door slechts een paar honderd grote ondernemingen beheerst. Nauwelijks 316 fabrieksconcerns verschaffen werk aan 40 percent van alle werkende Amerikanen. In een dergelijke wereld, zo merkt Cook op, verzwakt de wil van de enkeling en kwijnt zijn geweten weg.

De schrijver E. Fromm vindt dit een ontstellende ontwikkeling in de richting van de omgekeerde wereld: „Wat leeft, zijn de organisaties, de machines; . . . de mens is er geen baas meer over maar is er de slaaf van geworden.” Mensen worden niet meer dan goed geoliede raderen in de machines: „Het oliën wordt gedaan met behulp van hogere lonen, extraatjes, goed-geventileerde fabrieken en achtergrondmuziek, en door bemiddeling van psychologen en experts in menselijke betrekkingen; . . . zijn gevoelens of gedachten komen geen van alle bij hemzelf op; ze zijn geen van alle authentiek. Hij heeft geen eigen overtuiging, noch op politiek gebied, noch in religieus of filosofisch opzicht. . . . Hij vereenzelvigt zich met de reuzen en verafgoodt hen als de ware vertegenwoordigers van zijn eigen menselijke krachten waarvan hij zichzelf heeft beroofd.”

Praktijken die in strijd zijn met de ethische beginselen

Nog een reden waarom veel zakenlieden het gevoel hebben dat zij geen kant meer op kunnen, is de duidelijke tendens in de richting van praktijken die in strijd zijn met de ethische beginselen. Ja, de historicus die over het Carthago uit de oudheid schreef: „Niets waardoor winst te behalen valt wordt als schandelijk beschouwd”, zou deze woorden inderdaad ook voor de zakenwereld van thans kunnen laten gelden. De Harvard Business Review, die 1700 bedrijfsdirecteuren interviewde, kwam tot de conclusie dat vier van de zeven van mening waren dat elke andere directeur van hun bedrijf op elk moment waarop hij dit ongestraft dacht te kunnen doen, ethische wetten of beginselen zou overtreden. Vier van de vijf gaven toe dat hun eigen firma onethisch handelde door zich schuldig te maken aan praktijken zoals omkoperij, het huren van prostituées voor hun klanten, het kunstmatig opdrijven of drukken van de prijzen, leugenachtige reclames, overtredingen van trustovereenkomsten, valse opgaven van de financiën ten einde leningen of krediet te krijgen, en het verstrekken of aannemen van „tegenprestaties”.

Dan is er ook nog de wedloop om de gemeenschappelijke promotieladder te beklimmen. Een directeur van een oliemaatschappij gaf in dit verband toe: „Sommige mensen in deze onderneming zullen werkelijk alles doen om maar hogerop te komen.” Het „werkelijk alles doen om maar hogerop te komen” leidt tot vele praktijken die in strijd zijn met de ethische beginselen, en men heeft deze handelwijze dan ook wel beschreven als „bedriegerij, een venijnige geraffineerdheid en een volslagen gebrek aan ethisch denken”. Het boek The Corrupted Land beschrijft hoe leidinggevende functionarissen in honderden bedrijven elkaar als rasechte beroepsmisdadigers te grazen nemen en in de grond boren.

„Is het mogelijk dat iemand uitsluitend door eerlijke, fatsoenlijke methoden een topfunctie weet te bemachtigen?” luidde een van de vragen die het tijdschrift Modern Office Procedures aan de directieleden onder zijn lezers stelde. Vrijwel allemaal antwoordden zij: „Neen.”

Gewetenloze praktijken hebben altijd de neiging besmettelijk te worden. Zo waarschuwt de Newyorkse directieadviseur N. Jaspen: „Wanneer u te maken hebt met oneerlijkheid aan de top, zal deze zich als een besmettelijke ziekte naar beneden toe voortzetten.” Zij die willen vermijden dat hun moraal als het ware door een besmettelijke ziekte wordt aangetast, hebben wellicht het gevoel dat zij goed in de val zitten.

Opzettelijke verkorting van de levensduur

Nog een reden waarom heel wat zakenlieden het gevoel hebben dat zij in hun betrekking geen kant meer op kunnen, is dat zij geen produkten kunnen fabriceren van de hoge kwaliteit die zij wel zouden wensen. De tendens is, de levensduur van de produkten opzettelijk te verkorten. Dit betekent dat de producent zijn produkt met opzet enigszins ondeugdelijk maakt, doch niet zo dat het opvalt. Het produkt is dus eerder versleten en de consument zal een ander moeten kopen. Deze methode wordt door een schrijver over economische aangelegenheden „een integrerend deel van de Amerikaanse economie” genoemd.

General Motors deed andere ondernemingen scheelzien van afgunst toen dit concern als eerste in de auto-industrie de opzettelijke verkorting van de levensduur invoerde door elk jaar een ander model auto op de markt te brengen. Eén kritisch commentaar luidde dat de pionier-autobouwer Henry Ford, met zijn denkbeeld een auto te bouwen die jaren meeging, „vandaag de dag beslist een nationale bedreiging” zou zijn.

Alle „vrije ondernemingen” bij elkaar worden nog overvleugeld door wat de regeringen van de verschillende landen aan de bewapening uitgeven, welke regeringsbesteding „een hoogst aangename stimulans voor de economie in een maatschappij van verspilling” wordt genoemd „omdat militaire wapens zo snel verouderen en voortdurend moeten worden vernieuwd.”

De opzettelijke verkorting van de levensduur leidt tot een cyclus. De bedrijven moedigen ertoe aan schulden te maken, vergemakkelijken het consumentenkrediet en stellen de vicieuze cirkel in werking die in Business Week werd genoemd: „Lenen. Besteden. Kopen. Weggooien. Nodig hebben.”

Geen betrekkingen waaruit men zich rustig kan terugtrekken

Mijnheer Kinley moest een persoonlijk dilemma onder de ogen zien. Hij werd zijn werk beu. Hij kreeg er schoon genoeg van. Zijn bezwaren tegen de overvoering van de markt met ondeugdelijke waren werden door de topleiding volkomen genegeerd. Sinds de onderneming met het conglomeraat van ondernemingen was samengesmolten, was de druk op de mensen om „er alles uit te halen wat erinzit” en om de produktie op te jagen, slechts nog heviger geworden. De meeste mensen in zijn omgeving waren van het conformistische slag en aanvaardden de „ethiek” van de grote onderneming even vlot als eenden zich te water begeven, hunkerend om vooruit te komen. Hoe zal één man staande blijven tegenover een verpletterende, niets ontziende, onpersoonlijke en oppermachtige onderneming die mensen gebruikt en uitzuigt en zich vervolgens van hen ontdoet?

Wat voor keus had hij? Toen de onderneming nog klein was en onafhankelijk, was het in enkele gevallen mogelijk dat een man, als hij ouder werd, zich kon terugtrekken in de zekerheid van een rustige, vaste betrekking waarnaar jongeren nauwelijks dongen. Nu hing er echter een overzichtskaart van de handelsonderneming in het kantoor van de algemeen directeur, een kaart waarop de bedrijfsorganisatie als een piramide stond aangegeven. Elke betrekking was een blok in die piramide, een sport van de promotieladder die jongere, sterkere, bekwamere mannen altijd graag wilden betreden om hogerop te komen.

Managerziekte

In zijn hart wist mijnheer Kinley dat de gevaarsignalen in zijn zenuwgestel het woord „crisis” uitschreeuwden. Zakenlieden die met hun zweren pronken alsof het eretekens zijn, hebben er een eufemistisch woord voor — „stress”.

Welke hulp kon hij van de bedrijfspsycholoog krijgen? Mijnheer Kinley wist wat hij zou adviseren: „Gooi die gewetensbezwaren toch overboord en houd u aan de spelregels van de sport die het zakenleven heet.” In zijn boek Business as a Game zegt A. Z. Carr: „Mannen wier economische beslissingen en werkzaamheden overladen zijn met persoonlijke gevoelens en meningen, vinden het moeilijk de spanning van het zakenleven te verduren.” Hij geeft zakenlieden de raad hun gewetensbezwaren voor hun dagelijks leven te reserveren, omdat „de strategie van het zakendoen zich scherp onderscheidt van de idealen van het privé-leven”. In overeenstemming hiermee zegt A. M. Hacker in een artikel getiteld „De benoeming van een president [van een vennootschap]”: „Hoe hij op deze uitdaging reageert [het vergoelijken of goedpraten van een minderwaardig produkt], zal door zijn superieuren worden opgemerkt.” Niet alleen zal de man die te nauwgezet is om zich aan de „spelregels” van het zakenleven te houden nauwelijks in aanmerking komen om president te worden, maar, zo voegt Carr eraan toe, „mocht hij erin slagen een leidinggevende functie te behouden en de managerziekte te vermijden, dan heeft hij geluk gehad”.

Gekwelde directeuren, allen dertigers of veertigers — zo zij het al hebben overleefd hebben gewedijverd in een wereld die prestatie en succes eist. Een voortdurende zelfverzekerde stuwkracht drijft hen voort in een tempo dat ten slotte bezit neemt van hun gehele persoonlijkheid. Als zij vervolgens vijftigers worden, komen zij tot de ontdekking dat zij het niet kalmer of rustiger aan kunnen doen om zich aan het ouderdomsproces te kunnen aanpassen. Degenen die de realiteit niet onder de ogen kunnen zien, zo zegt professor W. E. Henry van de Universiteit van Chicago, „rennen zich letterlijk dood”.

Door het moderne zakenleven worden mensen vaak onafgebroken en meedogenloos voortgedreven naar afbrekende en verwoestende gemoedstoestanden — vrees, haat, toorn, jaloezie, achterdocht, teleurstelling, afgunst, schuldgevoelens, onzekerheid en twijfel aan zichzelf.

Mijnheer Kinley bemerkte dat hij niet alleen gespannen, nerveus en kortaangebonden was, maar, wat erger was, zich uitgeput voelde. Het had wat weg van een sombere, naargeestige uitputting. Als hij aan het einde van de dag de deur achter de kwellingen van het zakenleven sloot, slaagde hij er niet in ze thuis uit zijn geest te zetten. Een katterig gevoel van uitputting maakte zich vanaf maandag langzaam van hem meester totdat hij tegen het weekeinde de zaterdag en zondag alleen al nodig had om te rusten en weer bij te komen.

Ontkom aan de dichtslaande val van het bedrijfsleven

Welke kans had hij echter op vierenvijftigjarige leeftijd nog om ander werk te vinden? Waar kon hij een betrekking vinden die hem evenveel geld, prestige en voordelen opleverde? Er waren weliswaar concurrenten die graag een man van zijn rijpheid en met zijn hoedanigheden in dienst zouden nemen als hij hen hielp de maatschappij over te nemen waar hij nu werkte. Dat betekende echter dat hij even hard of nog harder aan het beklimmen van hun bedrijfspiramide zou moeten meedoen.

Eerst moest hij tot het besluit komen — en ook zijn gezin met die gedachte verzoenen — dat verlichting van druk van de zijde van zijn betrekking een gerief kon zijn dat men koopt en waarvoor men betaalt. De kosten? Mogelijk een verlaagde levensstandaard. Geld moest niet langer de enige waardestandaard zijn.

Het is belangrijk een verstandige kijk op geld te krijgen, wist mijnheer Kinley. De bijbel had het duidelijk gezegd: „De liefde voor geld is een wortel van allerlei schadelijke dingen, en door hun streven op deze liefde te richten, zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich overal met vele pijnen doorboord.” — 1 Tim. 6:10.

Mijnheer Kinley voelde dat hij veranderingen moest aanbrengen als hij nog geruime tijd wilde blijven leven. Ergens zeiden zijn eigen lichaam en zijn eigen verstand hem hetzelfde wat door een vijftienjarige studie aan het Medisch Centrum van de Duke-universiteit aan het licht was gekomen: de voldoening die het werk schenkt is een van de allerbelangrijkste factoren voor een lang leven.

Een week na dat koffie-uurtje met Arnold diende mijnheer Kinley bedaard zijn ontslag.

Binnen twee maanden werkte hij drie tot vier dagen per week als onafhankelijk adviseur in dienst van kleinere ondernemingen in zijn branche. Hij verdiende niet zoveel geld als voorheen. Hij was enkele waardevolle extraatjes, zoals opname in een collectieve levensverzekering, kwijtgeraakt. Dat was de prijs die hij voor verlichting van druk van de zijde van zijn werkkring betaalde. Was het dat waard?

Volgens hemzelf, Ja. „Ik voel me nu oneindig veel gelukkiger. Ik ben aan de dichtslaande val van het bedrijfsleven ontsnapt. Nu heb ik tijd voor hobby’s, tijd om te studeren en na te denken, tijd om mijn eigen denkvermogen soepel te houden. Nu werk ik om te leven. Ik hoop dat ik nooit meer zal hoeven te leven om alleen maar te werken.”

Dit ware levensverhaal van een Amerikaans zakenman stelt u voor de vraag: Eist uw werk u geheel op?

[Voetnoten]

a De namen in dit ware levensverhaal van een Amerikaans zakenman zijn gefingeerd.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen