Jehovah zegent het wanneer zijn koninkrijk op de eerste plaats wordt gesteld
„Er is niemand die . . . ter wille van het goede nieuws huis of broers of zusters of moeder of vader . . . heeft verlaten, die niet nu, in deze tijdsperiode, honderdvoudig zal ontvangen, . . . en in het komende samenstel van dingen eeuwig leven.” — Mark. 10:29, 30, NW.
1. Wat kan er gezegd worden over de handelwijze waartoe Jezus zijn volgelingen in Matthéüs 6:33 aanspoorde?
IN ZIJN bergrede sprak Jezus Christus de vermanende woorden: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken.” Door zijn volgelingen zo dringend toe te spreken, moedigde hij hen ertoe aan niet alleen de juiste, liefdevolle en onzelfzuchtige handelwijze te volgen, maar ook te doen wat verstandig was. — Matth. 6:33, NW.
2, 3. Welke toekomstige en tegenwoordige beloningen belooft Gods Woord ons als wij Gods koninkrijk op de eerste plaats stellen?
2 Dat het van ware wijsheid getuigt Gods zaak en koninkrijk de eerste plaats in ons leven te laten innemen, wordt in de Schrift herhaaldelijk onder onze aandacht gebracht. Zo geeft de apostel Paulus ons de aansporing: „God is niet onrechtvaardig, zodat hij uw werk en de liefde die gij voor zijn naam hebt getoond, . . . zou vergeten. Maar wij begeren dat een ieder van u dezelfde naarstigheid aan de dag legt om tot het einde toe de volle verzekerdheid van de hoop te hebben, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt van hen die door geloof en geduld de beloften beërven.” — Hebr. 6:10-12, NW.
3 Niet dat de zegeningen voor het op de eerste plaats stellen van Gods koninkrijk tot de toekomst zijn beperkt. Absoluut niet! Jehovah stelt ook tegenwoordig zegeningen in het verschiet voor degenen die zijn koninkrijk op de eerste plaats stellen. Ja, „godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen”, daar ze niet alleen voor het „toekomende” leven „een belofte inhoudt”, maar ook voor ’het tegenwoordige leven’. Zelfs gedurende dit huidige goddeloze samenstel van dingen is het waar dat „de zegenende ziel . . . overvloedig [wordt] verkwikt, wie laaft, wordt ook zelf gelaafd”. Heeft Jezus bovendien niet beloofd dat degenen die alles ter wille van het goede nieuws hadden achtergelaten, ’in deze tijdsperiode honderdvoudig zouden ontvangen’? En schreef Paulus niet dat „wie mildelijk zaait, . . . ook mildelijk [zal] oogsten”? Zeer zeker! — 1 Tim. 4:8, NW; Spr. 11:25; Mark. 10:29, 30; 2 Kor. 9:6, NW.
SCHRIFTUURLIJKE VOORBEELDEN
4. Welke beloningen heeft Mozes ontvangen en zal hij nog ontvangen omdat hij Gods zaak in zijn leven op de eerste plaats stelde?
4 Deze schriftuurlijke beginselen en beloften worden bevestigd door de voorbeelden die in Gods Woord worden aangetroffen. Neem, om slechts een van de in de Hebreeuwse Geschriften voorkomende voorbeelden te noemen, de profeet Mozes. Wat genoot hij, „omdat hij de smaad van de Christus een grotere rijkdom achtte dan de schatten van Egypte”, een grote voorrechten! Hij werd door Jehovah gebruikt om tien verwoestende plagen over de wereldmacht Egypte uit te storten en om zijn volk uit de gevangenschap aan Egypte te bevrijden en hen veilig door de Rode Zee te leiden, welke zee de Egyptenaren insloot toen Mozes er alleen maar zijn hand over uitstrekte. Twee maal heeft hij veertig dagen op de ’berg Gods’ doorgebracht en door bemiddeling van een engel met Jehovah gesproken. Hij zou de wetgever bij uitnemendheid genoemd kunnen worden; ter zelfder tijd werd hem het voorrecht geschonken meer van Gods Woord op te tekenen dan elk andere menselijke schepsel dat ooit heeft geleefd. Door ruimtegebrek kunnen niet nog meer van zijn voorrechten en zegeningen worden genoemd, om nog maar niet te spreken over datgene wat nog voor hem in het verschiet ligt: een vroege opstanding en het voorrecht om in Gods nieuwe ordening van dingen als vorst dienst te verrichten. En dit alles omdat Mozes Gods zaak op de eerste plaats stelde! — Hebr. 11:26, NW; Ex. 24:18; 34:28.
5, 6. Welke zegeningen heeft Jezus ontvangen omdat hij zijn eigen, in Matthéüs 6:33 opgetekende raad opvolgde?
5 Dan zijn er de voorbeelden in de christelijke Griekse Geschriften van Jezus en zijn apostelen. Wat vielen Jezus een zegeningen en vreugden ten deel omdat hij op dertigjarige leeftijd Gods wil verkoos te doen in plaats van een zelfzuchtige, materialistische handelwijze te volgen! Het bijbelse verslag geeft ons niet zo veel details, maar wij hebben niet een bijzonder vruchtbare en levendige fantasie nodig om in het bijbelse bericht te zien hoe Jezus’ leven van vreugde vervuld moet zijn geweest. Een arts of chirurg is thans erg blij wanneer hij erin slaagt iemand die ernstig ziek of arbeidsongeschikt was en schijnbaar niet was te genezen, zijn gezondheid en kracht terug te geven. Jezus kon dit echter dag in dag uit doen, ja, gedurende de drie en een half jaar van zijn bediening heeft hij dit ongetwijfeld vele duizenden malen gedaan. Wat moet het zijn hart een vreugde hebben geschonken toen hij zag dat allerlei ziekten bij de aanraking van zijn hand verdwenen! Zelfs dode personen werden door hem opgewekt! — Matth. 11:5, NW.
6 Zijn geestelijke gezondheidsprogramma was zelfs nog belangrijker. Wat moet het hem een vreugde hebben geschonken te zien hoe de arme Lazarus-klasse, de oprechte en getrouwe maar verachte en nederige joden, in een toestand van Gods gunst — door Abrahams boezem afgebeeld — werden gebracht! Nog kostbaarder was zijn voorrecht te mogen sterven ten einde de mensheid los te kopen, en het grootste voorrecht was wel dat hij de naam van zijn Vader mocht eren en rechtvaardigen door ondanks alles wat Satan de Duivel over hem kon brengen, zijn rechtschapenheid te bewaren! Aangezien het, zoals hij zelf had gezegd, meer geluk schenkt te geven dan te ontvangen, wat moet hij, met zijn van geven vervulde leven, dan wel een geluk hebben gekend! Er bestaat geen twijfel over dat Jehovah God zijn Zoon Jezus rijkelijk heeft gezegend omdat hij zijn eigen raad om Gods koninkrijk eerst te zoeken, heeft opgevolgd.
7. Op welke wijze zegende Jehovah de apostelen omdat zij Gods koninkrijk de eerste plaats in hun leven toekenden?
7 De apostelen hebben Jezus’ voorbeeld in dit opzicht gevolgd, en heeft Jehovah ook hen hiervoor gezegend? Zeer zeker. Wat werden die vier nederige vissers bekwame, moedige en onbevreesde bedienaren van het evangelie! Alleen al op de pinksterdag in 33 G.T.a werden „drieduizend zielen toegevoegd”, terwijl hun aantal kort hierna „steeg tot ongeveer vijfduizend”. „Wat meer zegt, er bleven gelovigen in de Heer toegevoegd worden, menigten van zowel mannen als vrouwen.” „Zo bleef het woord Gods groeien, en het aantal discipelen in Jeruzalem bleef sterk toenemen” en zelfs „een grote schare priesters werd het geloof gehoorzaam”. En wat zou u van alle wonderen zeggen die de apostelen konden verrichten? — Hand. 2:41; 4:4; 5:14; 6:7; 3:1-10; 9:32-42, NW.
JEHOVAH ZEGENT ZIJN ZICHTBARE ORGANISATIE IN DEZE TIJD
8. Op welke wijze brengt Jehovah zijn werk op aarde ten uitvoer, zoals uit welke schriftuurlijke en hedendaagse voorbeelden blijkt?
8 Jehovah God heeft zijn werk op aarde altijd op een ordelijke, georganiseerde en harmonieuze wijze ten uitvoer laten brengen. Noachs gezin werkte met hem samen, evenals Abrahams grote huishouding met hem samenwerkte; en te beginnen met Mozes had Jehovah God een gehele natie die hem vertegenwoordigde, ja, degenen die hiertoe behoorden, werkten met elkaar samen om zijn doel op aarde te bevorderen. Hetzelfde gold in de dagen van Christus en in de dagen van zijn apostelen, en het geldt ook in deze tijd. De feiten tonen aan dat er een organisatie van christelijke getuigen van Jehovah is, een organisatie die het eeuwige goede nieuws predikt en door Jehovah wordt gezegend. Deze christenen bedienen zich voor het uitgeven van hun lectuur van de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania en zij worden zelf geleid door een groep opgedragen en gezalfde volgelingen van Christus, die door Jezus „de getrouwe en beleidvolle slaaf” werd genoemd. — Matth. 24:45-47, NW.
9. In welke mate heeft Jehovah de georganiseerde krachtsinspanningen van zijn volk om zijn koninkrijk in hun leven nummer één te laten zijn, in 1964 gezegend?
9 In het jaar 1964 waren er over de gehele wereld ruim een miljoen predikers die „het eeuwige goede nieuws” tot „een getuigenis voor alle natiën” bekendmaakten. In 194 landen en eilanden in de wereldzeeën hebben zij in 162 verschillende talen gepredikt en bijbelse lectuur verspreid, terwijl zij hier ruim 162 miljoen uren aan hebben besteed. Zij brachten ongeveer 55 miljoen nabezoeken bij de mensen en er werden ruim 740.000 bijbelstudies in de huizen der mensen geleid die van één tot vier keer per maand werden gehouden. — Openb. 14:6; Matth. 24:14, NW.
10-12. Welke zegeningen zijn Gods volk ten deel gevallen omdat zij deze handelwijze hebben gevolgd?
10 Hun ijver heeft tot gevolg gehad dat zij via radio- en televisieprogramma’s en de nieuwsbladen bekendheid hebben verworven bij het grote publiek. De wereldlijke autoriteiten beginnen de methoden waarop zij hun werk verrichten steeds meer te erkennen, en steeds meer mensen lezen over hen in encyclopedieën en woordenboeken. Dat zij ondanks de krachtige tegenstand die zij ontmoeten, zulke resultaten boeken, kan alleen maar worden toegeschreven aan het feit dat Jehovah’s zegen op hen rust omdat zij zijn koninkrijk op de eerste plaats stellen. — Jes. 54:17.
11 Dat Jehovah’s zegen op de organisatie rust die zijn koninkrijk de eerste plaats toekent, blijkt ook uit de vele vreugdevolle vergaderingen die de hierbij aangesloten personen elk jaar hebben kunnen houden — kring- en districtsvergaderingen en nationale en internationale congressen. Deze vergaderingen hebben ertoe geleid dat Jehovah’s naam en koninkrijk werden bekendgemaakt en dat de christelijke bedienaren van het evangelie die deze vergaderingen bezochten, buitengewoon werden aangemoedigd. Dit was vooral waar met betrekking tot de vierentwintig vergaderingen die gedurende de zomer van 1963 over de gehele wereld werden gehouden.
12 Dat Jehovah’s zegen op deze christenen rust, blijkt verder nog uit de wettelijke strijd die zij in hun pogingen om het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen, in vele landen hebben gevoerd en in heel veel gevallen hebben gewonnen. Ook dient niet over het hoofd te worden gezien dat zij gewelddadige handelingen van het gepeupel en andere vormen van vervolging hebben verduurd. Gedurende de Tweede Wereldoorlog en kort daarna hebben zij hier vooral in de Verenigde Staten en Canada hevig last van gehad. In de afgelopen paar jaar hebben door priesters opgestookte menigten de getuigen in Mexico en Cyprus mishandeld; ook hebben Jehovah’s getuigen onlangs in verschillende delen van Afrika plotseling met gewelddaden te kampen gekregen, terwijl het hun in zulke landen als Spanje, Portugal en Cuba nog steeds erg moeilijk wordt gemaakt. — Matth. 24:9; Fil. 1:7, NW.
ACHTER HET IJZEREN GORDIJN
13, 14. Welke uitwerking heeft vervolging van de Getuigen in Rusland gehad?
13 Een bijzonder opvallend voorbeeld waaruit blijkt dat het Jehovah’s zegen heeft wanneer wij zijn koninkrijk op de eerste plaats stellen, wordt verschaft door de getuigen van Jehovah in Rusland en in andere landen achter het IJzeren Gordijn. Walter Kolarz, een autoriteit op het gebied van het hedendaagse Rusland, getuigt hiervan in zijn boek Religion in the Soviet Union, onder de titel Godsdienst in de Sowjet-Unie in Nederlandse vertaling verschenen bij „Nederland’s Boekhuis N.V.” te Tilburg, waarin hij acht en een halve bladzijde wijdt aan Jehovah’s getuigen en de krachtsinspanningen van het communistische regime om hen te onderdrukken. Hij zegt onder andere:
14 „De sowjetregering had geen beter middel kunnen bedenken om de verspreiding van de sekte te bevorderen dan de deportatie van haar leden. Verlost uit hun dorpsisolement, werden de Getuigen in een wijdere wereld gebracht, ook al was het enkel de verschrikkelijke wereld van koncentratiekampen en dwangarbeid. . . . Toen het regime in 1955 de amnestie afkondigde, . . . verschenen [zij] opnieuw in alle westelijke sowjetrepublieken. Zij stichtten nieuwe organisaties in . . . het Verre Oosten en de republiek Komi, . . . in Siberië en vooral in Kazachstan. . . . In de mijnsteden Karaganda en Dzjezkazgan alsook in Tekeli in de provincie Taldy-Koergan, die aan China grenst. . . . Kortom, de Russische tak van Jehovah’s Getuigen mag beschouwd worden als een van de sterkste ter wereld en er is zeker ook geen enkele andere tak die van de zijde van de overheid zoveel tegenstand èn publiciteit ondervindt. . . .
15. Op welke wijze hebben de Getuigen in Rusland er blijk van gegeven zo omzichtig als slangen te zijn?
15 De verschillende takken van Jehovah’s Getuigen in de USSR blijven met elkaar in nauw kontakt. Dit kontakt wordt onderhouden met behulp van brieven, waarin men een eenvoudige, maar hoogst karakteristieke kode gebruikt. Plaatselijke afdelingen worden aangeduid met ’familie’, de organisatie in haar geheel met ’moeder’, propagandaliteratuur met ’voedsel’ en het ontvangen van die literatuur met ’oogsten’. De sowjetautoriteiten hebben de bijbelse naam ’Ammonieten’ gekregen. Dit laatste kodewoord zal wel niet toevallig gekozen zijn. Het schijnt dat Jehovah’s Getuigen hier een passage uit Ezekiel (25,: 2) voor de geest hebben gehad: ’Mensenkind, richt uw gelaat naar de Ammonieten, en profeteer tegen hen.’ . . .
16-18. Welke bevestiging bezitten wij met betrekking tot de georganiseerde en moedige ijver van Jehovah’s volk in Rusland?
16 Maar ondanks de foto’s die de kranteartikelen tegen de [Getuigen] illustreerden, zal het Russische publiek moeilijk hebben kunnen geloven dat er in de Sowjet-Unie mensen waren die het waagden geschriften tegen het regime te vervaardigen en te verspreiden. Geen enkele andere groepering in Sowjet-Rusland, hetzij van godsdienstige, hetzij van politieke aard, heeft er inderdaad ooit aan gedacht op zo’n grote schaal in woord en geschrift illegale propaganda te voeren. De ijver en de moed waarmee Jehovah’s Getuigen hun geloof propageren, komen ook weer voort uit hun vreemde [?] teologische denkbeelden. . . .
17 Zij houden nauwkeurig het aantal leden bij, de verspreide literatuur, de uren die aan bijbelstudie worden gewijd, en zelfs de frekwentie waarmee de traditionele huis-aan-huis-akties van Jehovah’s Getuigen worden gevoerd. Het is op zichzelf al een wonder dat deze akties in de Sowjet-Unie mogelijk zijn, te meer omdat ze voor een illegale organisatie een groot risiko insluiten. Maar althans bij één van de tegen hen gevoerde processen werden Jehovah’s Getuigen er van beschuldigd vreedzame burgers in hun huizen te hebben lastiggevallen. . . . Evenals elders grijpen de [Getuigen] in Rusland iedere gelegenheid aan om het ’koninkrijk van Jehovah’ te verkondigen. Zij proberen bekeringswerk te verrichten waar zij ook zijn, in winkels en kolenmijnen, in bus en trein en op straat. . . .
18 Juist deze overtuiging schenkt de [Getuigen] hun morele en ideologische kracht en heeft hen in staat gesteld de meest doeltreffende en wijdverspreide illegale organisatie te vormen die er ooit onder het sowjetbewind heeft bestaan. . . . In Kazachstan werden zelfs tape recorders gevonden die gebruikt werden voor het opnemen van preken.”
19. Wat wordt door de reputatie die Jehovah’s getuigen in Rusland opbouwen, aangetoond?
19 Wie kan, zulk een verslag in aanmerking genomen, loochenen dat Jehovah zijn volk zegent wanneer het zijn koninkrijk op de eerste plaats stelt? Dit alles is niet in hun eigen kracht tot stand gebracht, maar door Gods heilige geest, zoals wij lezen: „’Niet door een militaire strijdmacht, noch door kracht, maar door mijn geest’, heeft Jehovah der legerscharen gezegd.” — Zach. 4:6, NW.
JEHOVAH’S ZEGEN OP AFZONDERLIJKE PERSONEN
20. Welke schriftuurlijke beginselen zijn op de verantwoordelijkheid en de beloning van Jehovah’s dienstknechten van toepassing?
20 Is het, aangezien Jehovah God de organisatie die zijn koninkrijk op de eerste plaats stelt, zegent, niet redelijk te verwachten dat hij ook afzonderlijke personen die dit doen en die te zamen een dergelijke organisatie vormen, zou zegenen? Dit is zeer beslist het geval en wordt ook duidelijk door de feiten aangetoond. Deze individuele christenen verrichten in verscheidene hoedanigheden dienst, en elke soort van dienst heeft geheel eigen zegeningen of zegeningen die in overeenstemming zijn met de beschikbare gelegenheden waarvan voordeel wordt getrokken. Dit stemt overeen met de door Jezus bekendgemaakte beginselen: „Ja, van een ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist; en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft gegeven, zal men meer dan gebruikelijk is, eisen” en „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen”. — Luk. 12:48; Hand. 20:35, NW.
21, 22. (a) Op grond van welke geldige redenen kunnen niet allen volle-tijdpredikers zijn? (b) Welke zegeningen vallen hun desondanks ten deel wanneer zij Gods koninkrijk de eerste plaats in hun leven toekennen?
21 Verreweg de meesten van deze christenen, die een aandeel hebben aan de prediking van het eeuwige goede nieuws van Gods koninkrijk, kunnen slechts een klein deel van de uren dat zij wakker zijn aan dit werk besteden. Dit kan te wijten zijn aan gezinsverplichtingen, zoals vaders en moeders die hebben, of omdat zij nog erg jong of zeer oud zijn, terwijl het ook door fysieke zwakte kan komen. Wat de reden echter ook mag zijn, ongeveer 96 percent van de om en nabij één miljoen die aan de prediking deelnemen, zijn zulke gedeeltelijke-tijdverkondigers of gemeenteverkondigers, aan wie in overweging is gegeven zich een predikingsdoel van tien uur per maand te stellen.
22 Alhoewel hun tijd beperkt is, zijn hun liefde, toewijding en ijver niet beperkt, en daarom maken zij een verstandig gebruik van elke gelegenheid die zich voordoet. Zij doen vele interessante ervaringen op wanneer zij van huis tot huis prediken of getuigenis geven aan vak- of zakenlieden, die hen wellicht bezoeken of met wie zij zaken doen, en aan degenen met wie zij op hun werk in contact komen. Door Gods koninkrijk de eerste plaats in hun leven toe te kennen, ontvangen zij vele zegeningen van Jehovah. Zo besteedt een Latijns-Amerikaanse vader van tien kinderen meer dan vijftig uur per maand aan het prediken van het eeuwige goede nieuws, ja, hij leidt vijf wekelijkse bijbelstudies, terwijl hij elke week ook veel bijbelse lectuur verspreidt. Of deze gedeeltelijke-tijdverkondigers nu echter vijftig of vijf uur per maand getuigenis geven, zij ontvangen allen troost uit het schriftuurlijke beginsel dat God van een ieder verlangt te geven „naar hetgeen men heeft, niet naar hetgeen men niet heeft”. — 2 Kor. 8:12, NW.
DE VOLLE-TIJDBEDIENING
23. Welke zegeningen vallen de volle-tijdpredikers die als reizende vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap dienst verrichten, ten deel?
23 Degenen wier omstandigheden dusdanig zijn dat zij hun ijver en waardering ten toon kunnen spreiden door aan de volle-tijdbediening deel te nemen, zoals de ongeveer tweeduizend bedienaren van het evangelie die als reizende vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap dienst kunnen verrichten, zijn in alle opzichten veel meer bevoorrecht. Zij ontvangen vele voorrechten en vreugden wanneer zij de verschillende gemeenten en kringen bezoeken en niet alleen de afzonderlijke predikers dienen, door hen te helpen tot rijpheid te groeien, maar ook de gemeenten bijstaan en tijdens de grote vergaderingen van Jehovah’s volk dienst verrichten. Er bestaat geen twijfel over dat zij door Jehovah worden gezegend en een rijk en vol leven leiden omdat zij Gods koninkrijk in hun leven nummer één laten zijn.
24. In welk opzicht zijn de volle-tijdbedienaren van het evangelie die op de Bethelhuizen dienst verrichten, speciaal gezegend?
24 Ongeveer 1500 christelijke bedienaren van het evangelie genieten het voorrecht dienst te verrichten in de zogenoemde Bethelhuizen, die met de bijkantoren zijn verbonden. Zij besteden ruim achtenveertig uur per week aan kantoor- of drukkerijwerk, ten einde christelijke bedienaren van het evangelie van bijbels en bijbelverklarende lectuur te voorzien of hen in andere opzichten hulp te bieden. Anderen in deze huizen voorzien in de behoeften van hun broeders die aldus werkzaam zijn door als koks, verpleegsters en huishoudsters dienst te verrichten. Ook zij worden zeer gezegend, aangezien zij als een deel van een christelijke familie, die in grootte kan variëren van slechts een handvol tot meer dan zevenhonderd werkers, in een christelijke omgeving kunnen leven en aangezien zij al hun energie aan Gods koninkrijkswerk kunnen besteden en zich geen zorgen behoeven te maken over hun materiële behoeften. Terzelfder tijd kunnen deze bedienaren van het evangelie in een zelfs nog vollediger mate aan de velddienst deelnemen dan de meesten van hun broeders.
25. (a) Hoe velen verrichten dienst als zendelingen en speciale pioniers? (b) Aan welke vereisten moeten zij voldoen, en welke zegeningen vallen hun ten deel?
25 Dan zijn er ook bedienaren van het evangelie die volle-tijdwerkers zijn in de velddienst, namelijk de pioniers. Hiertoe behoren ongeveer 7900 pioniers die elke maand 150 of meer uur aan de velddienst besteden; zij zijn vrij om overal te dienen waar ze nodig zijn en zij ontvangen financiële bijstand, zodat zij zo veel van hun tijd aan hun bediening kunnen besteden, hetzij als zendelingen, hetzij als speciale pioniers. Hun valt onder andere de vreugde ten deel dienst te mogen verrichten in het buitenland of waar geen georganiseerde gemeente bestaat, zodat zij, evenals de apostel Paulus, in de ware zin des woords pionieren, terwijl ook de mogelijkheid bestaat dat zij, afgezien van hun velddienst, zwakke gemeenten mogen helpen. — 2 Kor. 10:16, NW.
26. Hoe velen verrichten dienst als gewone pioniers, welk urenaantal stellen zij zich ten doel en welke zegeningen ontvangen zij?
26 De grote meerderheid van de volle-tijdbedienaren van het evangelie, ruim 35.000, zijn echter pioniers die elke maand ongeveer honderd uur of meer aan de bediening besteden en ter zelfder tijd gewoonlijk in hun levensonderhoud voorzien door een bijbaantje te hebben of door zich van hun gezinsverplichtingen te kwijten, zoals in het geval van huisvrouwen die als pioniersters dienst verrichten. Zij ontvangen vele zegeningen wanneer zij dagelijks van huis tot huis gaan, nabezoeken brengen en huis-bijbelstudies leiden, minder ervarenen opleiden en zich — als opzieners of een van de dienaren in de bediening — van hun verplichtingen ten opzichte van de plaatselijke gemeente kwijten. — Fil. 1:1, NW.
DE VAKANTIEPIONIERSDIENST
27, 28. (a) Door welke voorziening kunnen gedeeltelijke-tijdverkondigers zich tijdelijk in de volle-tijdbediening verheugen, en wat zijn de vereisten voor deze dienst? (b) Voor wie staat deze dienst vooral open?
27 Nog een gezegend voorrecht, dat steeds meer Getuigen gaan bezien als een gelegenheid waarvan zij voordeel kunnen trekken, is de vakantiepioniersdienst door middel waarvan gedeeltelijke-tijdverkondigers één of meer maanden de vreugden en zegeningen van de volle-tijdbediening kunnen ervaren. De minimum-vereisten hiervoor zijn dat men zes maanden lang een actieve en gedoopte prediker moet zijn geweest en in staat moet zijn om in twee weken tijd vijftig uur en gedurende de resterende twee weken van een maand nog eens vijfentwintig uur aan de prediking te besteden. De meeste vakantiepioniers besteden honderd uur aan de prediking, die grotendeels van huis tot huis wordt verricht.
28 Verscheidenen hebben van deze voorziening voordeel getrokken terwijl zij vijf dagen per week acht uur per dag aan werelds werk moesten besteden. Dit voorrecht wordt echter speciaal aanbevolen aan schoolgaande jongeren die vakantie hebben, huisvrouwen, seizoenarbeiders en gepensioneerden, ja, aan allen die het voor elkaar kunnen krijgen om aldus ’de gelegen tijd voor zich zelf uit te kopen’. Sommigen hebben er voordeel van getrokken gedurende een tijdelijke werkeloosheidsperiode of wanneer zij wegens een staking zonder werk zaten. Velen hebben ook het voorrecht ingezien voordeel van deze bediening te trekken wanneer de reizende vertegenwoordiger van het Genootschap, de kringdienaar, hun gemeente bezocht.
29, 30. Hoeveel vakantiepioniers hebben gedurende april 1965 dienst verricht, en op welke manieren heeft hun activiteit zowel hen zelf als anderen tot voordeel gestrekt?
29 In april 1965 waren er alleen in de Verenigde Staten reeds 25.448 van zulke vakantiepioniers ingeschreven. Een dergelijke toegenomen activiteit, waarbij zulke personen Gods belangen de eerste plaats in hun leven toekenden, kwam allen ten goede. Velen van degenen die als vakantiepioniers werkzaam zijn geweest, hebben sindsdien meer tijd aan de bediening kunnen besteden, zoals een van zulke predikers, die voordien gemiddeld 9,6 uur per maand aan de bediening besteedde maar zijn gemiddelde tot 21 uur heeft opgevoerd; vooral de kwaliteit van hun bediening is echter verbeterd. Dan zijn er weer anderen die als resultaat van hun dienst als vakantiepioniers hebben ingezien dat zij het voorrecht hebben geregelde volle-tijdpredikers te worden. Ook voor jongeren die gedurende hun schooljaren als vakantiepioniers werkzaam zijn geweest, is het een gemakkelijke stap om na de voltooiing van hun schoolstudie de volle-tijdbediening op zich te nemen.
30 Dat sommigen als vakantiepioniers dienst konden verrichten, is ook zeer gunstig geweest voor de anderen in de gemeente met wie zij omgingen. Vakantiepioniers hebben hulp kunnen bieden bij het opleiden van anderen; zij hebben anderen tot meer ijver kunnen aansporen en hebben zelf meer en beter gepredikt, met als resultaat dat hele gemeenten grote vorderingen maakten in alle takken van de Koninkrijksbediening. Er zijn vooral goede resultaten geboekt wanneer dit facet van de bediening goed door de gemeenteopziener werd ondersteund.
31. Op welke wijze heeft Jehovah er blijk van gegeven zich aan zijn beloften en beginselen te houden?
31 Er bestaat geen twijfel over, Jehovah houdt zich aan zijn beloften. Hij heeft in zijn Woord gezegd dat degenen die overvloedig zaaien, overvloedig zullen oogsten, en dit wordt in deze tijd ten volle door de ervaringen van zijn Koninkrijksverkondigers bevestigd. Terzelfder tijd geeft hij ons ook de verzekering dat hij van een ieder van ons alleen maar verwacht dat wij geven naar wat wij hebben, niet naar wat wij niet hebben. De twee geldstukken van zeer geringe waarde die de weduwe in de schatkist in Jeruzalem wierp toen Jezus toekeek, zijn in Gods ogen minstens even aanvaardbaar als de vele dollars, guldens of ponden van de welgestelden van thans, en dit beginsel is ook van toepassing op onze tijd en energie (Luk. 21:1-4, NW). In de mate dat iedereen geeft naar wat hij kan geven, in die mate kan hij verwachten dat hij door Jehovah rijkelijk gezegend zal worden met ’een zegen die rijk maakt en waaraan Jehovah geen pijn toevoegt’. Vele afzonderlijke christelijke bedienaren van het evangelie, die aldus gezamenlijk dienst verrichten, vormen een organisatie die niet alleen gezegend zál worden, maar thans reeds zegeningen van Jehovah ontvangt. — Spr. 10:22, NW.
„Jezus zei dan tot hen: ’Komt achter mij en ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.’ En terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden hem.” — Markus 1:17, 18, NW.
[Voetnoten]
a Zie Ontwaakt! van 8 augustus 1965, blz. 16.