De Filippijnen in een notedop
Door Ontwaakt!-correspondent op de Filippijnen
ALS een streng parels, uitgestort in de oceaan, strekken de eilanden der Filippijnen zich van noord naar zuid over een afstand van 1850 kilometer uit en vormen een schitterende grens tussen de Grote Oceaan en de Zuidchinese Zee. Niemand weet precies hoeveel eilanden er zijn — door uitbarstende vulkanen worden telkens nieuwe geformeerd en andere worden door de verpletterende golven van de zee vernietigd — daarom zegt men gewoon dat er „meer dan 7000” zijn. Slechts 4000 ervan zijn bewoond, vele andere hebben geen naam of zijn nog nooit door mensenvoeten betreden.
Op deze talloze tropische eilanden leven veertig miljoen mensen die meer dan zevenentachtig dialecten spreken en niet minder dan eenentachtig verschillende bevolkingsgroepen vormen! Amerikaanse, Spaanse, Maleise, Chinese en Arabische invloeden hebben alle hun onmiskenbare stempel op dit gevarieerde en interessante volk gedrukt.
Weinigen van ons hebben tijd en geld genoeg om er maanden aan te besteden om zich met het volk en de cultuur van een ander land vertrouwd te maken. Zij echter die zich maar één dag hier op de Filippijnen zouden kunnen ophouden, kunnen een snelle indruk krijgen van het leven op de hele archipel. Op slechts een steenworp afstand van Manila’s internationale vlieghaven ligt de vijfendertig hectare grote Ang Nayong Pilipino — de Filippijnen in een „notedop”.
Een groep van zes fascinerende „dorpen” beelden de voornaamste gebieden van de Filippijnen af: Moslim, Visayan, Noord-Luzon, Bergprovincie, Bicol en Tagalog. In elk dorp treft men de architectuur, het landschap, en de kunst en nijverheid aan die men in een echt dorp in dat bepaalde gebied kan vinden.
Kleurrijk vervoer
Als wij het park binnenkomen, staan we voor een keur van typisch Filippijnse vervoermiddelen — de kalesa en de jeepney. De kalesa is een kleurrijk, door een paard getrokken rijtuig dat herinneringen oproept aan de negentiende-eeuwse tijd van Spaanse overheersing. Ofschoon in de grotere steden bijna volledig door gemotoriseerde voertuigen verdrongen, zijn door de huidige brandstofschaarste en prijsstijgingen weer steeds meer van die aloude kalesa’s in de drukke dorpsstraten teruggekeerd.
Wij nemen echter een betrekkelijke nieuwkomer: de jeepney. De jeepneys maakten na de Tweede Wereldoorlog opgang, toen het gebrek aan openbare vervoermiddelen even groot was als het overschot aan Amerikaanse legerjeeps. Ondernemende Filippino’s ontdekten dat door het achterstuk te verlengen en er twee lange banken in te maken, een vierwielige minibus ontstond die met gemak de hobbeligste modderwegen en door regen gezwollen rivieren kon nemen. De passagierscapaciteit — mensen, dieren en planten — van de kleine jeepney lijkt onbegrensd en dikwijls wordt er met woeste nonchalance in gereden.
Om ze gemakkelijk te herkennen zijn deze zelfgemaakte bussen met levendig gekleurde taferelen beschilderd en verder is er op de motorkap, zijkanten en bumpers met al even kleurige letters een persoonlijke noot aan toegevoegd in de vorm van spreuken zoals: „Voor altijd de jouwe”, „Geliefde”, of „Lieveling”. Van binnen is het dash-board vaak met een religieuze tekst gesierd, zoals „Weest bereid uw God te ontmoeten”. Voeg daarbij nog een half dozijn glimmend verchroomde spiegels en toeters en u hebt de jeepney, een boeiend mengsel van bruikbaarheid, duurzaamheid en volkskunst.
De Tagalog- en Ilocanostreek
Onze jeepney hier in Ang Nayong Pilipino snelt eerst met ons naar een kopie van het Tagalog-gebied in Centraal- en Zuid-Luzon — de rijstschuur van de Filippijnen. Dit grotendeels vlakke, waterrijke en vruchtbare land brengt in een goed jaar drie buitengewoon rijke rijstoogsten op.
Terwijl wij uit de jeepney klimmen, wordt onze aandacht meteen getrokken door verscheidene schilderachtige huizen met rieten daken, gebouwd op palen, ongeveer twee meter boven de grond. Hoewel de zware regens goed voor de rijstteelt zijn, komen er dikwijls ook overstromingen voor, maar dank zij die palen blijft het gezin en de inboedel in het verhoogde huis hoog en droog. Muren en vloeren van latten en grote vensteropeningen verschaffen wel een maximum aan frisse lucht, maar geen maximum aan persoonlijke vrijheid.
Wij klimmen de trap op en betreden een boerenwoning. De vloer zakt bij elke stap in, doch na een paar benauwde ogenblikken beseffen wij dat de vloer van bamboelatten niet zal breken. Binnen zien wij dat de rijstboeren een goed gebruik maken van de tijd tussen hun drie jaarlijkse zaai- en oogsttijden. Er is een uitstalling van een zeer fijne, bijna doorzichtige piña-stof, gemaakt van de ananasplant, en jusi-stof, gemaakt van bananevezels, ingewikkeld borduurwerk, keramiek en leerwerk, gemaakt van de huid van de karbouw of waterbuffel. Prachtige tafels en kisten van het inheemse hout, narra genaamd (Filippijns mahonie), zijn schitterend ingelegd met been van de karbouw. Dikwijls siert zulk handwerk de dure meubelzaken in de hele wereld. Deze zogenaamde „huisnijverheid” is zo wijdverbreid dat het een van de belangrijkste industrieën van de eilanden is geworden.
Wanneer wij een klein meer met luid kwakende eenden passeren, worden wij herinnerd aan een belangrijke nijverheid in het stadje Pateros: de balutbereiding. Balut is een eendeëi dat gedurende ongeveer twee weken is bebroed en dan, net voordat het uitkomt, wordt gekookt. Straatventers doen goede zaken met het verkopen van balut aan hongerige voorbijgangers, die het hele eendekuiken met veren en al in één hap smakelijk opeten. De meeste Filippino’s vinden balut een ware lekkernij, maar er zijn maar weinig vreemdelingen die er de smaak van te pakken krijgen.
Op weg naar het Ilocano-gebied passeren wij enkele van de meer dan 300 Filippijnse bananesoorten en de nauw daaraan verwante abacaplant, die de wereldberoemde Manilahennep levert. Het nijvere, spaarzame Ilocaanse volk van de nauwe vallei vlak ten noorden van Manila houdt vast aan de vormelijke, forse bouwstijl uit de Spaanse tijd. Het grote huis dat wij hier in Nyon zien, werd steen voor steen van zijn oorspronkelijke plaats in het Ilocaanse gebied overgebracht.
Het Bicolgebied
Een kleine kopie van de 2438 meter hoge vulkaan Mayon overheerst dit terrein, evenals de echte vulkaan dit in het Bicolgebied doet. Men zegt dat de Mayon de meest volmaakte kegelvorm in de hele wereld bezit. In 1814 werd de hele stad Cagsawa bij een uitbarsting onder zes meter steen en gesmolten lava bedolven en verscheidene andere steden en duizenden mensen werden weggevaagd. Een eenzame kerktoren steekt nog door de hard geworden lava heen om ons stilzwijgend aan die ramp te herinneren. „Ja, de vulkaan werkt nog steeds”, wordt ons verteld. De laatste uitbarsting vond in 1968 plaats en evenals bij een groot deel van de vijftig andere Filippijnse vulkanen komt er nog steeds rook uit zijn kraterpijp.
Wonend in de stormachtige tyfoongordel, zijn de Bicolanen zo gewend geraakt aan gierende winden dat zij voor de grap zeggen dat een storm pas een tyfoon is als hij een gehalveerde kokosnoot kan omkeren. Men is nog meer bevreesd voor de wind dan voor overstromingen; daarom moeten de huizen vast in de grond gefundeerd zijn om tyfoonwinden van 200 kilometer per uur te kunnen weerstaan. En ook al gaan bij bepaalde stormen onvermijdelijk alle huizen behalve de allersterkste te gronde, dan verzamelen de blijmoedige Filippino’s weer onmiddellijk alle voorhanden zijnde natuurlijke bouwmaterialen en beginnen opnieuw.
Rondwandelend kunnen wij ons bijna in een van Bicols schilderachtige plantages wanen, omringd door de koning der tropische bomen, de kokospalm, die — nog waardevoller dan geld — de hoorn des overvloeds is voor een Filippijns gezin. Uit de vezels in het midden der bladeren maakt men mooie bezems; van de stam kan een stevige brug of paal of een goedkope waterleidingbuis worden gemaakt; de wortels voorzien in een overvloedige voorraad brandhout. En met een halve schaal van een kokosnoot onder één voet weten Filippijnse vrouwen hun hardhouten vloer een prachtige glans te geven! Uit kokosnootschalen maakt men keukengerei, gitaren, snijwerk, houtskool en eersteklas-gereedschappen. Uit het vlees van de kokosnoot haalt men boter, zeep en olie.
Veel boeren zullen, wanneer er in het gezin een kind geboren wordt, zes kokospalmen planten. Wanneer het kind de schoolgaande leeftijd bereikt, beginnen de bomen vrucht te dragen, waardoor de studiekosten van het kind worden gedekt. Wanneer de bomen ouder worden, geeft hun vruchtopbrengst een goede start aan het leven van de jonge man of vrouw.
Het Visayangebied
In het hartje van de archipel liggen de vriendelijke Visayan-eilanden zich te koesteren in de voorspoed van een groeiende suikerindustrie. Vijfenzeventig percent van alle suiker die op de Filippijnen wordt verbouwd, groeit hier, vooral op het eiland Negros. Huizen in Spaanse stijl met van traliewerk voorziene wandelgangen geven de bezoeker een indruk van het leven in vroeger jaren.
Het dichtst bevolkte eiland Cebu, is het centrum van een levendig historisch verleden. In 1521 zette de Portugese ontdekkingsreiziger Ferdinand Magalhães voor het eerst voet aan wal op het nabijgelegen eiland Homonhon. Eerst ontving hij een warm onthaal, maar de gastvrijheid van de inboorlingen raakte naar aanleiding van een geëiste schatting spoedig uitgeput. Een strijd tussen koning Lapu-Lapu, het opperhoofd van Cebu, en het leger van Magalhães had tenslotte de dood van Magalhães tot gevolg.
Spaanse kolonisten op Cebu richtten later een groot kruis op ter gedachtenis aan Magalhães als de brenger van de westerse religie naar de Filippijnen. Na verloop van tijd gingen bijgelovige mensen denken dat het kruis geneeskracht bezat. Men moest het zelfs in een koepel of schrijn beschermen tegen religieuze fanatiekelingen die een stukje van het „wonder”-kruis wilden hebben. Tot op de dag van vandaag betalen zij die in de kracht ervan geloven, beroepsdansers om vóór de koepel kaarsen te branden en te dansen. Een kopie van dit welbekende symbool van het Visayan-gebied staat hier in Nayong Pilipino tentoongesteld.
Het Moslimgebied
Op het zien van het boeiende dorpje vóór ons, vergeten wij onze vermoeide voeten wanneer wij het kronkelpaadje aflopen dat erheen voert. In scherpe tegenstelling tot de weinig kleurrijke huizen in de andere gebieden, schijnt dit dorp te leven van kleur. De huizen, versierd met vrolijk geschilderd, sierlijk houtsnijwerk — sommige op palen helemaal boven de waterkant — staan alle rondom een witte moskee met vijf rode minaretten. Volgens het mohammedaanse geloof stelt de middelste minaret de islamitische god Allah voor en de kleinere op de hoeken zijn vier dienaren. Binnen in de centrale moskee in elk dorp wordt elke dag op geregelde tijden op een grote bronzen, schijfvormige gong geslagen. Alle dorpelingen keren zich dan in gebed naar de moskee.
Jaren voordat de Spanjaarden naar de Filippijnen kwamen, hadden Arabische zendelingen de eilanden Mindanao, Palawan en Sulu bezocht en veel bekeerlingen gemaakt. Hoewel deze mensen thans slechts 4 percent van de Filippijnse bevolking uitmaken, vormen hun gebruiken stellig een kleurige noot in de Filippijnse samenleving. De kenmerkende kleine fluwelen kap of tulband, kopia genaamd, van de mannen en de lange, wijde broek, of kantio, van de vrouwen, vormen in het oog vallende facetten van het levendige tafereel.
Sommige moslims brengen hun hele leven op het water door met vissen of parelduiken, wonen in huizen op palen boven het water en kopen zelfs hun levensmiddelen van geregeld passerende bancas of boten. Bruggen van planken, tatayas, verbinden de huizen met elkaar om het afleggen van bezoeken te vergemakkelijken.
Niet alle dorpen op Mindanao zijn echter boven het water gebouwd. Veel huizen zijn stevig op vaste grond gevestigd, zoals dit sierlijke huis hier in Nayon. De moslims beweren dat het ingewikkelde houtsnijwerk langs de dakrand „boze geesten” weert. Maar wat zijn die andere kleurrijke uitsnijdingen die als reusachtige vlindervleugels van de zijkanten van het huis uitsteken? Deze olir vormen een openbare aanduiding van de hoge positie van de Datu, ofwel de mohammedaanse regeerder van de gemeenschap, die hier met zijn zonen, de „sultans” woont. De twee kleinere huizen ernaast zijn de woonplaats van de vrouwen van de Datu. Het moslimgeloof staat een Datu, indien hij ze kan onderhouden, vier wettige vrouwen en vier bijvrouwen toe. De acht vrouwen dienen in wat men wel „vriendschappelijke wedijver” noemt samen te wonen.
De begraafplaatsen van de moslims zijn eveneens opvallend. Boven elk graf is een voorwerp geplaatst dat een symbool van het leven van de overledene vormt. Boven het graf van een visser kan men bijvoorbeeld een boot vinden. Het graf van een vrouw is dikwijls versierd met een spiegel, hetgeen op ijdelheid duidt!
De Bergprovincie
Van het grote zuidelijke eiland Mindanao moeten wij een heel eind reizen naar de Bergprovincie in het noorden van het eiland Luzon. Hier in Nayong Pilipino zijn het echter maar een paar stappen. Hoog in de bergen van die provincie woont een gehard volk dat, onder tropisch koele bergtemperaturen en tussen steile berghellingen, een van de wereldwonderen heeft aangelegd: de beroemde rijstterrassen van Banawe. Honderden jaren geleden heeft men met eenvoudige werktuigen, hard werken en veel geduld het ene terrasvormige rijstveld na het andere uit de bijna loodrechte berghellingen gehakt, en een ingewikkeld bevloeiingssysteem ontworpen van watervallen die van terras naar terras stromen. Als ze achter elkaar gelegd zouden worden, zouden ze tienmaal zo lang zijn als de grote Chinese Muur, zo lang als de halve aardomtrek — 22.530 kilometer!
De met rieten daken bedekte huizen in dit gebied zijn op vier stevige palen gebouwd met aan de bovenkant van elke paal een rond houtblok tegen de ratten. Als de ladder van het huis omlaag is, zijn bezoekers welkom en kunnen zij boven komen. Binnen is een haard aangelegd; daar wordt het voedsel gekookt en de familie slaapt er. Tijdens de hitte overdag brengen zij de meeste tijd onder het huis door met weven en houtsnijwerk. Bijzonder populair zijn afbeeldingen van karbouwen en van oude krijgsmaskers, herinnerend aan de tijd dat koppensnellen nog een aanvaard onderdeel van het leven was.
Het huis is klein omdat de kinderen er niet lang blijven wonen. Met de puberteit worden de jonge mannen overgebracht naar slaapzalen voor mannen, atos genaamd, en de jonge vrouwen naar een afzonderlijke slaapzaal die zij ulog noemen. Mettertijd wordt er een proefhuwelijk geregeld, maar indien het paar het niet met elkaar blijkt te kunnen vinden of kinderloos blijft, wordt het niet officieel bevestigd. Alleen als alles goed gaat, wordt een officieel huwelijk gesloten.
Nu is het echter avond geworden en voor ons tijd om Nayong Pilipino te verlaten — wij hebben de Filippijnen in een notedop gezien. Onze geest houdt zich nog bezig met de verschillende ongewone dingen die hier tentoongesteld zijn. Of men zich nu in het bruisende stadsleven van Manila bevindt of onder de stammen in de Bergprovincie, men kan zich niet onttrekken aan de magnetische charme van het eenvoudige doch boeiende leven op de Filippijnen.
[Illustratie op blz. 17]
Een typerend huis uit het Tagalog-gebied
[Illustratie op blz. 20]
Huizen van de Bergprovincie