Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 15/11 blz. 694-696
  • Waarom kunnen sommige zonden niet vergeven worden?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom kunnen sommige zonden niet vergeven worden?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Vergelijkbare artikelen
  • Hebt u zich schuldig gemaakt aan een onvergeeflijke zonde?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Jehovah vergeeft rijkelijk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Zal God me vergeven?
    Vragen over de Bijbel
  • Een God die ‘graag vergeeft’
    Nader dicht tot Jehovah
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 15/11 blz. 694-696

Waarom kunnen sommige zonden niet vergeven worden?

TOEN de Duitse dichter Heinrich Heine op zijn sterfbed lag en terugblikte op het losbandige leven dat hij had geleid, stelde hij zichzelf gerust met de gedachte: „God zal mij vergeven. Dat is zijn zaak.” Toen Heine dit zei, beaamde hij slechts wat de Engelse dichter Pope een eeuw voordien had gezegd: „Vergissen is menselijk, vergeven goddelijk.”

Het is waar dat Jehovah God er behagen in schept te vergeven. Zo schreef de profeet Micha: „Wie is een God als gij, een die dwaling vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat? Hij zal stellig niet voor eeuwig aan zijn toorn vasthouden, want hij schept behagen in liefderijke goedheid.” Mozes en David getuigden op overeenkomstige wijze van Gods bereidheid om te vergeven. — Micha 7:18: Ex. 34:6, 7; Ps. 103:2, 3.

Wij moeten uit zulke schriftplaatsen echter niet de conclusie trekken dat God zozeer behagen in barmhartigheid schept dat hij bereid is alle zonden te vergeven, ongeacht de aard ervan. Waarom niet? Omdat Jehovah niet alleen een God van liefde is, maar ook van wijsheid en gerechtigheid. Indien hij alle zonden zou vergeven, zou dit noch wijs noch rechtvaardig zijn, en dat zijn Gods wetten nu juist precies, opdat er vrede en orde in zijn universum kunnen heersen.

Indien God alle zonden zou vergeven, zou dit erop neerkomen dat hij tot zondigen zou aanmoedigen. Het zou zijn wetten in werkelijkheid doelloos, zinloos en nutteloos maken. Hoe dat zo? Indien allen die de verkeerswetten overtreden, bijvoorbeeld goedgunstig vergiffenis zouden ontvangen, waarom zou men zich er dan nog druk om maken zulke wetten te ontwerpen?

Jehovah God heeft de mens geschapen met het recht zijn vrije wil te laten gelden; dat wil zeggen, hij heeft hem het vermogen gegeven om het goede van het kwade te onderscheiden door hetzij Gods wet te gehoorzamen òf het kwade te doen door deze wet ongehoorzaam te zijn, terwijl de mens hierbij de vrijheid kon gebruiken om zelf te kiezen. De vrijheid om te kiezen, hield echter ook in dat men aansprakelijk was voor zijn daden. Daarom zei Jehovah God, nadat hij tot Mozes over Zijn grote liefderijke goedheid en Zijn bereidheid om te vergeven had gesproken: „Maar hij zal geenszins vrijstelling van straf geven.” Jehovah verwees hier echter niet naar de straf van de eeuwige vernietiging. — Ex. 34:7.

Toch verklaart de apostel Johannes dat er zonden zijn die ’de dood met zich brengen’, dat wil zeggen, waardoor men wèl de eeuwige vernietiging verdient, zodat het voor anderen geen zin heeft om te bidden of zulke zonden vergeven mogen worden (1 Joh. 5:16, 17). Waardoor wordt bepaald of een zonde wel of niet vergeven kan worden? Door de aard en de omstandigheden ervan. Tot de zonden die Jehovah ongetwijfeld niet heeft vergeven, behoren die van Adam en Eva. Als een beproeving op hun waardering had God hun een eenvoudig gebod gegeven: zij mochten niet van de vrucht van een bepaalde boom eten; en hij waarschuwde hen voor de gevolgen die het zou hebben wanneer zij er wel van zouden eten. Zij waren naar lichaam en geest volmaakt geschapen. Toch zijn zij moedwillig en opzettelijk ongehoorzaam geweest. Zij konden ter verontschuldiging niet aanvoeren dat zij onwetend waren, zoals de apostel Paulus later kon doen, en ook konden zij zich niet op overgeërfde onvolmaaktheid en de neiging tot zondigen beroepen, zoals koning David kon doen. Welke basis bestond er dus op grond waarvan Adam en Eva’s zonden vergeven konden worden? Hier bestond beslist geen enkele basis voor!

Een van de beruchtste voorbeelden van een onvergeeflijke zonde was die welke door Judas Iskáriot werd bedreven. Judas had Jezus gedurende twee of meer jaar vergezeld; hij had Jezus’ onderwijs gehoord en hem wonderen zien verrichten en hij wist dat Jezus de Zoon van God was. Hij moet ook hebben opgemerkt dat de gehele groep evangelisten uit oprechte, eerlijke en onzelfzuchtige mannen bestond. Ondanks dit alles was Judas echter een huichelaar, een opzettelijke en moedwillige dief. En hij verried Jezus niet louter uit zelfzucht, maar ook uit wrok, omdat Jezus het had goedgevonden dat Hij met kostbare olie was gezalfd. Hij was geërgerd omdat dit gebruik van het geld voor olie hem beroofde van een nieuwe gelegenheid om te stelen, aangezien hij het geld van het groepje van Jezus’ discipelen beheerde. Doordat hij zijn hart zo had verhard, was hij te ver gegaan om nog om goddelijke vergeving te kunnen vragen. Om deze redenen verwees Jezus naar hem als de „zoon der vernietiging”. — Matth. 26:6-16; Joh. 12:1-8; 17:12.

Tot de andere zonden die niet vergeven konden worden, behoorden die van de schriftgeleerden en Farizeeën, die Jezus vervolgden en ter dood lieten brengen. Zij konden door wat Jezus onderwees en de wonderen die hij verrichtte, zien dat hij door God was uitgezonden (Joh. 3:2; 14:11). Omdat hij hun huichelarij echter aan de kaak stelde, waardoor zij hun zelfzuchtige greep op het gewone volk dreigden te verliezen, schreven zij zijn werken boosaardig aan Satan de Duivel toe. Jezus zei over hun zonde: „Spreekt iemand tegen de heilige geest, het zal hem niet worden vergeven, neen, niet in dit samenstel van dingen noch in het toekomende.” — Matth. 12:31, 32.

Ja, toen deze mannen Gods heilige geest in Jezus aan het werk zagen — toen hij demonen uitwierp, de zieken genas en de doden opwekte — en zij hatelijk opmerkten dat hij dit door de macht van de Duivel zelf deed, lasterden zij inderdaad Gods heilige geest. Zeer terecht bestrafte Jezus hen met de woorden: „Slangen, adderengebroed, hoe zult gij het oordeel van Gehenna ontvlieden? — Matth. 23:33.

Dat ware christenen ervoor op hun hoede moeten zijn geen onvergeeflijke zonden te begaan, blijkt duidelijk uit de woorden van de apostel Paulus: „Want het is onmogelijk om hen die eens voor al verlicht zijn geweest . . . en die deelgenoten zijn geworden van heilige geest . . . maar die zijn afgevallen, wederom tot berouw te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw aan een paal hangen en hem aan openbare schande blootstellen.” En wederom: „Want indien wij moedwillig zonde beoefenen na de nauwkeurige kennis van de waarheid te hebben ontvangen, blijft er geen slachtoffer voor zonden meer over, maar is er . . . een vurige jaloezie die de tegenstanders zal verteren.” — Hebr. 6:4-6; 10:26, 27.

Dat een christen zonden kan begaan die niet door God worden vergeven, dient voor alle christenen een gezonde waarschuwing te zijn om hun hart te behoeden zodat zij zich nooit aan dergelijke zonden schuldig zullen maken. U gelieve echter op te merken dat, behalve in het geval van de volmaakte Adam en Eva, zulke zonden onveranderlijk betrekking hadden op niet slechts één zonde, maar de beoefening van zonde. Zo hebben sommige christenen die geschipperd hebben toen zij in nazi-Duitsland en Liberia onder druk werden gezet, naderhand berouw gehad, waarna bleek dat zij van Jehovah God vergiffenis hadden ontvangen. Zowel koning David als de apostel Petrus hebben vergeving ontvangen, hoewel zij ernstige zonden hadden begaan, maar zij hadden er geen gewoonte van gemaakt zulke zonden te beoefenen.

Zolang wij diep in ons hart getroffen zijn en oprecht berouw hebben en er moeite voor doen meer in overeenstemming met Gods maatstaven te leven, kunnen wij troost putten uit de geruststellende woorden: „Indien wij . . . in het licht wandelen zoals hij in het licht is, . . . [reinigt] het bloed van Jezus, zijn Zoon, . . . ons van alle zonde.” Van alle zonde? Ja, van alle zonden die wij zouden kunnen begaan terwijl wij in het licht wandelen, want als wij dit doen, kunnen wij ons niet schuldig maken aan het begaan van moedwillige, onvergeeflijke zonden (1 Joh. 1:7). En wij kunnen ook troost putten uit het feit dat Jehovah veel begrip heeft en er behagen in schept om door bemiddeling van Christus barmhartigheid ten toon te spreiden. — Ps 103:8-14; Micha 7:18, 19.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen