Vragen van lezers
● Wat wordt bedoeld met de „hooge plaatsen van Isaac,” waarover in Amos 7:9 (Belg. PB, voetnoot) wordt gesproken, en is het niet tegenstrijdig dat er in de Bijbel staat dat zekere koningen de hoge plaatsen hebben verwijderd terwijl er later staat dat zij ze niet hebben vernietigd? — A.M., Turkije.
De „hooge plaatsen” hebben betrekking op de heilige hoge plaatsen van het tienstammenkoninkrijk Israël, waarvan Samaria de hoofdstad was, terwijl Jerobeam II destijds koning van Israël was. De tien stammen waren zowel afstammelingen van Izak als van Jakob of Israël. De uitdrukking „hooge plaatsen van Isaac” komt derhalve overeen met de „heiligdommen van Israël,” waarover in hetzelfde vers (9) wordt gesproken. De hoge plaatsen van „Isaac” (het equivalent voor Israël) hebben daarom betrekking op de heilige hoge plaatsen waar te Bethel en Dan de aanbidding van het gouden kalf werd beoefend, welke plaatsen werden beschermd door deze tien stammen van afvallige afstammelingen van Izak via Jakob of Israël. — 1 Kon. 12:28-33.
Betreffende koning Asa van het koninkrijk Juda staat er geschreven. ’Hij verwijderde de altaren van de vreemde goden en de hoogten, verbrijzelde de geheiligde stenen en hakte de heilige boomstammen om. Hij beval Juda Jehovah den God van hun voorvaders te dienen en zijn geboden en wetten na te komen. Hij verwijderde uit alle steden van Juda de hoogte-plaatsen en de zonnezuilen. Het rijk had onder hem rust.’ Naderhand staat er echter omtrent zijn regering geschreven: „De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen.” En over zijn opvolger Josafat lezen wij: ’En zijn hart verhief zich in de wegen van Jehovah; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.’ Maar omtrent zijn regering lezen wij naderhand eveneens: „Evenwel werden de hoogten niet weggenomen.” — 2 Kron. 14:2-5, KB; AS; 15:17; 17:6; 20:33.
Hoe kunnen deze ogenschijnlijke tegenstellingen worden verklaard? Klaarblijkelijk vielen de hoge plaatsen in Juda in twee klassen, de ene klasse omvatte de plaatsen waar heidense goden werden aanbeden en de andere klasse die waar Jehovah werd aanbeden. De hoge plaatsen van de Kanaänieten, alwaar afgoderijen werden beoefend, mochten niet worden getolereerd: „Gij [zult] alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.” Maar zelfs nadat de tabernakel was opgericht en nog later de tempel, werden er op hoge plaatsen offers aan Jehovah gebracht, hetgeen hem aangenaam was, zoals bijvoorbeeld het offeren dat geschiedde door Samuël en David en Elija. Eveneens werden er op hoge plaatsen enkele onjuiste vormen van aanbidding beoefend in Jehovah’s naam, en daarom hebben deze hoge plaatsen wellicht langer bestaan dan de hoge plaatsen welke aan heidense goden waren gewijd. Zelfs de afgodische kalfaanbidding te Sinaï werd „een feest voor Jehovah” genoemd. — Num. 33:52; Ex. 32:5, NW; 1 Sam. 9:11-19; 1 Kron. 21:26; 1 Kon. 18:30-39.
Het kan dus zijn dat deze koningen alle hoge plaatsen hebben verwijderd welke aan heidense goden waren gewijd maar dat zij die waar Jehovah werd aanbeden, hebben laten staan. Indien dat het geval is, was hun reinigingswerk niet grondig en volledig, want over het algemeen was de juiste plaats waar men aan Jehovah kon offeren, in de tabernakel of tempel, en wanneer het op een andere plaats werd gedaan en toch aanvaardbaar was in Jehovah’s ogen, was dit een speciaal geval (Deut. 12:2-14; Joz. 22:29). Wanneer de twee soorten van hoge plaatsen echter in gedachten worden gehouden, kon er worden gezegd dat de koningen alle hoge plaatsen van één soort verwijderden maar die van de andere soort lieten staan.
Of het is mogelijk dat Asa alle hoge plaatsen van beide soorten heeft verwijderd maar dat ze in het geheim bleven bestaan of tegen het einde van zijn regering wederom te voorschijn kwamen, zodat zijn opvolger Josafat ze wederom kon vernietigen, wat slechts tot resultaat had dat ze wederom ondergronds bleven bestaan en later wederom te voorschijn kwamen. Of wij de verklaring nu beschouwen van het standpunt uit van twee soorten van hoge plaatsen of van het standpunt uit dat ze na eenmaal te zijn omvergeworpen, wederom terugkeerden, wij moeten erkennen dat de hoge plaatsen herleefden, want indien ze niet waren teruggekeerd nadat Asa ze had omvergeworpen, zouden ze er niet zijn geweest zodat zijn opvolger ze niet had kunnen verbrijzelen. Het volk was stellig hardnekkig en vasthoudend wat betreft het hangen aan en terugkeren tot demonenaanbidding.