Nimmer onwettig strijden of met de wereldomvattende prediking ophouden
1. Wat zullen wij in onze strijd voor de vrijheid om te prediken, wel en wat zullen wij niet doen?
JEHOVAH’S getuigen nemen nimmer hun toevlucht tot illegale of onwettige middelen in de strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken. Verschaffen wij, Zijn getuigen, ons zelf recht? Neen! Wij keren ons niet tegen de regeringsautoriteiten. Wij dringen niet met geweld door het IJzeren Gordijn heen! Wij berokkenen de autoriteiten geen schade, en wij bewapenen ons niet ten einde ons tegen hen te kanten. Wij zijn er geen voorstanders van de regering door kracht of geweld door middel van mensen of groepen mensen omver te werpen. Dit is zelfs zo wanneer die regering ons door God gegeven werk dat bestaat in het prediken van het goede nieuws van het Koninkrijk, onderdrukt. Wij maken slechts gebruik van die strijdmiddelen welke overeenkomstig de wet van het bepaalde land ter beschikking staan. Veronderstel dat wij niet wettig kunnen strijden overeenkomstig de een of andere procedure, omdat de wet van een land hierin niet voorziet. Wij trachten dan niet de regering te herzien of te veranderen of er tegen in opstand te komen.
2. Welke handelwijze kan in bepaalde landen worden gevolgd, waarom, en wie bepaalt zulk een gedragsregel?
2 In sommige landen zijn de regeringen zo onstabiel, of is de oppositie tegen de waarheid zo groot, dat het niet verstandig is in het openbaar of openlijk te prediken. In zulke landen kan er geen toevlucht worden genomen tot de gerechtshoven, en de autoriteiten zullen onze rechten niet beschermen. Wij weten dat opschudding of moeilijkheden aldaar tot gevolg kunnen hebben dat het werk spoedig wordt verboden. De reden is, dat de Katholieken aan de macht zijn of dat er een totalitaire regering is. In sommige landen is het alleen ten gevolge van de vriendelijke tussenkomst der autoriteiten dat het werk van huis tot huis mag worden voortgezet. Straatprediking is verboden. In zulk een situatie wordt er niet aangedrongen op het recht om op straat te prediken. Het Genootschap bepaalt dit. Deze gedragsregel wordt nimmer door de plaatselijke broeders vastgesteld. In zulke plaatsen aan te dringen op het recht, straatwerk te doen, zou slechts de spoedige oplegging van een verbodsbepaling forceren. Het kan zijn dat de autoriteiten hierdoor een einde maken aan de van-deur-tot-deur-prediking van het goede nieuws. In zulke landen bidden wij „betreffende koningen en allen die een hoge positie bekleden, opdat wij mogen voortgaan een kalm en rustig leven te leiden met volledige godvruchtige toewijding en ernst.” — 1 Tim. 2:1, 2, NW.
3, 4. (a) Hoe wordt het predikingswerk doorgevoerd in landen waar het onwettig is van deur tot deur te gaan? (b) Welke redenen en Schriftuurlijke ondersteuning zijn er voor het volgen van zulk een handelwijze?
3 In sommige landen is het onwettig om in het openbaar met de lectuur van deur tot deur te werken. Ten einde strijd met de autoriteiten en een volledig verbod te vermijden, kan het zijn dat het Genootschap voorschrijft het getuigenisgeven te beperken tot mondelinge prediking met de Bijbel. De mensen van goede wil worden aldus geïdentificeerd of gekentekend. Later worden zij wederom bezocht en wordt hun de gelegenheid gegeven de publicaties te ontvangen waarin Gods Woord wordt onthuld. Dit geschiedt op een geschikte tijd. Dit geschiedt in de eenzaamheid van hun huis en uit het gezicht van de vijand. Is het niet veel verstandiger om in sommige landen de verspreiding van de lectuur in het openbaar te vermijden, vooral wanneer het aandringen op een openlijke verspreiding betekent dat er spoedig een einde wordt gemaakt aan de vrijheid om het werk te doen? Door het stellen van de vraag blijkt dat het antwoord er op bevestigend moet zijn!
4 Er zijn deugdelijke Schriftuurlijke redenen voor in verschillende landen de methoden van het werk te veranderen. Wij zijn niet in de wereld gezonden om de gevangenis in te gaan. Wij verkiezen geen dode martelaars te zijn. Het is ons doel, de boodschap te prediken. Ten einde dit te kunnen doen, moeten wij vrij zijn en levend zijn (Pred. 9:10). Opdat wij het evangelie over de gehele wereld kunnen prediken, dienen wij er daarom aan te denken dat wij, zoals Jezus zeide, „schapen te midden van wolven” zijn. Het is duidelijk dat wij in Spanje of Argentinië niet zo kunnen prediken als wij thans in Nederland of in de Verenigde Staten doen. Wij moeten daarom uiterste theocratische tact beoefenen, terwijl wij „omzichtig als slangen en toch zo onschuldig als duiven” blijken te zijn (Matth. 10:16, NW). De geest van een gezond verstand schrijft voor dat anders handelen, dwaas zou zijn. De spreuk luidt: „De verstandige, als hij het kwaad ziet aankomen, verbergt zich; maar onverstandigen gaan door, en moeten er voor boeten” (Spr. 27:12, Belg. PB). Een algemene uitdrukking is passend: „De dwaas durft aan dat, waarvoor een wijze terugdeinst.” Wat voor nut zou het hebben in sommige landen een verliezende strijd te voeren ten einde de prediking openlijk en vrij te kunnen verrichten? Veronderstel dat, als resultaat van de strijd, het getuigeniswerk helemaal niet werd toegestaan. Dat alles werd verboden. Wat dan? Dat zou het werk niet gaande houden. Kunnen wij niet beter een beetje minder in het oog vallend handelen wanneer wij in zulke natiën het evangelie prediken? (2 Tim. 1:7) Door zulk een handelwijze zal het werk in die landen voortgang blijven vinden. Dát willen wij juist, wij willen het werk openhouden zodat onze broeders en zusters en de mensen van goede wil van het geestelijke voedsel voorzien kunnen worden dat door het hoofdbureau van het Genootschap wordt verschaft en zich er mede kunnen voeden.
5. Welke handelwijze volgen Jehovah’s getuigen wanneer een natie hun werk volledig verbiedt?
5 Wat gebeurt er wanneer een natie ons werk volledig verbiedt? De rechtstreekse toevoerlijnen voor het geestelijke voedsel van het aardse hoofdbureau, worden afgesneden! Maar — er bevinden zich nog steeds Jehovah’s getuigen in dat land. Zij kunnen er niet mede ophouden te prediken (Jer. 26:14, 15). Het verbod belemmert slechts hun openbare of openlijke prediking. Bovengronds kunnen zij hun werk niet wettelijk voortzetten. Dientengevolge worden zij er door onderdrukkende besluiten toe gedreven hun prediking ondergronds voort te zetten. Zij volgen dezelfde handelwijze welke door de Christenen te Rome werd gevolgd. Aldaar werden zij en hun prediking naar de catacomben gedreven.
ONDANKS TEGENSTAND ONBEVREESD PREDIKEN
6. Wat tonen de feiten aan met betrekking tot het resultaat van verbodsbepalingen die het predikingswerk worden opgelegd, en waarom is dit zo?
6 De feiten van het bericht onthullen dat verbodsbepalingen de prediking niet doen ophouden. Ze tonen veeleer aan dat de prediking ondergronds soms beter bloeit dan bovengronds. Hoe heter de vervolging is, des te vlugger komen de zaden der waarheid op die plaatsen op waar „goede grond” is. In zulke hete klimaten groeien ze snel en verspreiden zich wijd en zijd. Het is even onmogelijk mensen van goede wil te verbieden op te komen en in de waarheid te komen als te trachten een grassprietje werkelijk te gebieden niet uit de grond op te komen. Het kan eenvoudig niet worden verboden! In zulke landen waar verbodsbepalingen zijn, lopen onze broeders en zusters niet weg of houden zij niet op met het werk zoals de ontrouwe vluchtende profeet Uria deed (Jer. 26:21). Zij zijn zoals Jeremia. Hij stond onder een verbodsbepaling en werd met de dood bedreigd (Jer. 26:8). Hij weigerde uit het land te vluchten. Hij werd in een kerker geworpen (Jer. 38:6, KJ). Jehovah bevrijdde hem (Jer. 38:10-13). Evenals in het geval van Jeremia, is in zulke landen de waarheid gelijk vuur in de beenderen van de tegenwoordige getuigen (Jer. 20:9). Kan ze worden tegengehouden? Neen! Ze kan niet worden geblust! Ze moet er eenvoudig uitkomen! Ongeacht de gevolgen van een verbodsbepaling kunnen zij er niet mede ophouden te prediken. Het is door Jehovah God bevolen. Te prediken, betekent leven. Er mede op te houden, betekent de dood.
7. Wie dienen wij alleen te vrezen, met het oog op welke beloften?
7 Wij allen hebben de belofte van Jehovah. Hij zal die belofte houden! De belofte houdt in, dat Jehovah ons allen onder de schaduw van zijn hand en vleugelen zal blijven verbergen (Jes. 51:16; Ps. 17:8). Deze belofte geldt zowel in communistische landen als in democratische natiën. Hij zal een ieder die de naam van Jehovah, aanroept, bevrijden (Joël 2:32; Spr. 18:10) Behoeven wij daarom bevreesd te zijn voor communistische dictators of machtige politici of de heersers van enige natie? Het antwoord is, Neen! Nooit! Vrees alleen Jehovah, de Almachtige God. ’Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis [samenzwering], van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis [samenzwering]; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet. Jehovah der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking’ (Jes. 8:12, 13; AS). Wij kunnen er op vertrouwen dat het veilig is dit bevel van God te gehoorzamen, ongeacht of de regering van het land waarin wij wonen, liberaal of onderdrukkend is.
8. Wat zijn wij vast besloten te doen, wegens welke verzekering?
8 Wij zullen onze strijd voor vrijheid om te prediken niet opgeven, zelfs al staan wij tegenover de dood. Wij zullen te allen tijde op Jehovah God vertrouwen. Er is geen gevaar of moeilijkheid zo groot dat hij ons er niet in zou kunnen bewaren of ons er niet van zou kunnen bevrijden. Wij kennen zijn bericht. Wij herinneren ons wat Jehovah, de Almachtige God, onze Vader, zegt: „Vrees niet, want ik heb u vrijgekocht en u bij uwen naam genoemd; gij zijt mijn! Als gij door het water gaat, ben ik met u; door stroomen, zij zullen u niet overstelpen; gaat gij door het vuur, het verbrandt u niet, en de vlam verzengt u niet. Want ik, de Heer [Jehovah], ben uw God, de Heilige Israëls, uw redder, ik geef Egypte als uw losprijs, Ethiopië en Saba voor u in ruil. Daar gij kostbaar zijt in mijn oog, hoog geschat, daar ik u bemin, geef ik menschen in ruil voor u, en volken voor uw leven. Vrees niet, want ik ben met u, . . . gij zelven zijt mijne getuigen, spreekt de Heer. Ik ben God, van den beginne ben ik het; niemand verlost uit mijne hand; ik doe het en wie kan het keeren?” — Jes. 43:1-5, 12, 13, Belg. PB.
9. Waarin stellen wij ons vertrouwen, zoals door welk profetisch drama wordt aangetoond?
9 Hebben wij als Christenen, volgelingen van Christus Jezus, een zeemacht, een leger of een voorraad atoombommen? Neen! Wij willen niets van dat alles! Wij hebben niets van dat alles nodig! Onze bescherming wordt door Zefanja onder woorden gebracht, die schreef: „Jahwe, uw god, is in uw midden, een held die redding brengt; hij zal zich blijde over u verheugen, zich verlustigen in zijn liefde, zich juichend over u verblijden” (Zef. 3:17, LV). Alles wat wij voor onze bescherming moeten doen, is eenvoudig onder woorden te brengen. Wij moeten doen wat de getrouwe Israëlieten uit de oudheid in sommige van hun veldslagen hebben gedaan. Zij zongen slechts de lof van Jehovah. Zij gebruikten geen oorlogswapens. Toen de zwaar bewapende geallieerde strijdkrachten van Moab, Ammon en het gebergte Seïr tegen Jeruzalem optrokken, gaf Jehovah aan Josafat het bevel zangers vooraan het leger te plaatsen opdat zij in heilige opstelling en kledij Jehovah’s lof zouden bezingen. Weet gij niet wat het resultaat was? Toch zeker wel! Het was een van de grootste militaire nederlagen in de geschiedenis! (2 Kronieken 20). Jehovah streed eveneens de strijd voor koning Asa. Hij, niet de Israëlieten, vernietigde het Ethiopische leger van één millioen man (2 Kron. 14:9-15). Het was niet de superieure kracht van Gideon waardoor de Midianieten werden verslagen. Het handjevol van slechts driehonderd man werd in getal vele malen overtroffen. Op last van Jehovah brachten zij het leger van Midian in verschrikking. Alles wat zij deden, was, hun kruiken breken, hun licht laten schijnen, op hun bazuinen blazen, en roepen: ’voor Jehovah en voor Gideon.’ — Richteren 7.
10. Waarom kan er worden gezegd dat het Woord van Jehovah krachtig is?
10 Wij zingen het lied door Jehovah’s lof bekend te maken. Door te prediken, openen wij de poort der vrijheid wijd zodat de mensen van goede wil naar de vrijsteden kunnen stromen (Joz. 21:13, 21, 32, 38; Jes. 26:2). Zijn woord bevat hoop op vrijheid en bevrijding voor hen die hem kennen. ’En het zal geschieden, al wie den Naam van Jehovah zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Zions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als Jehovah gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die Jehovah zal roepen’ (Joël 2:32). Het Woord van Jehovah, dat wij bekendmaken, is krachtig. Het bouwt op wat opgebouwd dient te worden, maar breekt datgene af wat afgebroken dient te worden. Paulus zeide: „Want de wapenen van onze oorlogvoering zijn niet vleselijk, maar krachtig door God tot omverwerping van datgene wat sterk is verschanst” (2 Kor. 10:4, NW). Bedenk dat door het Woord van Jehovah de vloed van Noachs tijd werd teweeggebracht. Het is hetzelfde Woord dat in de strijd van Armageddon de vernietiging van de tegenwoordige boze wereld zal teweegbrengen. Het is eveneens hetzelfde Woord dat de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, waarin ’rechtvaardigheid zal wonen,’ voortbrengt (2 Petr. 3:5-7, 13, NW). Het was door het Woord van God dat Noach predikte. Evenals de catastrophe van Armageddon door het Woord van God tot stand komt, zal eveneens de prediking, welke geëindigd moet zijn voordat de strijd begint, door het Woord van God geschieden (2 Petr. 3:9, 10; Matth. 24:14). Daarom zullen wij, zijn getuigen, eveneens door het Woord van God, getrouw zijn in het nakomen van onze toewijzing om vrijheid uit te roepen tot de gevangenen. — Jes. 61:1, 2.
VRIJHEID UITROEPEN
11, 12. Welke toepassing had Leviticus 25:10 in de oudheid, in 1776 in de Verenigde Staten, en welke toepassing heeft deze tekst in onze tijd?
11 Toen Amerika zich in het jaar 1776 onafhankelijk verklaarde van het Britse rijk, luidde in de toren van het staatscapitool te Philadelphia in de Britse kolonie Pennsylvanië, de bel om vrijheid uit te roepen. De tol van die bel werd over de gehele aarde gehoord door middel van de gebeurtenissen die volgden. Op die bel waren de woorden gesmeed: „Roep vrijheid uit in het ganse land tot alle inwoners er van.” Deze historische woorden werden aangehaald uit het grootste boek der vrijheid, het Woord van God, de Bijbel. Jehovah God gebruikte deze woorden in zijn wet voor Israël, toen hij voorzieningen trof voor het jubeljaar. Dat was het jaar waarin men een ieder naar zijn huis moest laten terugkeren en van schuld moest bevrijden. Dat was een geheiligd jaar van vrijheid. De natie moest „vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners.” — Lev. 25:10.
12 De hoop welke ontsprong in het hart van hen in wier oren die vrijheidsklank van de „Vrijheidsbel” te Philadelphia weerklonk, deed velen moed vatten, grote offers brengen en een revolutie strijden waardoor vrijheid en onafhankelijkheid werd verkregen. Na meer dan anderhalve eeuw zien de bewoners van het „land der vrijheid” de vrijheid afnemen. Het toekomstige leven van de vrijheid wordt niet alleen in Amerika maar in de gehele wereld bedreigd. In deze tijd van nood heeft Jehovah God hard aan de grote Bel der vrijheid, het Woord van God, getrokken. De grote vrijheidsboodschap weerklinkt! Wij, zijn getuigen, horen het geklank. Wij brengen de grootste offers ten behoeve van de vrijheid. Wij roepen ’vrijheid uit in het gehele land.’ Het wordt niet slechts in één land gedaan, maar over de gehele wereld blazen wij op de bazuin der vrijheid. De boodschap houdt in, dat Gods regering ’s mensen enige hoop of de blijvende waarborg van vrijheid en zegeningen van eeuwig leven is. Wij, zijn getuigen, prediken op zeer duidelijke toon vrijheid en wij doen dit over de gehele wereld. Wij maken een boodschap van bevrijding bekend aan de gevangenen die zijn gebonden door de religieuze dwalingen van deze wereld van Satan de Duivel. Wij, zijn getuigen, hebben vrijheid uitgeroepen in het gehele land.
13. Welk voorbeeld van Jezus moeten wij volgen ten einde vrij te blijven van Satan?
13 Door de lof van Jehovah te zingen, maken wij de werkelijke Bevrijder van de gevangenen, Jehovah God, bekend. Wij zeggen tot de gevangenen: „Gaat uit” (Jes. 49:9). Jehovah waarborgt dat zij niet terugkeren tot de gevangenschap van de Duivel, waar Adam de mensheid heeft geplaatst (Ezech. 39:28, 29). De grote Bevrijder en Krijgsman, Christus Jezus, volgde een handelwijze welke tegenovergesteld was aan die van Adam. Hij onderhandelde niet met de Duivel, zoals Adam heeft gedaan. Hij verklaarde dat Satan „geen vat op mij” heeft (Joh. 14:30, NW). Doordat wij getrouw in de voetstappen van Jezus treden, heeft Satan geen vat op ons, en hij zal ook nimmer vat krijgen op een van de getrouwe bevrijde gevangenen of mensen van goede wil.
14. Welk tweeledige werk verrichten wij in overeenstemming met welke oordelen van Jehovah?
14 Wij brengen vredestijdingen tot hen die jegens God van goede wil zijn. Wij laten een boodschap van dood en vernietiging horen aan hen die Jehovah haten (Jer. 49:14). Als afgezanten worden wij door Jezus uitgezonden om de mensen te scheiden, zoals schapen van bokken worden gescheiden (Matth. 25:31). Jehovah staat gereed om hen die de hoedanigheden van schapen aan de dag leggen, te belonen en zijn oordeel te voltrekken aan hen die gelijk bokken handelen. Het vuur van zijn ijver zal dit tot stand brengen (Zef. 3:8). Wij, die tot de Nieuwe-Wereldmaatschappij behoren, hebben Jehovah als onze God. Waarlijk, ’welgelukzalig is het volk, welks God Jehovah is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft’ (Ps. 33:12). Maar de volgende waarschuwing weerklinkt: „De natie en het koninkrijk die u niet zullen dienen, zullen vergaan; ja, die natiën zullen volkomen worden verwoest.” — Jes. 60:12, AS; Ps. 145:20.
15. Hoe zijn het terrein en de aard van onze oorlogvoering en wapens te vergelijken met de oorlogen welke in de dagen van Esther door de joden werden gevoerd?
15 Laten wij nu terugkeren tot het verslag in het boek Esther over de strijd van de gevangen Joden onder het Perzische rijk uit de oudheid. Die wereldmacht oefende heerschappij uit over bijna alle landen van de toenmalig bekende wereld. Die dienstknechten van Jehovah in de oudheid streden werkelijk in de gehele wereld. Zoals het in hun dagen was, is het ook in onze tijd. Hun strijd beeldt profetisch de strijd af welke Jehovah’s getuigen in deze tijd in de gehele wereld voeren om te kunnen prediken (1 Kor. 10:11; Rom. 15:4). Het enige verschil tussen hun strijd en onze strijd is gelegen in de wapens die worden gebruikt. Zij gebruikten vleselijke wapens. Wij strijden daar niet mee. Wij, als Christelijke strijders voor het recht om in de gehele wereld te prediken, zijn alleen bewapend met de geest van Jehovah God en met zijn zwaard des geestes, namelijk, het Woord Gods. (Ef. 6:17). Behalve deze wapens heeft Jehovah ons een wapenrusting gegeven waarmede wij ons kunnen verdedigen. Paulus geeft er een beschrijving van. Gedeeltelijk bestaat ze uit 1. de borstplaat der gerechtigheid, 2. het schild des geloof en 3. de helm der redding. Hij geeft ons de waarschuwing waakzaam te zijn in het gebruik er van. Hij onderwijst ons eveneens om „met alle vrijheid van spreken” te prediken, „om het heilige geheim van het goede nieuws bekend te maken, waarvoor ik als een gezant in ketenen werk, opdat ik in verband er mede met vrijmoedigheid mag spreken zoals ik behoor te spreken.” — Ef. 6:14-17, 19, 20, NW.
16, 17. (a) Wat was er destijds het resultaat van dat de Joden voor hun leven hadden gestreden? (b) Wat is het resultaat geweest van onze strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken, en door welke macht is dit tot stand gebracht?
16 De Joden behaalden in het Perzië uit de oudheid een grote overwinning. Wat was er gebeurd? Nadat het bevel van de koning, dat de Joden moesten strijden om hun leven te redden, met grote spoed door koeriers te paard in het gehele land was bekendgemaakt, gebeurde er iets vreemds. Het bericht vermeldt betreffende de Joden dat „niemand . . . voor hen [bestond], want hunlieder schrik was op al die volken gevallen. En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des Konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mórdechai was op hen gevallen. Ook in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar des Konings woord en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.” — Esther 9:2, 3; 8:17.
17 Ervaren wij, de huidige dienstknechten van Jehovah, een overeenkomstig feest en een overeenkomstige voorspoed in onze strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken? Zie naar de toename van onze aantallen: 1934: 41.000; 1940: 90.000; 1944: 110.000; 1946: 158.000; 1948: 230.000; 1950: 328.000; 1953: 500.000. Ons aantal is in twintig jaar twaalfmaal vermenigvuldigd! En al deze toename te midden van een wereldomvattende vervolging! Is dit niet een bewijs dat de vreze Jehovah’s op al deze mensen is gevallen en dat mensenvrees van hen is geweken? Het is werkelijk precies zoals Zacharia heeft geprofeteerd: „Aldus zegt Jehovah der heerscharen: In die dagen zal het geschieden dat tien mannen uit alle talen der natiën, de rok zullen vastgrijpen van hem die een Jood is, zeggende: Wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met u is” (Zach. 8:23, AS). Het predikingswerk dat in deze tijd over de gehele wereld wordt verricht, is een groot werk. Het wordt niet door de macht van een mens of een groep mensen verricht. Jehovah’s geest en de kracht van zijn Woord hebben dit grote wereldomvattende oogstwerk, namelijk, deze prediking, tot stand gebracht (1 Kor. 3:7). Zacharia schreef: „Niet door macht, noch door kracht, maar door mijn Geest, zegt Jehovah der heerscharen.” — Zach. 4:6, AS.
DE BELONING VOOR HET NIET AANGAAN VAN COMPROMISSEN
18. Wat is, in overeenstemming met Paulus’ voorbeeld, het vaste besluit van Jehovah’s volk met betrekking tot de strijd om in de gehele wereld te prediken?
18 Zal de strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken, ophouden? Neen! Deze strijd moet voortduren. Of wij nu in democratische landen wonen, waar veel vrijheid wordt verleend, of in landen waar de prediking wordt beknot, of in landen welke door dictators worden beheerst, die geen vrijheid toestaan maar alle getuigen die zij te pakken krijgen, in gevangenissen werpen, de strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken, moet voortgaan. De apostel Paulus heeft het voorbeeld gesteld opdat wij dit konden volgen. Hij predikte in de gevangenis en zette zijn strijd voor de vrijheid om te prediken, van daaruit voort (Hand. 28:30, 31). Wanneer wij in deze tijd dus niet de vrijheid hebben om van deur tot deur te gaan, moeten wij eveneens als gevangenen in ketenen prediken. Er is geen sprake van dat er met de prediking wordt opgehouden in landen welke door dictators worden beheerst. Wij, zijn getuigen, zullen niet zwijgen, zelfs niet in communistische gevangenissen of in de gevangenissen van anderen. Wij zullen zowel buiten de gevangenis als in de gevangenis voortgaan met prediken, en dat zullen wij met vrijmoedigheid doen. Houd in gedachten wat Paulus aan de Filippenzen schreef. „In overeenstemming met mijn vurige verwachting en hoop dat ik niet in enig opzicht beschaamd zal worden, maar dat Christus in alle vrijheid van spreken, zoals altijd tevoren, ook thans door middel van mijn lichaam grootgemaakt moge worden, hetzij door het leven hetzij door de dood.” — Fil. 1:20, NW.
19, 20. (a) Wat zou het resultaat zijn geweest wanneer Jozef, de drie Hebreeërs en Daniël een compromis hadden aangegaan? (b) En wat zou het resultaat zijn geweest wanneer de vroege Christenen en de ware Christenen van tegenwoordig dat hadden gedaan?
19 Veronderstel dat zij die vanwege hun getrouwheid in de gevangenis werden geworpen, een compromis hadden aangegaan en zich hadden teruggetrokken. Wat zou er dan zijn gebeurd? Jozef zou in vroegere tijden het voorrecht hebben verloren in Egypte door Jehovah gebruikt te worden om zijn vader, Jakob, tezamen met zijn grote familie, van de hongerdood te redden. De drie Hebreeërs zouden niet de onderscheiding hebben gehad dat de engel van Jehovah met hen wandelde en hen in de vurige oven beschermde. Jeremia zou niet de eer hebben gehad de oordelen van Jehovah tegen een goddeloze stad bekend te maken. En Daniël zou nooit de muilen van leeuwen hebben gestopt. Deze vele getuigen trokken zich niet terug. Zij waren geen lafaards. Paulus beschrijft hun geloof en moed voor ons in het elfde hoofdstuk van Hebreeën.
20 Wanneer Petrus en Paulus en de andere apostelen een compromis hadden aangegaan en zich hadden teruggetrokken, zouden zij niet de zegeningen hebben gehad de vroege Christelijke gemeente uit te breiden en de Griekse Geschriften te schrijven. De getuigen in deze tijd, die in vele natiën ten onrechte in gevangenissen zijn geworpen, zouden eveneens hun gezegende voorrecht hebben verloren het werk in vele totalitaire landen waar de prediking was verboden, open te stellen en wederom op te bouwen. Zij zouden zich niet verheugen over het schouwspel van de grote inzameling van de grote schare van mensen van goede wil in deze tijd. „Want God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar die van kracht en van liefde en van een gezond verstand” (2 Tim. 1:7, NW). De Openbaarder zegt betreffende hen die zich terugtrekken. „Maar wat de lafaards aangaat, en zij die geen geloof hebben . . . hun deel zal zijn in de poel die brandt met vuur en zwavel. Dit betekent de tweede dood” (Openb. 21:8, NW). Jehovah God zij gedankt dat de getrouwen die vóór ons hebben geleefd en de getrouwen die zich thans onder ons bevinden, niet als lafaards het veld hebben geruimd van de strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken.
21, 22. Wat is Jehovah’s voornaamste doel waarom hij ons toestaat te strijden en te lijden voor de vrijheid om te prediken? (b) Welk doel wordt daardoor nog meer gediend in overeenstemming met Ezechiëls profetie?
21 Het is duidelijk dat Jehovah zeer goede doeleinden heeft waarom hij toestaat dat wij lijden en strijden voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken. Het voornaamste doel is, zijn grote en heilige naam en zijn Woord te rechtvaardigen. Nog een doel is, het juiste soort van mensen uit te kiezen, gehoorzame en moedige mensen, en met dezen wenst hij de aarde te bevolken en hij wil hen in de nieuwe wereld laten leven (Matth. 5:5, 10; Openb. 2:10). Daar zal Jehovah hen die het niet waard zijn in de nieuwe wereld te leven, verdelgen.
22 Nog een ander voornemen dat door onze strijd voor vrijheid wordt gediend, is, de vijand naar Armageddon te leiden. Door onze strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken, gebruikt Jehovah ons, zijn getuigen, derhalve als een lokaas voor de Duivel, die in het boek Ezechiël Gog wordt genoemd. In dat profetische boek wordt uiteengezet dat Gog er toe gebracht zal worden ons, Jehovah’s volk, aan te vallen. Jehovah toont in die profetie hoe Gog, de Duivel, zowel zijn zichtbare als zijn onzichtbare strijdkrachten er toe zal bewegen uit alle delen der aarde tegen Jehovah’s getuigen op te trekken. Jehovah verklaart dat hij Gog, de Duivel, zal omwenden en haken in zijn kaken zal slaan. Jehovah openbaart dat de zichtbare en onzichtbare strijdkrachten van Gog „de bergen Israëls,” of Jehovah’s organisatie, zullen aanvallen (Ezech. 38:3, 4; 39:1, 2). Dan zullen Satan en zijn gehele organisatie en alle mensen die de Duivel ondersteunen, worden vernietigd. Hun dode lichamen zullen voor de roofvogels en de wilde beesten worden geworpen opdat ze zich er mede kunnen voeden (Ezech. 39:4-7). Jehovah verklaart ten slotte: „En ik zal mijn heilige naam bekendmaken in het midden van mijn volk Israël; evenmin zal ik toelaten dat mijn heilige naam nog langer wordt ontheiligd; en de natiën zullen weten dat ik Jehovah ben, de Heilige in Israël” (Ezech. 39:7, AS). Laten wij ons niet aan de strijd onttrekken. Moge Jehovah u blijven zegenen wanneer gij voortgaat met de „strijd voor de vrijheid om in de gehele wereld te prediken.” „Looft Jehovah. Gezegend is de mens die Jehovah vreest, . . . Looft Jehovah.” — Ps. 112:1; 113:1, AS.