Matigheid bij het genieten van goede dingen
„HOE talrijk zijn uw werken, Jahwe! Gij hebt ze alle met wijsheid gewrocht; vol is de aarde van uw eigendom [scheppingen]. Zij allen wachten op u, dat gij hun spijze geeft te rechter tijd. . . . gij opent uw hand, zij worden met [goede dingen] verzadigd. Loof Jahwe!” Zo roept de psalmist uit in Psalm 104:24, 27, 28, 35 (Leidse Vert., Een Amer. Vert.). Ja, aan alle kanten zag hij de bewijzen van Jehova’s goedheid en liefderijke zorg voor zijn schepselen.
En God stelde zich er bij het voorzien in het levensonderhoud van de mens niet mede tevreden, zijn aardse schepping slechts het allernoodzakelijkste te schenken, maar hij stortte overvloedige zegeningen op hem uit. Hij verschafte vele soorten van graansoorten, vruchten, groenten en vlees. En niet alleen vele soorten, maar in iedere soort is ook weer een grote verscheidenheid te vinden; zodat de mens van vele verschillende soorten van appelen, peren, druiven, enz., kan genieten en dat in verschillende vormen, vers, ingemaakt, gedroogd, zoals rozijnen, geperst als druivensap of gegist als wijn.
Sommigen zullen er echter bezwaar tegen maken dat wijnen en andere alcoholische dranken ook worden gerekend bij de goede dingen die de Schepper voor de mens heeft verschaft. Water, melk, vruchtensappen en „niet alcoholische” dranken, ja; maar wijn, bier, brandewijn en andere alcoholische dranken — Neen! Zij vragen ons een ontzagwekkende reeks statistieken en feiten te bestuderen, die aantonen hoeveel kwaad alcohol de menselijke geest, het lichaam en het familieleven heeft gedaan. Zij maken ons attent op het aan iedereen in onze steden te bekende tafereel van de dronkaard die langs de straten waggelt of in de goot ligt; zij vestigen de aandacht op de vele ongelukken ten gevolge van alcoholisme, om niet te noemen de misdadigheid zowel bij volwassenen als bij de jeugd. Niemand, zo zeggen zij, kan toch zeker een goed woord voor alcoholische dranken hebben; iedere Christen behoort niet alleen een geheelonthouder te zijn, maar behoort ook de geheelonthoudersbeweging te ondersteunen.
Hoe moet de houding zijn van Gods dienaren, de gewijde Christelijke bedienaren van het evangelie, tegenover wijn, enz.? Allereerst dienen wij op te merken dat Jezus duidelijk verklaarde dat zijn volgelingen niet van deze wereld waren (Joh. 17:16) en te kennen gaf dat het dwaas zou zijn wanneer zij hun tijd, energie en middelen gebruikten om te trachten deze versleten, oude wereld met de nieuwe lapjes der Christelijke beginselen te herstellen. Laat de wereld zich zelf verbeteren door sociale wetgeving, door geheelonthoudersverenigingen en dergelijke; een Christen heeft slechts één verplichting, ’dit ene ding doet hij’, „Predik het woord” (2 Tim. 4:2). Hij zal niet trachten zijn opvattingen aan anderen op te dringen, maar zal er naar streven zijn leven in overeenstemming te brengen met de beginselen die in de Bijbel zijn uiteengezet. Dit Woord alleen bevat bevredigende en gezaghebbende inlichtingen over wat goed of verkeerd is in alle aangelegenheden van het persoonlijke gedrag.
Zoals reeds in een vorige uitgave van dit tijdschrift is opgemerkt, wettigt de Bijbel het gebruik van tabak door een Christelijke bedienaar van het evangelie niet, ook al wordt de tabak er niet met name in genoemd (om de zeer duidelijke reden dat tabak tot vijftien eeuwen nadat de Bijbel was geschreven, op het westelijk halfrond onbekend was). Tabak is een verdovend middel en de gebruikers raken er aan verslaafd, roken is onrein, zowel voor de geest als het lichaam schadelijk, als ook nadelig voor anderen die worden gedwongen met rook beladen lucht in te ademen. Tabak is stellig niet een van de goede dingen waarvan de mens kan genieten.
Aan de andere kant zijn er sommige dingen die naar gelang het doel wel of niet door de wet zijn geoorloofd. Wanneer men alleen bij wijze van sport jaagt en vist, wordt dit door de Schrift veroordeeld. Het is zelfzuchtig en goddeloos wanneer iemand een schepsel van het leven berooft enkel om de sensatie zijn krachten er op te beproeven of om de lust tot doden te bevredigen. Doch wild en vis behoren tot de goede dingen waarin God voor de mens heeft voorzien, en het is derhalve volkomen juist om voor kleding en voedsel te jagen en te vissen.
Dan zijn er nog dingen die volgens de wet zijn geoorloofd doch die niet oorbaar zijn (1 Kor. 10:23), en de ene handelwijze kan goed maar een andere beter zijn (1 Kor. 7:38). De vreugden van het huwelijk behoren tot de zegeningen waarin de mens zich volgens de wet mag verheugen, maar zij die zich aan onzedelijkheid overgeven, zullen door God worden vernietigd. „Wie een vrouw heeft gevonden, heeft iets goeds gevonden” (Spr. 18:22, Petr. Can. Vert.), en het huwelijk is in ieder opzicht eerbaar (Hebr. 13:4). Ook hier geeft de Schrift een vermaning over de juiste gedragslijn; man en vrouw dienen met elkaar tevreden te zijn (Spr. 5:19, Nw. Vert.) en elkaar eerlijk en met respect te behandelen. — 1 Petr. 3:7; 1 Kor. 7:3, 4.
En zo zien wij dat de Schrift ook wijze raad geeft over hetgeen goed en hetgeen verkeerd is wat betreft het gebruik van wijn en sterke drank. Nergens worden ze geheel verboden. Melchizedek, priester en koning, gaf Abraham brood en wijn (Gen. 14:18). De Israëlieten ontvingen aanwijzingen over het gebruik van wijn voor drankoffers aan Jehova (Lev. 23:13). De psalmist vertelt ons dat God wijn verschafte om ’het hart des mensen te verheugen’ (Ps. 104:15). En verder geeft de Schrift de raad: „Drink uw wijn met een vrolijk hart”, en dat ’wijn het leven vrolijk make’ (Pred. 9:7; 10:19, Nw. Vert.). Herhaaldelijk wordt wijn gebruikt om de goede geestelijke dingen af te beelden welke God de mens geeft: „Allen, die dorst lijdt, komt tot de wateren, . . . koopt [voedsel] zonder geld, en zonder betaling, wijn en melk! . . . Luistert, luistert naar mij, en eet wat goed is, laat uwe ziel zich in de beste spijzen verlustigen” (Jes. 55:1, 2, Belg. Prof. Bijbel, Moffatt). En nogmaals: „De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, . . . haar wijn gemengd, . . . Komt, eet van mijn brood en drinkt van den wijn, dien ik gemengd heb; laat varen het onverstand, dan zult gij leven.” — Spr. 9:1-6, Nw. Vert.
Wanneer wij tot de Griekse Geschriften overgaan, zien wij dat het allereerste wonder dat Jezus deed, het veranderen van water in wijn was; en zowel het Griekse woord dat hier wordt gebruikt, als het verhaal maakt duidelijk dat het niet slechts druivensap, doch gegiste wijn was (Joh. 2:3-10). Bij een andere gelegenheid sprak hij er over, geen nieuwe wijn in oude lederen zakken te doen, opdat deze niet zouden barsten, en dat oude wijn te verkiezen was boven nieuwe wijn (Luk. 5:37-39); ook hier werd weer duidelijk aangeduid dat wijn werd bedoeld en geen ongegist druivensap. Hij gebruikte zelf ook wijn, ten gevolge waarvan de eigengerechtigde, huichelachtige Farizeeën hem er (valselijk) van beschuldigden, een wijnzuiper of dronkaard te zijn. — Matth. 11:19, Moffatt.
Verder zien wij dat Paulus Timotheüs de raad geeft: „Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uwe maag en uwe gedurige krankheden” (1 Tim. 5:23, Syn. Vert.). Uit deze reeks Schriftuurplaatsen blijkt heel duidelijk, dat wijn onder de goede dingen valt die de Schepper heeft verschaft, opdat de mens er van zou kunnen genieten.
Men zou echter een ernstige fout begaan de haastige gevolgtrekking te maken dat men, daar het gebruik van wijn op zich zelf niet werd verboden, zich hieraan bovenmatig of om de lagere hartstochten op te wekken, zou kunnen overgeven. Overdaad, ongeacht waarin, is verkeerd en schadelijk, en de Schrift veroordeelt overdaad in eten (gulzigheid) even streng als overdaad in drinken; een feit dat geheelonthouders geneigd zijn over het hoofd te zien. — Deut. 21:20; Spr. 23:20, 21.
Een Christen wordt aangemaand ’kennis met zelfbeheersing’ aan te vullen, en hem wordt medegedeeld dat ’de geest die God ons schonk niet een geest is van vreesachtigheid, maar van kracht, van liefde en zelfbeheersing’ (2 Petr. 1:6, Leidse Vert.; 2 Tim. 1:7, Petr. Can. Vert.). Eveneens kan worden opgemerkt dat Paulus Timotheüs aanraadde een „weinig” wijn te gebruiken voor zijn gezondheid, maar dat hij heel duidelijk te kennen gaf dat zij die te „veel” wijn gebruikten, niet als opzieners of assistenten in de Christelijke gemeente dienden te worden aangesteld (1 Tim. 3:3, 8; Tit. 1:7; 2:3). En daar zij voorbeelden moeten zijn, volgt hieruit dat ook de rest van de gemeente niet te veel wijn moet gebruiken. In plaats van te worden „vervuld” met wijn wat tot overdaad en brasserij leidt, dienen zij allen met de heilige geest, Gods werkzame kracht, te worden vervuld. — Ef. 5:15-18.
Dat het zich te veel overgeven aan wijn en sterke drank zowel dwaas als verkeerd is, wordt verder door de volgende schriftuurplaatsen bewezen: „Wie kermt er: ’Wee?’ Wie kermt er: ’Ach?’ Wie twist er en wie weeklaagt er? Wie heeft er wonden zonder reden? Wie heeft er ontstoken ogen? Zij die toeven bij wijn.” „De wijn is een onbezonnene, de drank is een twistmaker, ieder die zich daaraan vergrijpt, is geen wijze” (Spr. 23:29, 30, De Kath. Bijbel; 20:1, Obbink). „Wee hun die helden zijn in het wijndranken, en dapperen in het mengen van sterken drank [en zwak om gerechtigheid te beoefenen]! die voor geschenken den schuldige in het gelijk stellen” (Jes. 5:22, 23, Leidse Vert.). „Wijn en dronkenschap rooven ’t verstand.” — Hos. 4:11, Belg. Prof. Bijbel.
EEN TIJD OM ZICH TE ONTHOUDEN VAN WIJN
De Schrift geeft niet alleen te kennen dat men bij het gebruik van wijn matig moet zijn, maar dat er zoals met alle voornemen onder de zon, een tijd is om te drinken en een tijd om zich te onthouden van drinken. Wanneer moet men zich onthouden van drinken? De Levietische priesteren kregen de opdracht geen wijn te drinken wanneer zij Jehova in de tabernakel dienden (Lev. 10:9). Zij mochten bij het verrichten van hun priesterlijke plichten niet onder de invloed van wijn noch afhankelijk van de prikkeling er van zijn. Hun geest en geweten moesten zuiver zijn afgestemd op Jehova’s wet, en dit zou moeilijk het geval zijn indien zij onder invloed van alcoholische dranken waren. Dit pleit er ten sterkste voor dat zij die thans Jehova dienen, zich gedurende hun predikingswerk eveneens onthouden van het drinken van wijn, enz. Daardoor zullen zij niet alleen in een zo goed mogelijke verstandelijke en geestelijke conditie blijven en de grootste zelfbeheersing hebben, maar zullen ook vermijden nodeloos aanstoot te geven aan hen voor wie een alcoholische adem afstotend is. Dat het gebruik van wijn gauw nadelig is voor het vellen van een juist oordeel, wordt eveneens aangetoond in Spreuken 31:4, 5 (Petr. Can. Vert.): „Het past geen koningen, wijn te drinken; vorsten mogen niet verzot zijn op drank: anders vergeten zij al drinkend de wet, en verdraaien het recht van alle verdrukten.”
Achting voor de beginselen en gewetensbezwaren van anderen moge ons er toe brengen ons van wijn te onthouden. Wij mogen ons sterk en in staat voelen ons te beheersen door slechts weinig wijn te gebruiken, maar wij dienen niet te trachten onze broeder er toe te brengen wijn of iets anders te gebruiken, indien hij voelt dat het het beste en veiligste voor hem is zich er van te onthouden. (Zie Habakuk 2:15, 16.) Ja, wij dienen, wanneer wij in het gezelschap van dergelijke zwakkeren zijn, zelfs niet eens zoiets te gebruiken, maar ons liever ter wille van het geestelijke welzijn van onze broeder het genot van het gebruik er van ontzeggen. Zoals de apostel Paulus het goed onder woorden brengt: „Het is waar, alles is rein, maar het is verkeerd wanneer een mens door hetgeen hij eet het geweten van anderen kwetst. Het is goed helemaal geen vlees te eten en wijn te drinken, noch iets anders te doen, indien het geweten van uw broeder er door wordt gekwetst.” — Rom. 14:20, 21, Een Amer. Vert.
Voor hen die niet voldoende zelfbeheersing hebben, is het te allen tijde het beste zich te onthouden van het drinken van bedwelmende dranken. Het is beter zich het korte tijdelijke genot van het drinken van wijn te ontzeggen, dan smaad op de waarheid te brengen en wellicht anderen te doen struikelen. En het zich ontzeggen van zoiets moet geen grote moeilijkheid betekenen. De Joden moesten het veertig jaar zonder wijn doen (Deut. 29:6), en schijnbaar misten zij het niet te erg, want wij lezen wel over hun verlangen naar het vlees, het look, de uien en het knoflook van Egypte (Num. 11:5), maar niet dat zij hun wijn misten. De Rechabieten waren bereid het zonder wijn te doen omdat hun voorvader Jonadab hun dit had bevolen, en zij werden door Jehova geprezen voor hun gehoorzaamheid aan dit bevel (Jer. 35:1-19). Daniël en zijn drie metgezellen werden gezegend omdat zij de lekkernijen van de koning, waaronder ook wijn was, van de hand wezen. — Dan. 1:8-21.
HET BIJWONEN VAN GEZELLIGE BIJEENKOMSTEN
Bij sommigen van des Heren dienaren bestaat tegenwoordig de neiging, gezellige bijeenkomsten waar gelegenheid is veel te drinken, „op touw te zetten” of bij te wonen. Het is raadzaam op onze hoede te zijn. Bovenmatig drinken kan vergezeld gaan van een conversatie die verre van opbouwend is en van handelingen die het daglicht niet kunnen verdragen. Dergelijke bijeenkomsten zijn, wanneer het geestelijke welzijn wordt veronachtzaamd, gevaarlijk voor alle dienstknechten van God die zijn goedkeuring willen verkrijgen. Getrouwde mensen kunnen bemerken dat zij zich te veel met anderen ophouden en hun getrouwheid aan elkander, ter wille van de sensatie „zich op dun ijs te begeven”, te veel op de proef stellen; terwijl jonge en ongehuwde mensen, die door een juist aankweken der gave van de ongehuwde staat zovele vooruitzichten hebben in de pionierdienst, als zendeling in een vreemd land, of in de Betheldienst, zullen bemerken dat zij ontvlammen, met het gevolg dat zij gaan trouwen, waardoor zij, om hun onkreukbaarheid te bewaren, ook nog de lasten van huishoudelijke verplichtingen op zich moeten nemen, met de daarmede gepaard gaande vermindering van Koninkrijksvoorrechten, en dat met een slecht begin.
Al te dikwijls rieken dergelijke bijeenkomsten naar de houding der goddeloze wereld: „Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven” (Jes. 22:13). Zij hebben meer gemeen met het feest van Belsazar, waarop hij verhit door de wijn, opzettelijk smaad op Jehova’s naam bracht, dan met de gemeenschap en het eten van het brood dat Jezus na zijn opstanding met zijn apostelen en discipelen genoot.
Het is waar, op zich zelf steekt er niets verkeerds in wanneer broeders en zusters af en toe samenkomen en op een iets overvloedigere wijze dan gewoonlijk genieten van de goede dingen die de Heer in de vorm van eten en drinken voor de mens heeft verschaft. In werkelijkheid kan dit er zelfs toe bijdragen dat de belangstellende mensen van goede wil gaan inzien dat Jehova’s getuigen geen fanatiekelingen zijn. Laten wij bij zulke gelegenheden echter niet vergeten dat wij Jehova’s dienstknechten zijn, laten wij een matig gebruik maken van voedsel en drank, zodat wij nergens smaad op brengen, noch slechte nawerkingen hebben, en laat de conversatie vooral rein en opbouwend zijn. Het zingen en spelen van Koninkrijksliederen, Schriftuurlijke hersengymnastiek, het vertellen van velddienstervaringen, al deze dingen kunnen er toe bijdragen dat zo’n avond niet alleen een avond van ontspanning en vreugde, maar ook een leerzame avond wordt.
Laat iedere Christelijke bedienaar van het evangelie daarom op zijn hoede zijn, en er aan denken dat Satan er op uit is het menselijke geslacht te verderven, zodat allen te Armageddon worden vernietigd, dat naar het vlees zaaien betekent, vernietiging oogsten, en dat ’de verleden tijd waarlijk lang genoeg geduurd heeft, waarin wij naar de zin der heidenen geleefd hebben, overgegeven aan onmatigheid, wellust, dronkenschap, zwelgerij, drinkgelagen’ (1 Petr. 4:3, Leidse Vert.). Laat ons een eerlijk, verstandig en bedachtzaam gebruik van onze Christelijke vrijheid maken. Wees matig in het genieten van de goede dingen die God heeft verschaft, „hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods”; besef steeds dat ’het Koninkrijk van God geen zaak is van wat wij eten of drinken, maar van oprechtheid, vrede en geluk, door het bezit van de heilige geest’. — 1 Kor. 10:31; Rom. 14:17, Een Amer. Vert.