Waarom blijven prediken?
HOE vaak wordt Jehovah’s getuigen, wanneer zij in hun predikingsactiviteit van huis tot huis gaan, de vraag niet gesteld: „Waarom komen jullie toch steeds weer? Wij hebben geen belangstelling.” En het kan zijn dat sommigen die reeds enkele jaren in een gebied prediken waar de meerderheid der mensen definitief geen belangstelling heeft, zich hetzelfde beginnen af te vragen: „Waarom blijf ik prediken? Wat is het nut ervan? De mensen hebben geen belangstelling.”
Het juiste antwoord op deze vragen krijgen, is van levensbelang. Het betekent leven voor u zelf en voor degenen die naar u luisteren (1 Tim. 4:16, NW). Het is de Schepper, Jehovah God, die het predikingswerk van onze tijd heeft voorzegd, het is Jehovah die heeft voorzegd dat een steeds groter wordende schare van mannen en vrouwen een aandeel eraan zou hebben, en het is Jehovah die de bedoeling van dit werk duidelijk heeft gemaakt, de middelen ervoor heeft verschaft, de aansporing ertoe geeft en zijn geest schenkt, waardoor het volbrengen van het predikingswerk in onze tijd vergemakkelijkt wordt.
Het is waar dat een van de doeleinden van het prediken van het goede nieuws is dat oprechte personen geholpen worden redding te verkrijgen, maar dit is niet het enige doel. Wanneer derhalve vele personen in een gebied de boodschap verwerpen, vormt dit er geen reden voor met het werk op te houden. Het tegenwoordige predikingswerk heeft vele doeleinden: 1. degenen die luisteren, helpen redding te verwerven, 2. Jehovah’s dienstknechten op aarde een gelegenheid geven om hun liefde te tonen en hun rechtschapenheid te bewijzen, 3. tot alle mensen een waarschuwingsboodschap met betrekking tot Gods toekomstige oordeelsvoltrekking tegen kwaaddoeners prediken, en 4. de grootse naam en het grootse voornemen van Jehovah God over de gehele wereld verkondigen en rechtvaardigen.
ANDEREN HELPEN REDDING TE VERKRIJGEN
Dat de predikingsactiviteit een middel van redding is voor degenen die willen luisteren, blijkt duidelijk uit Joël 2:28-32 en Romeinen 10:13-15 (NW), waar wordt voorzegd dat degenen die de naam van Jehovah aanroepen, gered zullen worden, en opdat mensen dit kunnen doen, moet er iemand tot hen prediken. Het brandende verlangen om de mensen te helpen gered te worden, dient een aansporing te zijn waardoor Jehovah’s getuigen worden aangemoedigd te blijven prediken. En wanneer oprechte personen gunstig reageren en Gods wil trachten te leren kennen, is dit de aanmoediging die de Getuigen nodig hebben om met het werk voort te gaan. Maar wat nu indien iemand deze positieve resultaten niet bereikt en geen goede gesprekken met de mensen kan hebben? In de eerste plaats dient de Getuige zijn eigen onderwijsmethoden te analyseren en te trachten deze te verbeteren. Hij zal zich afvragen of hij voldoende voorbereid is om goede toespraakjes te houden. Is hij vriendelijk en enthousiast aan de deur? Geeft hij de andere persoon een kans om te spreken en reageert hij op wat de ander heeft gezegd? Zijn zijn woorden altijd opbouwend? Dat goede resultaten voor een groot deel afhankelijk zijn van de persoon die predikt, blijkt uit de raad die Timótheüs werd gegeven om met de „kunst van onderwijzen” te werk te gaan. — 2 Tim. 4:2; 2:24, 25, NW.
De christelijke getuige zal er ook aan denken dat mensen die vandaag geen belangstelling hebben of er zelfs tegen gekant zijn naar zijn boodschap te luisteren, de volgende maal wanneer hij aanbelt, misschien anders reageren. De herhaalde bezoeken die door Jehovah’s getuigen worden gebracht en de tot geloof inspirerende woorden die zij spreken en de werken des geloofs die zij aan de dag leggen, kunnen in de geest van de toehoorder geleidelijk een beeld van Gods voornemen opbouwen en aldus belangstelling wekken. Ook veranderen de wereldtoestanden en maken de mensen dagelijks andere dingen mee, waardoor nieuwe geesteshoudingen ontstaan, en dit alles kan tot resultaat hebben dat er een gunstige reactie op de prediking van het goede nieuws komt. Maar wanneer Jehovah’s getuigen ermee zouden ophouden van huis tot huis te prediken enkel en alleen omdat de meerderheid tegen de boodschap is, zouden deze personen niet in de gelegenheid worden gesteld voordeel te trekken van hun veranderde denkwijze. Daarom moeten wij blijven ’onderzoeken wie het waard is’ (Matth. 10:11, NW). Het aantal personen dat zich ieder jaar als nieuwelingen met Jehovah’s getuigen verbindt, op hun congressen, hun openbare lezingen en andere speciale vergaderingen, toont aan dat er nog vele duizenden bijeenvergaderd moeten worden. Wanneer wij met prediken zouden ophouden omdat velen de boodschap thans verwerpen, zou dit er in zeker opzicht op neerkomen dat wij al deze personen veroordelen als onwaardig om leven te ontvangen. Het zij verre van ons dit ooit te doen.
BEWIJS VAN LIEFDE EN RECHTSCHAPENHEID
Nog een doel dat met het getuigenisgeven wordt beoogd, is, dat de christen hierdoor een gelegenheid krijgt om zijn liefde voor Jehovah en zijn medemens te tonen, een kans om onder beproeving zijn rechtschapenheid te bewijzen. Ten einde Gods goedkeuring te verwerven, moet men dankbaar zijn voor het leven en de zegeningen ervan. Dankbaarheid doet liefde voor God ontstaan en dit vormt voor een christen het motief om, wanneer hij van Gods goedheid vertelt, vrijmoedigheid van spreken te hebben. „Op deze wijze is de liefde bij ons tot volmaaktheid gebracht, dat wij vrijmoedigheid van spreken hebben op de oordeelsdag” (1 Joh. 4:17, NW). Stellig is het de hoedanigheid van liefde waardoor personen ertoe worden bewogen het bevel ten uitvoer te brengen: „Bezingt Jehovah, zegent zijn naam. Vertelt van dag tot dag het goede nieuws van de van hem afkomstige redding. . . . Schrijft aan Jehovah de heerlijkheid toe die tot zijn naam behoort.” — Ps. 96:2-8; 115:1, NW.
Maar hoe staat het met degenen die zich misschien zorgen maken omdat zij vinden dat zij in dankbaarheid en liefde te kort schieten? Dezen dienen de gewoonte te vormen na te denken over de wonderbaarlijke zegeningen die zij van God hebben ontvangen — bewust bestaan, denkvermogen, gezichtsvermogen, gehoor en vele andere dingen. Zulk een meditatie heeft tot gevolg dat men in liefde voor God groeit. Ook wordt iemand geholpen zijn motieven zuiver te maken en liefde aan te kweken, door te blijven prediken, gecombineerd met zelfonderzoek en de hulp van Gods geest. Ofschoon het blijven prediken een verdrukking voor ons kan gaan vormen, dienen wij te bedenken dat verdrukkingen tot volharding kunnen leiden, wat ons weer ’volkomen en in alle opzichten ongeschonden doet zijn, in niets te kort schietend’ (Jak. 1:3, 4, NW). „Laten wij ook juichen terwijl wij in verdrukkingen zijn, daar wij weten dat verdrukking volharding voortbrengt, volharding vervolgens een goedgekeurde toestand, de goedgekeurde toestand vervolgens hoop, en de hoop leidt niet tot teleurstelling, want de liefde Gods is in ons hart uitgestort door middel van de heilige geest, die ons werd gegeven” (Rom. 5:3-5, NW). „Streeft de liefde na”, zegt de Schrift (1 Kor. 14:1; 1 Tim. 6:11, 12; 2 Tim. 2:22, NW). Liefde is een hoedanigheid die wij kunnen aankweken doordat wij ’als weerklank van onze zijde ernstig elke krachtsinspanning bijdragen’ (2 Petr. 1:5-7, NW). Ze wordt ten toon gespreid door onze gehoorzaamheid aan de waarheid. — 1 Joh. 5:3, NW.
EEN WAARSCHUWINGSBOODSCHAP
Een derde reden om met prediken voort te gaan ondanks oppositie, is, om degenen die niet willen veranderen, voor het toekomstige oordeel te waarschuwen. Ook al hebben zij hun standpunt ingenomen, zij moeten voortdurend worden gewaarschuwd. Een oordeelsboodschap moet gepredikt worden. De meerderheid van de mensen wil wellicht niet luisteren. Zij willen de oordeelsboodschap wellicht aan de kant doen en daardoor hun „vrede” behouden, maar toch moeten zij tot het besef van hun verantwoordelijkheid worden gebracht. Zij beschouwen dit misschien als een ’inbreuk op hun privé-leven’, evenals de Israëlieten die genoeg hadden van Jesaja’s prediking en over wie staat geschreven: „Het is een weerspannig volk, . . . kinderen die de wet des HEREN niet willen horen; die tot de zieners zeggen: Gij zult niet zien; en tot de schouwers: Gij zult voor ons de waarheid niet schouwen, spreekt tot ons aangename dingen, schouwt begoochelingen; wijkt af van den weg, buigt af van het pad, doet den Heilige Israëls weg uit onze ogen” (Jes. 30:9-11). Maar de prediking van Gods toekomstige oordeel moet voortduren zodat hun minachting van zijn voornemens en zijn wetten zich volledig ontpopt.
Wij moeten niet alleen „goed nieuws aan de zachtmoedigen” en „het jaar van goede wil van de zijde van Jehovah” prediken, maar ook „de dag van wraak van de zijde van onze God” (Jes. 61:1, 2; Openb. 14:6-12, NW). Evenals Ezechiël moeten Jehovah’s getuigen tot personen blijven prediken, „of zij horen dan wel het nalaten”, en ondanks tegenstand moeten zij hiermee voortgaan. Zij zullen „naar u niet willen luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren . . . vrees hen dan niet en wees niet beangst voor hun blik” (Ezech. 2:5-7; 3:4, 7-9). Jesaja en Jeremia ondervonden dezelfde vooruitzichten van onverschilligheid en tegenstand (Jes. 6:9, 10; Jer. 1:17-19). Toch bleven deze drie genoemde profeten prediken, en dit ondanks tegenstand en gedurende respectievelijk 22, 43 en 67 jaar.
JEHOVAH’S NAAM EN VOORNEMEN BEKENDMAKEN
En ten slotte beschouwen wij in verband met deze redenen hier ons vierde en allerbelangrijkste doel van het predikingswerk, namelijk het bekendmaken van Jehovah’s naam en voornemen. Hierop wordt de nadruk gelegd in de uitdrukking: „Zij zullen weten, dat Ik de HERE ben”, welke uitdrukking ten minste zestig maal in Ezechiëls profetie voorkomt. Datgene wat Jehovah in Exodus 9:16 bekendmaakt, moet in de tijd van het einde worden vervuld; zijn naam moet ’op de gehele aarde worden verkondigd’. Het is noodzakelijk om te blijven prediken zodat alle mensen over Jehovah blijven horen en zijn naam, zijn liefderijke hoedanigheden en barmhartige voorzieningen voor de mens blijven vernemen en ook steeds ingelicht blijven over zijn vereisten met betrekking tot rechtvaardigheid en gerechtigheid. Ofschoon de meerderheid Jehovah wenst te vergeten, bestaat het werk van zijn getuigen erin de Schepper in de geest van de mensen levend te houden. Het goede nieuws van het Koninkrijk is een getuigenis voor alle mensen en een basis voor hun oordeel, en daarom moet deze boodschap door de wereldomvattende maatschappij van Jehovah’s getuigen, die hun liefde voor Jehovah en hun ijver voor rechtvaardigheid tonen door dit werk te doen, voortdurend gepredikt worden. De woorden ’Gij zijt mijn getuigen’ zijn van toepassing op opgedragen christenen, geestelijke Israëlieten, in deze tijd van het einde (Jes. 43:10-12). Nimmer mag een van ons gelijk een trouweloze getuige zijn die vanwege vrees voor tegenstand op het beslissende punt van een belangrijke rechtszaak weigert voor waarheid en rechtvaardigheid te getuigen. Dit betekent niet dat wij er aan de deuren op zullen staan te praten wanneer personen definitief zeggen dat zij geen belangstelling hebben, maar het betekent wel dat wij ermee zullen voortgaan terug te komen om te zien of wij belangstelling kunnen opwekken.
Onze prediking volbrengt in deze tijd het doel ervan. Duizenden personen worden ieder jaar uit deze wereld vergaderd en zij worden onderwezen hoe zij Jehovah moeten dienen en eeuwig leven kunnen verwerven, en er zijn er nog heel velen die in de toekomst bijeenvergaderd kunnen worden. Of anderen nu willen luisteren of niet, het is toch zo dat wanneer er van de naam van Jehovah melding wordt gemaakt, de mensen automatisch denken aan een volk dat van huis tot huis predikt en spreekt over eeuwig leven op een paradijsachtige aarde, de laatste dagen, Jehovah’s vernietiging van de goddelozen te Armageddon, het einde van de bestemde tijden der natiën en het jaar 1914 als het begin van de tweede tegenwoordigheid van Jezus Christus. Zij denken aan een volk dat vasthoudt aan de morele maatstaven van de bijbel met betrekking tot huwelijk en echtscheiding, gezinsleven en zakelijke aangelegenheden; een volk dat neutraliteit handhaaft met betrekking tot politieke en militaire aangelegenheden van deze wereld; een volk dat over de gehele wereld christelijke liefde beoefent; een volk dat ernaar streeft reine, zuivere aanbidding te handhaven en dat ten koste van hun vrijheid of zelfs ten koste van hun leven vasthoudt aan hun religie; een volk dat vasthoudt aan Gods vereisten met betrekking tot het gebruik van bloed. Hierdoor wordt bewezen dat zowel het gedrag als de prediking van Jehovah’s getuigen de mensen verantwoordelijk stelt voor het op de hoogte zijn van de wil van God. Het is precies zoals het met Noach was, die door zijn godvruchtige gedrag, werken des geloofs en prediking „de wereld veroordeeld” heeft. — Hebr. 11:7, NW.
Maar de mensen worden tegenwoordig voortdurend met allerlei soorten van propaganda, politieke, commerciële en andere soort van propaganda, gebombardeerd. Indien Jehovah’s naam hun niet voortdurend werd voorgehouden, zouden zij deze spoedig vergeten en hij zou verdrongen worden door de namen van welbekende persoonlijkheden in de wereld van de politiek, de sport en het amusement. Indien de prediking zou ophouden, zou de boodschap van Gods koninkrijk spoedig vergeten worden door mensen die worden blootgesteld aan de ene propagandagolf na de andere, bedolven als ze zouden worden onder lege politieke algemeenheden, banale toneelstukken en tandpasta-advertenties. Voorwaarts echter met de prediking, en telkens wanneer er onverwachts op de deur wordt geklopt, zullen de mensen denken dat Jehovah’s getuigen er misschien zijn. Wanneer zij aan Jehovah’s naam denken, denken zij aan zijn voornemens en toekomstige oordelen, ook al zouden zij er slechts over spotten.
Een onderdeel van Jehovah’s barmhartige voorziening voor redding is het onderhouden van een voortgezette predikingsveldtocht. Zelfs aan hen die niet geloven, moet verteld worden over de voltrekking van het goddelijke oordeel, dat nu zo vlak voor de deur staat. En het is het voorrecht van Jehovah’s getuigen dit predikingswerk te verrichten. Ja, daarom moeten Jehovah’s getuigen blijven prediken totdat Jehovah zelf dit werk in Armageddon tot een einde brengt. „Hoe lang, o Jehovah?” Jesaja 6:11, 12 (NW) geeft het antwoord: „Totdat de steden werkelijk in puin vallen, om zonder inwoner te zijn, en de huizen zonder aardse mens zijn, en de grond zelf tot een woestenij wordt gemaakt.”