Eens een katholiek priester — Waarom nu niet meer?
Zoals verteld door Ferdinando Piacentini
„Het leven is kort en ons wacht de dood, alleen het uur is onzeker.
Wat moet er dan worden van hem die zijn enige ziel verliest? . . .
Dit leven loopt spoedig ten eind, maar de eeuwigheid is oneindig.”
DIT eenvoudige kerklied, dat de pastoor ons leerde zingen, riep al toen ik dertien jaar was het verlangen naar godsvrucht en eeuwig leven in mij wakker. Zo kwam het dat ik, mede door de vriendschap van twee anderen met dezelfde neiging, besloot priester te worden.
Ik ben op 8 januari 1925 geboren in Casola, een dorpje in de bergen in de buurt van de stad Montefiorino, in de Italiaanse provincie Modena. Ik was de vijfde van acht jongens in ons middenstandsgezin. Mijn vader, een aannemer, was erop tegen dat ik priester zou worden. Maar ik werd tot het priesterschap aangemoedigd door een van mijn zusters, die een ijverig lid was van de Katholieke Actie en uiteindelijk non is geworden (en nog steeds is).
Het regime op het seminarie
In oktober 1938 ging ik naar het lagere seminarie in Fiumalbo, een stad hoog in de Apennijnen, in de buurt van Modena. Later bezocht ik het hogere aartsbisschoppelijk seminarie in Modena. U vraagt hoe het leven op het seminarie verliep?
Het wordt beheerst door de bel, die door de goede seminarist wordt gehoorzaamd. Wanneer ’s ochtends om half zeven de bel luidde, deed de prefect (de theoloog die het toezicht over de slaapzaal had) de lichten aan. Volgens voorschrift kleedden wij ons ’s ochtends aan en ’s avonds uit onder de dekens.
Als wij ons bed hadden opgemaakt, begaven wij ons, weer op het luiden van de bel, naar de kapel voor het ochtendgebed. Dat bestond uit enkele frasen die in een bepaalde cadans werden voorgelezen en in koor nagezongen. Dit werd gevolgd door ongeveer een half uur meditatie, dan de mis en ontbijt. Daarna kwamen studie, lessen, ontspanning en een wandeling.
Voor het avondeten werd er voorgelezen uit een geestelijk boek over ascetisme. Hierna volgden de rozenkrans en een lied voor de madonna. Na het avondeten en een korte pauze gingen wij weer naar de kapel voor gebed en zelfonderzoek. Ten slotte gingen wij dan naar bed.
De seminaristen moesten elkaar aanspreken met de formele derde persoon, nooit rechtstreeks met hun naam. Het was ons verboden te spreken met een seminarist van een andere slaapzaal. Een andere regel verbood het aanraken van een andere seminarist om wat voor reden dan ook. Wij mochten elkaar bijvoorbeeld geen hand geven en geen hand op de schouder van iemand anders leggen. Als wij met vakantie thuis waren, mochten wij met geen enkel meisje uitgaan, zelfs niet met onze vleselijke zusters.
Angst voor de hel of liefde voor God?
Gedurende die vroege jaren op het seminarie was ik bezeten van het verlangen mij te reinigen van de zonden die ik als kind had begaan. Ik ging dus dikwijls te biecht. Toch moet ik zeggen dat ik meer onder invloed stond van angst voor het hellevuur dan van liefde voor God. Deze angst werd in mijn geest voortdurend gevoed door de verplichte dagelijkse meditatie over het boek Apparecchio alla morte (Voorbereiding op de dood), door S. Alfonso de Liguori. Gedeelten uit dit boek bleven maar door mijn hoofd spoken, vooral de woorden van de XXVI-ste Overdenking:
„Het hellevuur werd door God speciaal geschapen om de verdoemde ziel te pijnigen. . . . Hij zal in vuur worden gedompeld zoals een vis in het water, toch zal het vuur hem niet alleen omringen, maar het zal ook binnendringen in zijn ingewanden om hem te pijnigen. Zijn hele lichaam zal een vuurvlam worden, zodat zijn ingewanden zullen branden in zijn buik, zijn hart in zijn borst, zijn hersenen in zijn hoofd, zijn bloed in zijn aderen en zelfs het merg in zijn beenderen; iedere verdoemde ziel zal zelf een vurige oven worden.”
Begrijpt u waarom ik dag en nacht gekweld werd door gedachten over de eeuwigdurende pijnigingen der hel? Probeer u eens te verplaatsen in de positie van een ontvankelijke puber die men voortdurend angst heeft aangejaagd met de idee van een God die meer weg heeft van een tiran dan van een liefhebbende vader. Ik was aan verwarring ten prooi. Ja, er waren tijden dat ik zelfs twijfelde aan het bestaan van God! Als ik mijn superieuren in vertrouwen nam, zeiden zij: „Mijn zoon, dit zijn beproevingen die God ons zendt om degenen die hij liefheeft op de proef te stellen. Zelfs de grote heiligen hebben twijfels gekend.”
Priester worden
Langzaam verstreken de jaren, en de tijd naderde dat ik een definitief besluit over mijn toekomst moest nemen. Ik begon er steeds meer voor te voelen het seminarie te verlaten. Ik besloot er met de rector over te spreken.
„Als je niet doorgaat met het ambt waartoe je geroepen bent”, antwoordde hij prompt, „verzaak je de goddelijke roeping, net als de rijke jongeling, en loop je ernstig gevaar om voor eeuwig naar de hel te gaan!” Onnodig te zeggen dat zijn woorden over de hel een gevoelige snaar bij mij raakten!
Na veel geestelijke tweestrijd brak de dag aan waarop ik mijn besluit kenbaar moest maken. Diezelfde dag viel een van mijn studiegenoten, die diaken had moeten worden, voor het altaar flauw en moest naar buiten gebracht worden. Misschien voelde hij zich net zo ongelukkig als ik. Hij verliet het seminarie en hoewel ik hem in zekere zin benijdde, ben ik gebleven. Ik besloot door te gaan met mijn roeping.
Het verlangen een goede priester te worden, stimuleerde mij. Ik wilde goeddoen door anderen te helpen God te aanbidden. En zo werd ik op 3 september 1950, op 25-jarige leeftijd, in Modena geordineerd. De volgende zeven jaar heb ik als kapelaan gediend.
In 1957 werd ik als pastoor toegewezen aan Casine di Sestola, een dorpje in de Apennijnen in Noord-Italië. Daar ben ik zeventien jaar pastoor gebleven. Ik denk wel dat de mensen mij een goede priester vonden. Maar ik voor mij voelde mij onbevredigd. Het zal wel absurd lijken, maar het was een feit dat mijn geloof geen fundament had. Zeker, tijdens die twaalf jaar op het seminarie moest ik de bijbel bestuderen. Maar die werd beschouwd als een onderwerp van ondergeschikt belang in vergelijking met andere als ethiek, dogmatische theologie en canoniek recht.
Door twijfel gekweld
Mettertijd begon ik te lezen en te horen over de vernieuwingen die door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) waren teweeggebracht. Mijn verwarring werd nog groter. Nu waren er tegenstrijdige ideeën over wat de hel was. Sommigen huldigden nu de opvatting dat God niemand naar de hel zou sturen, terwijl verstokte traditionalisten betoogden dat het de schuld van de geestelijkheid zou zijn als de misdaad toenam, want zonder geloof in de hel zouden de mensen niet meer zo godvrezend zijn als vroeger. Mijn twijfel groeide.
Begin 1973 abonneerde ik mij op een aantal religieuze tijdschriften, waaronder enige die kritiek leverden op de Rooms-Katholieke Kerk en haar leringen. Nu werd mij steeds duidelijker hoe inconsequent bepaalde kwesties waren. Vroeger bijvoorbeeld was vlees eten op vrijdag verboden. Toen deze leer van de kerk werd gewijzigd, dacht ik: ’Volgens die leer begingen degenen die op vrijdag vlees aten een doodzonde. Voor een doodzonde kan men gestraft worden met hellevuur — een onherroepelijke straf. Maar wat moeten degenen wel denken die nu in de hel zitten omdat zij geen berouw hebben gehad van het vlees eten op vrijdag?’
Ik herinner mij nog een officiële paastoespraak van de paus. Met betrekking tot degenen die het priesterschap aflegden, zei hij: „De individuele gevallen kunnen verschillen, maar over het geheel genomen doen zij die het priesterschap vaarwel zeggen, denken aan Judas en zijn verraad.” Ik was diep beledigd — nee, verontwaardigd! Wat ik in de Kerk zag gebeuren en wat ik erover las, ondermijnde mijn geloof in God. Toen veranderde een onverwachte ontmoeting mijn hele leven.
De waarheid vinden
Ik ging op bezoek bij een vriend die pastoor was in de parochie Roncoscaglia di Sestola in Modena, ongeveer dertien kilometer van Casine, waar ik mijn parochie had. „Raad eens?” zei mijn vriend. „Er woont in ons dorp een gezin van Jehovah’s Getuigen dat zeer veel achting geniet.”
Ik heb dat gezin toen niet leren kennen, maar ik zag wel kans iets van hun bijbelse lectuur in handen te krijgen, waaronder het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Ik las het onmiddellijk en werd getroffen door de eenvoud ervan. De bespreking over de hel hielp mij inzien dat de hel eenvoudig het gemeenschappelijke graf van de gestorven mensheid is. Eindelijk begon een ander idee over God gestalte te krijgen — een God van liefde, niet van pijniging! Meer dan eens kreeg ik kippevel van het gevoel dat ik eindelijk bevrijd werd!
Mijn dorst naar bijbelse waarheid nam toe. Toen ik werd uitgenodigd om met de Getuigen de bijbel te bespreken, aarzelde ik wel enigszins, en indachtig mijn religieuze positie hield ik mijzelf voor: ’Je haalt je wel iets op de hals!’
In de loop van de zeven daaropvolgende maanden heb ik zes bijbelbesprekingen met de Getuigen gehad. De afstand maakte het ons onmogelijk om vaker bij elkaar te komen. Giordano Morini, de Getuige die met mij studeerde, woonde in Formigine in Modena, ongeveer 71 kilometer bij mij vandaan. Maar in die periode las ik de publikaties die hij mij gaf, naast mijn katholieke vertaling van de bijbel. Nu was de bijbel een bron van nieuwe en logische religieuze ideeën die mij tot in het diepst van mijn hart geruststelden.
Gedurende deze periode las ik een artikel in De Wachttoren dat diepe indruk op mij maakte. Onder de titel „Georganiseerd om God te loven”, werd uiteengezet hoe C. T. Russell, de eerste president van het Wachttorengenootschap, toen hij even in de twintig was, diep verontrust was geraakt over de leerstelling van het hellevuur, net als ik. Ook hij had door de bijbel te bestuderen, leren begrijpen dat er geen vurige hel bestaat. De ervaring van Russell maakte mijn verlangen om nauwkeurige kennis van de bijbel te blijven verwerven nog dieper.
„Mensen die God werkelijk liefhebben!”
Toen ik mijn eerste vergadering in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen in Sassuolo bezocht, was ik zeer nerveus. Hoewel ik bijzonder hartelijk werd verwelkomd, hielp mij dat niet over mijn verlegenheid heen. Eerlijk gezegd voelde ik mij als een vis op het droge.
Maar desondanks raakte ik diep onder de indruk van allerlei dingen die ik opmerkte. Ik zag heel eenvoudige volksmensen op het podium. Terwijl zij spraken, dacht ik: ’Zo zouden Petrus, Paulus en andere apostelen geweest kunnen zijn.’ Toen ik de kinderen op het podium zag, kwam mij weer voor de geest hoe Jezus de dringende behoefte had gevoeld over zijn hemelse Vader te spreken toen hij pas twaalf jaar oud was.
Ook werd ik getroffen toen ik zag hoe al die mensen de aangehaalde schriftplaatsen zorgvuldig in hun bijbel opzochten. Later vertelde ik andere geestelijken: „In de vergaderplaatsen van Jehovah’s Getuigen vind je als priester alles wat je ooit hebt gedroomd, namelijk mensen die God werkelijk liefhebben!”
Maar al snel zouden er moeilijkheden, tegenstand en wanbegrip volgen. Ik stak het namelijk niet onder stoelen of banken dat ik de bijbel onderzocht. Daar in Casine sprak ik er openlijk over in mijn kerk en op de dorpsschool waar ik godsdienstonderwijs gaf. Het werd onmogelijk op school te blijven lesgeven, aangezien het hoofd en de onderwijzers de lessen voortdurend kwamen storen. Dus nodigde ik in plaats daarvan de kinderen uit om met hun ouders bij mij thuis te komen. Maar dat riep nog meer tegenstand op!
Moest ik het priesterschap afleggen?
Al spoedig werd mij duidelijk dat ik zelf een beslissing zou moeten nemen — moest ik de Katholieke Kerk voorgoed vaarwelzeggen? Ik had nooit werelds werk gedaan en had geen onderdak. Ook moest ik mij te weer stellen tegen vrienden en familieleden die wilden dat ik mij door een psychiater zou laten onderzoeken, omdat zij ervan overtuigd waren dat ik stapelgek geworden was! Zou ik al die hindernissen kunnen overwinnen? Die moeilijke dagen werden doorgebracht in voortdurend gebed, terwijl ik een van de belangrijkste beslissingen van mijn leven overwoog. — Psalm 55:1-7, 16-18, 22.
Toen kreeg ik onverhoeds bezoek van de vertegenwoordiger van de bisschop en de diocesane consultor. Iemand had hun verteld met welke gedachten ik rondliep. Vreemd genoeg hadden zij nooit zo veel haast gehad om mij op te zoeken, hoewel ik dikwijls ziek was geweest. In weerwil van hetgeen zij te zeggen hadden, deelde ik hun mijn besluit mee. De volgende dag, 19 maart 1974, legde ik op de leeftijd van 49 jaar mijn priesterambt neer.
Terugkeer onmogelijk
Het was niet gemakkelijk werk en onderdak te vinden. Er zijn moeilijke momenten geweest, maar terugkeer was onmogelijk. Het eerste huis waarin ik gewoond heb bijvoorbeeld, verkeerde in een miserabele toestand; er was geen elektriciteit of stromend water. Maar met de liefdevolle hulp van de plaatselijke Getuigen vond ik ten slotte een gerieflijkere woning in Castelnuovo Rangone in Modena.
Uiteindelijk vond ik werk als arbeider in een aardewerkfabriek. Dat was een hele opgaaf voor iemand als ik, die geen zwaar lichamelijk werk gewend was. Nieuwelingen kregen altijd het zwaarste werk toebedeeld, en ik ben zes maanden „nieuw” gebleven!
De God naar wie ik al zo lang had gezocht, gaf mij de kracht om te volharden en vorderingen te maken in nauwkeurige kennis. Negen maanden nadat ik het priesterschap had afgelegd, nam ik het belangrijkste besluit van mijn leven. Ik droeg mijn leven op aan Jehovah God en symboliseerde dit door de waterdoop op 12 januari 1975.
Nu ben ik werkelijk gelukkig. Ik heb de waarheid gevonden. Ik worstel niet meer met verkeerde ideeën of leringen die smaad werpen op God! Ik ga niet meer langs de deuren om druiven, graan, eieren en brandhout te bedelen! Ik doe niet meer de ronde om huizen en veestallen te zegenen en de rituele zegeningsformule uit te spreken, terwijl de huisvrouwen ijverig naar hun beurs zoeken om mij een bijdrage te geven. Nee, nu zijn de bezoeken die ik breng aan de huizen van gezinnen waar ik als pastoor altijd kwam, vreugdevolle, waardige gebeurtenissen. Ik ga erheen om het kostbaarste wat ik bezit met hen te delen — de nauwkeurige kennis van het goede nieuws van Gods koninkrijk!
Bovendien heb ik de vreugde gesmaakt een ijverige christelijke Getuige te trouwen. Te bedenken dat de huwelijksplechtigheid werd voltrokken in dezelfde stad waar ik kapelaan was geweest! Toen ik in ondertrouw ging, vroeg de ambtenaar van de burgerlijke stand: „Wilt u ’s avonds trouwen?” Hij was kennelijk beducht voor een pijnlijke situatie als de ex-kapelaan van de stad in het huwelijk trad. (Maar wij zijn toch overdag getrouwd!) Nu zijn mijn vrouw en ik verbonden met de gemeente Mazanello, in de provincie Modena, waar ik het voorrecht heb als aangestelde ouderling te dienen.
Mijn vrouw en ik hebben bij ons predikingswerk het genoegen gehad de bijbel te bestuderen met verschillende gezinnen die ik vroeger de catechismus had geleerd. Tot op heden hebben zeven gewezen parochianen of familieleden van hen hun leven aan Jehovah opgedragen!
Wanneer het heden zo vol vreugde is en de toekomst zo vol belofte, verzinken de moeilijkheden van vroeger in het niet. Nu, als dienaar van de ware God, Jehovah, heb ik werkelijk vrede en rust gevonden. Daarom breng ik dank aan Jehovah met de woorden van de profeet Jesaja: „Zie! God is mijn redding. Ik zal vertrouwen en niet in angst verkeren; want Jah Jehovah is mijn sterkte en mijn macht, en hij werd mij tot redding.” — Jesaja 12:2.
[Illustratie op blz. 25]
Ik ga niet meer langs de deuren om druiven, graan, eieren en brandhout te bedelen. Ik ga nu om gratis het goede nieuws van Gods koninkrijk te brengen