Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/2 blz. 21-23
  • Het abortusvraagstuk — zoals een arts het beziet

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het abortusvraagstuk — zoals een arts het beziet
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Afkeer onder ziekenhuispersoneel
  • „Gezonde” patiënten
  • Wiens schuld is het?
  • Het abortusprobleem
    Ontwaakt! 1971
  • Miljoenen nu levenden zullen nooit geboren worden
    Ontwaakt! 1973
  • Is abortus het antwoord?
    Ontwaakt! 1975
  • De tragische tol van abortus
    Ontwaakt! 1993
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 22/2 blz. 21-23

Het abortusvraagstuk — zoals een arts het beziet

IN DE meer dan dertigjarige medische ervaring die ik als gewoon chirurg heb gehad, heb ik heel veel gezien. Maar ik was niet helemaal voorbereid op wat ik deze ochtend, 11 augustus 1970, te zien kreeg. Het was de eerste dag dat ik in een ziekenhuis in Brooklyn werkzaam was nadat het voor artsen in de staat New York wettig was geworden abortussen op verzoek uit te voeren.

Toen ik de operatieafdeling naderde om de operatie te verrichten die voor die dag op mijn programma stond, merkte ik eerst de rij raderbaren (bedden op vier wielen) in de gang buiten de afdeling zelf op. Op elk bed lag een jonge patiënte te soezen van de aan de operatie voorafgaande behandeling en wachtte haar beurt af voor een abortus. In de operatieafdeling, die uit drie operatiekamers bestaat, bleek onmiddellijk dat iedereen — artsen, verpleegsters, narcotiseurs, zaalknechten en verscheidene hulpzusters — onder een meer dan gewone spanning werkte om voor de abortusgevallen te zorgen. Deze operaties werden verricht met de snelheid van ongeveer één per vijftien minuten.

Afkeer onder ziekenhuispersoneel

Toen ik het operatieschema voor die dag bekeek, merkte ik op dat mijn geval het enige „wettige” was voor die dag — de andere vierentwintig gevallen waren allemaal abortussen. Het was heel duidelijk dat het operatiepersoneel niet erg ingenomen was met deze situatie. Toen ik zei dat ik mij niet helemaal op mijn plaats voelde, aangezien ik die dag de enige werkelijke chirurgische ingreep verrichtte, kwam een van de narcotiseurs, een arts die mij volkomen onbekend was, in de operatiekamer naar mij toe, pakte mijn hand en schudde die en ging zonder een woord te zeggen weg. Ik vatte dit op als een aanwijzing dat hij mijn afkeer over de situatie deelde.

Tijdens het verloop van de operatieprocedure werd er heel wat over het abortusvraagstuk gesproken. Verscheidenen van de verpleegsters en hulpzusters gaven te kennen dat zij er zo’n afkeer van hadden om onder deze omstandigheden te werken, dat zij erover dachten ander werk buiten de operatiekamer te gaan verrichten. Sommigen spraken er zelfs over de verpleging helemaal vaarwel te zeggen.

Daar de abortuswet van de staat New York toestaat dat zwangerschappen tot de vierentwintigste week worden afgebroken, waren er onder de vierentwintig gevallen die op die dag werden behandeld, verscheidene vrouwen die duidelijk in een vergevorderd stadium van zwangerschap verkeerden. In zulke gevallen is abortus niet de eenvoudige procedure die gewoonlijk wordt gevolgd in het geval van een zwangerschap van vier tot zes weken. Om een zwangerschap van vierentwintig weken te onderbreken, moet er bijna altijd een uterussnede worden toegepast. Dit betekent dat de uterus door middel van een buiksnede geopend wordt en de foetus zoals bij een keizersnede verwijderd wordt. Een van de verpleegsters die bij een aantal van deze gevallen aanwezig was geweest, vertrouwde mij toe dat „de baby wordt verwijderd en in een pan wordt gestopt om te sterven”.

Een foetus van een zwangerschap van vierentwintig weken is natuurlijk al zover ontwikkeld dat hij gemakkelijk te herkennen is als een menselijk schepsel met onderscheiden lichaamsdelen. De foetus kan zich bewegen, geluiden maken en op zijn minst pogingen doen om adem te halen en wordt daarom als een potentieel levensvatbaar individu beschouwd.

Eén zaalknecht vertelde mij dat hij geweigerd had de operatiekamers waar abortussen werden uitgevoerd schoon te maken omdat hij hierdoor zijn geweten met betrekking tot de heiligheid van het leven geweld aandeed. Hij zei dat hij eens toen hij zo’n operatiekamer schoonmaakte het been van een foetus op de grond had gevonden, en anderen op de operatieafdeling bevestigden dat dit zo was. Sindsdien had hij besloten niet meer in de operatiekamers te werken die voor dat doel werden gebruikt. Het was in feite zijn bedoeling helemaal niet meer in het ziekenhuis te werken en een baan in een fabriek te zoeken. Zelfs de assistent-hoofdverpleegster van de operatieafdeling lichtte mij in dat ook zij haar positie vaarwel zei om ander werk te zoeken.

Een jonge Filippijnse arts die voor chirurg werd opgeleid en die mij bij mijn operatie assisteerde, bracht zijn teleurstelling tot uiting over het feit dat hij niet op alle terreinen van de geneeskunde werd opgeleid. Dit kwam doordat er zoveel van zijn tijd werd opgeslokt om voor abortusgevallen te zorgen. Ook hij bracht zijn ontmoediging tot uiting over het feit dat Amerikaanse artsen hun handelwijze trachtten te rechtvaardigen door te zeggen dat het een goede hulp zou zijn om de zogenoemde bevolkingsexplosie te bestrijden. Volgens hem was het voor deze artsen een kwestie van het doel heiligt de middelen.

„Gezonde” patiënten

Toen ik klaar was met mijn operatie bezocht ik mijn patiënte in het vertrek waar operatiepatiënten eerst kunnen bijkomen. Zij was omringd door een zestal slapende ex-moeders, die wanneer zij bijkwamen van het operatievertrek naar de ziekenzaal gebracht zouden worden en daar enkele uren zouden verblijven voordat zij werden ontslagen. Toen ik op het punt stond het ziekenhuis te verlaten, moest ik wel opmerken dat het aanmeldingskantoor er heel onwerkelijk uitzag met een rij gezond uitziende jonge vrouwen die wachtten om toegelaten te worden. Bij het kassaloket stond net zo’n rij om de abortussen van de voorgaande dag te betalen.

Buiten het ziekenhuis bevonden zich veel meisjes en jonge vrouwen, sommigen kwamen en sommigen gingen. In sommige gevallen werden zij vergezeld door oudere vrouwen die hun moeders schenen te zijn. Ik herinnerde mij dat in de medische literatuur (Medical World News van 21 augustus 1970) berichten stonden over een achterstand van 5000 abortusaanvragen in de Newyorkse stadsziekenhuizen, met in sommige ziekenhuizen een wachttijd van zes tot acht weken.

Wiens schuld is het?

Toen ik van het ziekenhuis wegreed, was ik op zijn zachtst uitgedrukt wat geschokt. Tal van vragen die een antwoord eisten, begonnen mijn geest te bestormen. Wiens schuld is het? Wat zal de volgende stap zijn die de mens zal doen wanneer hij bepaalde sociale problemen tracht te corrigeren of de steeds toenemende bevolking tracht tegen te gaan?

Ik dacht aan de artsen die over het algemeen hun aandeel rechtvaardigen door te zeggen dat zij vinden dat zij ongelukkige vrouwen helpen. Maar is dit hun werkelijke of enige motief? Zijn zij er ook niet bij geïnteresseerd zichzelf te helpen, namelijk in financieel opzicht? Velen hebben natuurlijk geweigerd eraan mee te doen. Anderen geven er evenwel alleszins blijk van „specialisten” te worden in een procedure die tot slechts enkele weken geleden als misdadig en immoreel werd beschouwd.

Ik dacht aan de politici die zulke praktijken als abortus legaliseren. Hun treft echter slechts gedeeltelijk schuld, want zij weerspiegelen in werkelijkheid slechts de wil en wensen van hun kiezers — het volk dat zij vertegenwoordigen.

Ik dacht ook aan de kerken der christenheid en hun geestelijken. Hoewel anderen ongetwijfeld in grote mate verantwoordelijk zijn, scheen het mij duidelijk toe dat de geestelijken de grootste verantwoordelijkheid dragen. Het behoort niet tot het recht van de artsen noch tot de plicht van de schoolonderwijzers noch tot het terrein van de wetgevers om mensen morele beginselen bij te brengen of hun een groot ontzag voor het leven in te scherpen. Dit zijn aangelegenheden van religieuze aard en jarenlang heeft men aangenomen dat ze tot de verantwoordelijkheid van de geestelijken behoren.

Hoeveel van de jonge vrouwen die ik deze dag had gezien waren daar voor een abortus omdat hun niet door hun geestelijken was geleerd dat voorechtelijke seksuele gemeenschap in hun eigen bijbel uitdrukkelijk wordt veroordeeld? Hoevelen waren gehuwde vrouwen die een goed aanzien in hun eigen kerk genoten en niettemin blijk gaven van een volledig gebrek aan achting voor het leven van hun ongeboren baby?

Abortussen hebben enkele luide protesten van de zijde van religieuze organisaties ontlokt, maar de kracht van deze proclamaties van afschuw is verloren gegaan in de werkelijkheden van vandaag. Dezelfde mensen die de abortussen uitvoeren, die de wetten met betrekking tot abortussen uitvaardigen en zij die de ongeboren onwettige kinderen verwekken, alsook de vrouwen die worden geaborteerd, zijn voor het merendeel in religieuze gezinnen grootgebracht en heel velen van hen zijn op dit ogenblik achtenswaardige kerklidmaten in de plaats waar zij wonen!

Ik ben ervan overtuigd dat de kerken hebben gefaald. De geestelijken zijn nalatig geweest in hun rol van onderwijzers, raadgevers en ondersteuners van de moraal en de liefde voor het leven. Er bestaat in mijn geest geen twijfel dat de kerken in gebreke zijn gebleven een fundamentele waarheid in de geest en het hart van hun mensen te prenten, namelijk: Het leven is een van onze kostbaarste bezittingen! — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen