Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/2 blz. 25-27
  • Keerpunt in de loopbaan van een priester

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Keerpunt in de loopbaan van een priester
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vroege belangstelling voor religie
  • Opleiding aan het seminarie
  • De bijbel spreekt
  • Zoekend naar hulp
  • De waarheid gevonden
  • Mijn dorst naar God gelest
    Ontwaakt! 1993
  • Eens een katholiek priester — Waarom nu niet meer?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
  • Waarom een priester de kerk verliet
    Ontwaakt! 2015
  • De tendens houdt aan
    Ontwaakt! 1971
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/2 blz. 25-27

Keerpunt in de loopbaan van een priester

Zoals verteld aan een Ontwaak!-correspondent in Venezuela

NA TWEE jaar in het Marialegioen en zeven jaar in een seminarie ter opleiding voor het priesterschap te hebben doorgebracht, werd ik voor een belangrijke beslissing geplaatst. Zou ik de resterende drie jaar doorgaan en een volleerd rooms-katholiek priester worden, of zou ik alles opgeven? De omstandigheden hadden zich tot het punt ontwikkeld dat ik een duidelijke beslissing moest nemen Wat zou die beslissing zijn?

Het was niet zo dat ik mijn liefde voor God had verloren. Ik had nog steeds een zeer levendige belangstelling voor religieuze zaken. Ook was het niet zo dat mijn studie een mislukking was geworden. Integendeel, ik had uitstekende vorderingen gemaakt. Te zamen met anderen in de hoogste klassen van het seminarie mocht ik bij beurten de mis lezen en de zang leiden.

Als ik met vakantie thuis was, werd ik soms gekozen om de subdiaken in onze plaatselijke parochie te vervangen. Dit hield in dat ik een gedeelte van een van de Evangeliën moest voorlezen, het brood en de wijn van de tafel aan de diaken moest aanreiken en het missaal, of boek waarin de volgorde van de gebeden staat aangegeven die elke dag van het jaar bij de mis opgezegd moeten worden, moest verplaatsen. Mijn kennissen waren er trots op een jongeman uit hun midden het altaar te zien betreden om als subdiaken dienst te verrichten. Toen ik bij één gelegenheid in deze hoedanigheid optrad, bleek het juist de inwijding van een kleine kapel te zijn die pas was gebouwd. Ik maakte werkelijk vorderingen in de richting van mijn doel om priester te worden.

Vroege belangstelling voor religie

Voor zover ik mij kan herinneren, was ik altijd al religieusgezind geweest. Mijn familie behoorde in naam tot de rooms-katholieke religie maar was niet erg religieus. Niettemin ging ik dagelijks naar de kerk, waar ik het voorrecht genoot met een groepje jongeren de catechismus te bestuderen. Na verloop van tijd besloot ik mij bij het Marialegioen te laten inschrijven, een organisatie die binnen de kerk functioneert. Met deze organisatie werkte ik samen om andere jonge mensen les te geven over de Maagd Maria, hetgeen ten doel had de Mariaverering te verbreiden.

Zo verstreken er twee jaar, gedurende welke tijd ik grondig bekend raakte met de leerstellingen van het Legioen. Toen sprak de plaatselijke priester mij aan over het gaan naar een seminarie. „Zou je geen priester willen worden?” vroeg hij. „Heb je er al eens over nagedacht naar een seminarie te gaan? Zou je graag een volgeling van Christus willen worden?”

Natuurlijk vond ik het idee om eens priester te worden prachtig, maar ik kon hem niet onmiddellijk antwoord geven. Er waren dingen die in overweging genomen moesten worden. Er moest bijvoorbeeld jaarlijks $550 voor kost en inwoning worden betaald en er moesten boeken voor het eerste jaar worden aangeschaft, wat nog eens een uitgave van zo’n $155 betekende. Waar moest het geld vandaan komen? Bovendien waren mijn ouders er helemaal niet voor dat ik priester zou worden.

De priester hield vol. Hij bood hulp aan in de vorm van een studiebeurs, zodat het grootste gedeelte van de onkosten voor mij betaald zou worden. Ook de tegenstand van mijn ouders werd weerlegd met een schriftplaats die vaak door de priesters werd aangehaald: „Er is niemand, die huis, broers of zusters, vader of moeder, kinderen of akkers om Mij en om het Evangelie verlaat, of hij zal ontvangen: nu in deze wereld . . . het honderdvoud” (Mark. 10:29, 30, katholieke Petrus Canisius Vertaling). Na de aangelegenheid een jaar lang te hebben overdacht, besloot ik de uitnodiging te aanvaarden en er werden regelingen voor mij getroffen om naar het seminarie te gaan.

Opleiding aan het seminarie

Het scheen dat nu mijn liefste wensen vervuld zouden worden. Was het niet te verwachten dat het seminarieleven mij dichter tot God zou brengen en ik antwoord zou krijgen op al mijn gretige vragen omtrent het leven en de toekomst? Maar met het verstrijken van de tijd kwam er desillusie. Ik kreeg niet waarop ik had gehoopt. Bovendien hielden enkelen van de jongens er onuitstaanbare gewoonten op na, praktijken die een bron van bezorgdheid voor mij waren.

Elke dag werd er een bepaald patroon gevolgd. Bij het opstaan om 6 uur v.m. was het eerste wat wij deden, het kruisteken maken, het „Ave Maria” opzeggen en dan naar de mis. Er volgde een periode van meditatie waarbij gewoonlijk het Tweede Vaticaanse Concilie aan een beschouwing werd onderworpen. Daarna repeteerden wij onze lessen voor het klaslokaal. Na het ontbijt werd er anderhalf uur aan het schoonmaken van de zaal en het begieten van de planten besteed. De maaltijden werden in stilte genuttigd, aangezien wij naar geselecteerde voorlezingen moesten luisteren.

De dagelijkse vijf uur van studie in het klaslokaal bleken mij echter geen bevrediging te schenken. Wij kregen weinig hulp om Gods wil te begrijpen. De meeste lessen hadden in elke andere school gevolgd kunnen worden — Latijn, Spaans, kunst, muziek, filosofie, biologie en geschiedenis. Slechts vier uur per week werden aan het onderwijzen van de kerkleer besteed.

Het is waar dat de bijbel werd gebruikt voor het lezen van de Evangeliën en Epistels tijdens de mis. Maar er werd geen uitleg gegeven en de lessen over moraliteit werden niet toegepast om de slechte praktijken van sommigen van de jongens tegen te gaan.

Mijn zuster, die een van Jehovah’s getuigen was, schreef mij vaak brieven waarin zij iets omtrent de bijbel uitlegde, maar ik kreeg deze zelden in handen. Ze werden door de hoofdpriester onderschept. Tijdens vakanties trachtte mijn zuster mij dingen uit de bijbel te verklaren, maar ik nam haar pogingen luchtigjes op. Bovendien waren haar uitleggingen in strijd met de kerkleer.

De bijbel spreekt

In seminarie-inrichtingen is het gewoon om een half uur per dag opzij te zetten voor „geestelijke” lezing, dat wil zeggen, in elk boek waarin het leven van een „heilige” wordt verhaald. Op een bepaalde avond had ik zo’n boek niet bij de hand, dus moest ik terugvallen op mijn zakuitgave van de Nácar-Colunga Vertaling van de bijbel. Niet wetend waar te beginnen, sloeg ik de bijbel op een willekeurige plaats open en begon bij Exodus hoofdstuk 19 te lezen. Alles ging goed totdat ik bij hoofdstuk 20, de verzen vier en vijf kwam.

Wat een verrassing om in het Woord van God een tekst te vinden waarin het maken en aanbidden van beelden wordt veroordeeld! Ik kon mijn ogen haast niet geloven! Ik had de bijbel altijd als heilig beschouwd. Ik sloot de bijbel en peinsde. „Hoe is het mogelijk?” dacht ik bij mezelf. „Hebben ze mij al die tijd bedrogen?” Mijn volgende gedachte was — ”Zo mag ik niet over onze kerkleer denken, want ik zou wel eens in het hellevuur terecht kunnen komen”.

Weer opende ik de bijbel om mijn half uur van lezen vol te maken en ditmaal viel de bijbel open bij Jesaja hoofdstuk 40. Tegen het eind van de toegestane tijd was ik bij Jesaja 42:8 aangeland, waar staat: „Ik ben Jahweh; dit is mijn Naam! Mijn glorie sta Ik aan niemand af, aan geen beelden mijn eer.” Nogmaals besefte ik met een schok dat de bijbel rechtstreeks tot mij sprak en beklemtoonde dat God niet ingenomen is met de aanbidding van beelden. Hoe verward voelde ik mij! Zou het kunnen zijn dat mijn religie zich op het verkeerde pad bevond? Op dat moment kondigde de bel aan dat het tijd was om naar bed te gaan.

Zoekend naar hulp

Er volgde een slapeloze nacht. De volgende ochtend ging ik rechtstreeks naar de bisschop. Ik vroeg hem om een uitleg van Exodus 20:4. Zijn antwoord luidde dat deze tekst deel uitmaakte van de Mozaïsche wet, die door Christus was afgeschaft. Toen wees ik erop dat de Tien Geboden, die deel uitmaken van die wet, aan christenen in hun catechismussen worden geleerd. „Hoe kunt u verklaren dat het ene deel werd afgeschaft en het andere niet?” vroeg ik. Hij opperde dat één deel in het belang van christenen van kracht was gebleven. „Dat is niet mogelijk,” hield ik vol, „want als Christus gekomen is om de wet af te schaffen, dan moet het de hele wet zijn. Hij stuurde mij naar de geestelijke leider wiens taak het is de jongens met hun geestelijke problemen te helpen.

Zijn pogingen om mijn vragen naar bevrediging te beantwoorden, waren op mysteries en filosofieën gebaseerd. Toen ik al heel gauw besefte dat ik hier nooit de waarheid kon leren kennen, besloot ik het seminarie te verlaten. Er werden vele argumenten gebruikt om mij ervan te overtuigen dat ik moest blijven: „Je moet blijven om je metgezellen geen schade te berokkenen. Je weet dat je in een van de hoogste klassen zit en zij nemen daar nota van.” Deze argumenten en nog vele meer werden aangevoerd. Maar mijn besluit stond vast. „Je kunt gaan,” zei hij ten slotte, „maar je kunt niets van hier met je meenemen, en je moet drie dagen wachten.” Later kwam ik erachter dat die tijd werd gebruikt om een uitstapje voor de jongens op touw te zetten, zodat zij er niet zouden zijn wanneer ik vertrok.

De waarheid gevonden

Ik vertrok met niets, zelfs zonder mijn eigen bezittingen, verward en ontdaan. Toen mijn zuster vernam wat er was gebeurd, gaf zij mij het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt en raadde mij aan het zorgvuldig te lezen en met de bijbel te vergelijken. Het duurde niet lang of er werd geregeld een bijbelstudie bij mij geleid, terwijl ik erop stond dat deze drie of vier keer per week werd gehouden. Twee maanden later symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah God door in water gedoopt te worden.

Onmiddellijk ging ik terug naar het seminarie, mijn tas vol met exemplaren van een bepaalde uitgave van het tijdschrift Ontwaakt! waarin het artikel stond „Een open brief aan oprechte katholieken”. De priester trachtte mijn binnenkomst te verhinderen, maar zijn doel werd verijdeld omdat de jongens de een na de ander naar buiten kwamen om mij te begroeten. Ik gaf hun getuigenis en liet veel exemplaren van het tijdschrift achter. Wat was het resultaat? Tweeëntwintig van de jongens besloten het seminarie te verlaten. Zes van hen stemden erin toe een studiecursus in het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt te volgen. Een van hen heeft zelfs de laatste districtsvergadering van Jehovah’s getuigen in Canada bezocht.

Nu zijn de mensen verbaasd wanneer ik bij hen aan de deur kom, niet als een leerling-priester van de katholieke kerk, maar als een van Jehovah’s bevoorrechte getuigen. Hoe gelukkig ben ik dat Jehovah door zijn Woord tot mij gesproken heeft en mij naar zijn organisatie heeft geleid!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen