Paarden waren mijn lust en mijn leven
De kleine hoefjes kwamen het eerst te voorschijn, gevolgd door het hoofd, dat op de twee voorbenen rustte. Ik had wat moeite met de schouders, maar de rest gleed er heel snel uit. Toen de navelstreng eenmaal was afgebroken, sprong de merrie op haar benen, hinnikend van vreugde en popelend van ongeduld om haar veulen te zien.
DIT was slechts een van de vele malen dat ik ’s nachts mijn bed uit moest om een „moeder” in nood te helpen. Ik aanvaardde dit zonder te klagen. Het fokken van volbloedpaarden was namelijk mijn grote hartstocht.
Mijn liefde voor paarden dateert uit de tijd dat ik nog heel jong was. Ik was zes toen ik met rijden begon. Ik werd geboren in Roncq, in het noorden van Frankrijk, en werd opgevoed door katholieke ouders, die mij voor mijn middelbare schoolopleiding naar een katholieke kostschool stuurden. Scholen voor het fokken van paarden bestonden niet, dus besloot ik van school af te gaan en mij in de paardenwereld te begeven. Ik begon mijn loopbaan bij een trainer in Chantilly, een stadje ten noorden van Parijs dat beroemd is om zijn volbloeds. Daar werd ik ingewijd in de veeleisende, harde renwereld. Waarom veeleisend? Omdat renpaarden te vergelijken zijn met topatleten — ze hebben voortdurende aandacht nodig.
Het trainen van renpaarden
De moeilijke periode van training en voorbereiding begint gewoonlijk in het najaar, als de paarden achttien maanden oud zijn. Ze moeten gewend raken aan hun nieuwe omgeving en leren dat het met hun vroegere zorgeloze gedartel gedaan is en ze serieus aan het werk moeten. Om te beginnen moet de trainer het paard kennis laten maken met het tuig, wat geen gemakkelijke taak is.
Het omdoen van de singel of buikriem alleen al kan soms aanleiding zijn tot een rodeo! De jonge hengst moet aan een zadel leren wennen en ten slotte komt de tijd dat het paard voor het eerst wordt bestegen. De eerste berijder wordt gewoonlijk gekozen uit degenen die worden opgeleid tot jockey. Velen van hen doen zo hun eerste ervaring op met in het stof bijten! Voor het trainen van paarden is veel vakbekwaamheid en geduld nodig, samen met een fijngevoelige aanpak. Ja, als het dier een trauma oploopt, kan zijn hele renloopbaan in gevaar komen.
Elke morgen vroeg gingen wij met de paarden naar buiten om ze de verschillende gangen te leren — de stap, de draf en de galop — die alle een essentieel deel van de training vormen. Als een paard in training is, moet het deze gangen op bevel afwisselen. Af en toe wordt echter een korte galop toegestaan, waarbij de paarden over een korte afstand de vrije teugel wordt gelaten.
Aan het eind van de ochtend keerden wij naar de stallen terug om de paarden heel nauwgezet te verzorgen. Alle sporen van transpiratie werden verwijderd en hun hoeven werden ook zorgvuldig schoongemaakt.
Als een paard goede vorderingen maakt, kan het tegen het einde van de winter gaan deelnemen aan races voor tweejarigen. De loopbaan van een volbloed is over het algemeen aan het einde van zijn derde of op zijn laatst zijn vierde jaar voorbij. Dravers blijven echter tot hun achtste jaar aan de races deelnemen.
Mijn dromen worden werkelijkheid
Aangezien ik vooral geïnteresseerd was in het fokken van paarden, ging ik in opleiding bij een stoeterij in Normandië, in het noordwesten van Frankrijk — wegens het klimaat en de sappige weilanden een uitstekend gebied voor het fokken van renpaarden. Achttien maanden later werd ik assistent-directeur van de Bois-Roussel-stoeterij, in die tijd de grootste van Europa met driehonderd paarden te verzorgen en honderden hectaren land.
Op de Bois-Roussel-stoeterij ontmoette ik de vrouw die later mijn echtgenote zou worden; zij werkte er als secretaresse. Ik had er geen idee van hoezeer dit mijn leven zou gaan beïnvloeden. Zij had namelijk contact met Jehovah’s Getuigen en begon er met mij over te praten. In die tijd was ik niet geïnteresseerd.
Toen de directeur hoorde dat wij van plan waren om binnen enkele maanden te trouwen, vroeg hij of wij de verantwoordelijkheid op ons wilden nemen voor een andere stoeterij, waarvan hij medeëigenaar was. Zo werden mijn stoutste dromen werkelijkheid. Op mijn 24ste directeur van een belangrijke stoeterij! Er zijn maar heel weinig stoeterijdirecteuren in Frankrijk; deze posten zijn gewoonlijk alleen weggelegd voor leden van het exclusieve renwereldje. De La Louvière-fokkerij, die kleiner was dan Bois-Roussel, lag ook in Normandië en was voor mij een klein paradijs van 100 hectare met zo’n honderd paarden, waaronder hengsten, merries en veulens.
Aangezien de vorige directeur pas zes weken later zou vertrekken, bood de eigenaar ons voor die tussentijd een reis naar de Verenigde Staten aan. Wij bezochten grote Amerikaanse stoeterijen om hun fokmethoden te bestuderen en legden contacten met verschillende fokkerijen waar wij later onze merries heen stuurden om door hun hengsten gedekt te worden.
Het leven op een stoeterij
Het leven op een stoeterij neemt je helemaal in beslag maar is beslist niet saai. In feite gaf het ons heel veel voldoening, want wij waren voortdurend in contact met de natuur en hadden prachtige, gezonde dieren te verzorgen. ’s Morgens werden wij wakker bij het vriendelijke geluid van op mals gras knabbelende paarden. Wat klonk mij dat als muziek in de oren!
De bezigheden op de fokkerij worden onderverdeeld in het werk in de dek- en geboortetijd, het spenen van de veulens en het verkopen van de jonge volbloeds. Hengsten worden zorgvuldig geselecteerd op basis van zowel voortreffelijke renprestaties als voorouders en stamboek. Elk voorjaar worden er zo’n veertig merries gedekt, en soms wordt er tegen de tweehonderdduizend gulden neergeteld om een veulen te laten verwekken door een volbloedhengst met een uitstekende staat van dienst. Met het oog op deze investeringen is het niet moeilijk te begrijpen waarom er in zowel de dracht- als de geboortetijd zo veel zorg aan de paarden wordt besteed.
Helaas gaat het wel eens fout en is het kleine veulen al vanaf de geboorte wees. In dat geval staan wij voor de moeilijke taak een fokmerrie zover te krijgen dat ze het adopteert. De merrie wordt zo’n 48 uur lang dag en nacht door de staljongens, die elkaar aflossen, in toom gehouden, terwijl het kleine veulen naderbij wordt gebracht om te drinken. De merrie moet worden vastgehouden om te voorkomen dat ze gaat trappen, aangezien ze het weesje gemakkelijk zou kunnen doden. Een van de voorbenen van de merrie moet tegen haar buik worden gehouden en er moet een koord om haar bovenlip worden bevestigd om haar in bedwang te houden.
Uiteindelijk begint de merrie moe te worden, en als ze het veulen ten slotte accepteert, is succes verzekerd. Vaak wordt de nieuwe moeder zo beschermend dat het zelfs niet meevalt in de buurt van het veulen te komen. De geboorte moet prompt worden aangemeld bij het Franse Nationale Stamboek, waar de gegevens in het register voor dat specifieke ras worden opgenomen.
Paarden en veulens
Een paar dagen na de geboorte worden de merries, gevolgd door hun veulens, naar de wei gebracht. Net als veel andere jonge dieren raken veulens meteen door het dolle heen, dartelen ze vrolijk rond hun moeder en slaan hun benen alle kanten uit. Wat is het heerlijk ze te zien springen en steigeren en in het gras te zien rollen! Ze zijn gek op water en spatten zich al stampend enthousiast onder.
Paarden zijn niet graag alleen en gaan zich gauw vervelen. De hengsten en de veulens die getraind worden, moeten echter allemaal apart worden gehouden. Als een paard niet tegen alleenzijn kan, moet er een dier worden gevonden dat hem gezelschap kan houden. Wij moesten bij een van onze hengsten een schaap zetten. Ze konden het goed met elkaar vinden. Het was zelfs zo dat het schaap weigerde het paard ook maar een moment alleen te laten. Een kampioen renpaard genaamd Allez France had als metgezel een schaap dat haar zelfs naar wedrennen vergezelde — alleen niet in de races zelf!
Augustus is de tijd dat de veulens worden gespeend, een droevige tijd voor zowel de moeders als de veulens. Ze moeten van elkaar worden gescheiden en mogen elkaar niet zien en zelfs niet horen. De veulens uiten hun verdriet door enkele dagen lang voortdurend te hinniken, maar daarna zijn ze eroverheen. Op 1 januari van het jaar na hun geboorte worden ze jaarlingen genoemd. Op de jaarmarkt van Deauville kan de prijs voor een jaarling al gauw tegen de twee miljoen gulden liggen.
Enkele van de paarden die in onze stoeterij zijn geboren en grootgebracht, hebben een succesvolle loopbaan gehad. Een ervan was High Echelon, die in 1979 de Prix d’Amérique won als wereldkampioen in de categorie trotters. Er zijn nog meer door ons gefokte volbloeds die een aantal belangrijke klassieke rennen hebben gewonnen.
In contact met de waarheid
Er gingen enkele maanden voorbij op de nieuwe fokkerij zonder dat wij door Jehovah’s Getuigen werden bezocht. Mijn vrouw deed daarom het voorstel dat ik naar een gemeente in de buurt zou schrijven om te vragen of er iemand kon komen. Een paar dagen later stond er een echtpaar voor de deur. Ikzelf kon niet geloven dat onze tijd nauwkeurig in de bijbel beschreven stond. Toen mijn vrouw mij vertelde dat Gods koninkrijk in 1914 was opgericht, was ik van mening dat dit slechts de interpretatie van de Getuigen was. Ik had dat jaartal nooit in de bijbel zien staan.
Wij hadden een lang gesprek met het echtpaar, beiden volle-tijdpredikers, en hun uitleggingen — vooral over het boek Daniël — wekten mijn belangstelling en ik stemde met een bijbelstudie in. Die was echter niet gemakkelijk in mijn schema in te passen, want ik werd volkomen door mijn werk in beslag genomen.
Het echtpaar legde 25 kilometer af om ons te bezoeken en moest vaak naar huis terugkeren zonder ons bijbelstudie te hebben gegeven, omdat ik bij een ziek paard had moeten blijven of voor een veulende merrie had moeten zorgen. Maar toen ik er geleidelijk de noodzaak van ging inzien de Koninkrijksbelangen en Gods rechtvaardigheid op de eerste plaats te stellen, ondernam ik stappen om ’de gelegen tijd uit te kopen’ voor studie. — Efeziërs 5:16; Mattheüs 6:33.
Wij staan voor een keus
Wij begonnen al gauw vergaderingen te bezoeken en zes maanden later, in 1975, woonde ik het „Goddelijke soevereiniteit”-districtscongres bij in Annecy, in Zuidoost-Frankrijk. Tijdens dat congres begon het tot mij door te dringen dat mijn werk niet in overeenstemming met de bijbel was. Ik ging het in Jesaja 65:11 genoemde beginsel begrijpen, waaruit duidelijk blijkt dat degene „die een tafel in orde brengt voor de god van het Geluk” niet Gods goedkeuring kan hebben. Aangezien wij alleen maar renpaarden fokten, werkten wij indirect mee aan de gokindustrie. Ons geweten stond ons niet toe ons te laten dopen.
De tijd was aangebroken voor een gewichtige beslissing. Zou ik mijn carrière, die mij zo dierbaar was, voortzetten of mijn leven aan Jehovah God opdragen? Aangezien Gods wil het belangrijkste in mijn leven was geworden, besprak ik het punt met de twee eigenaars en nam ontslag. Ik moest nog één jaar blijven in afwachting van een vervanger, maar op de eerstvolgende kringvergadering, die in september 1976 in Gargenville (bij Parijs) werd gehouden, werden mijn vrouw en ik gedoopt.
In de paardenfokkerswereld hoorden velen van mijn beslissing. Ik herinner mij nog heel goed een chirurg die de fokkerij kwam bezoeken. Hij zei dat hij moreel gezien precies begreep waarom ik die beslissing had genomen. Hij keek om zich heen en was onder de indruk van de welvarendheid van de paardenfokkerij — de kleurrijke bloembedden, de met houten panelen beklede boxen en de kilometers lange helderwitte omheining. Hij bekende dat hij evenwel niet in staat was geweest om aan het noodzakelijke geld voor het onderhoud en de verfraaiing van zijn ziekenhuis te komen.
Ik heb nooit spijt gehad van mijn beslissing. Mijn vrouw en ik zijn begin 1992 uit Frankrijk weggegaan om in een Franssprekend gebied te dienen waar de behoefte aan Koninkrijksverkondigers groter was. Daar heb ik het voorrecht als ouderling in de gemeente van Jehovah’s Getuigen te dienen. Wij delen de zienswijze van de apostel Paulus die staat opgetekend in Filippenzen 3:8: „Ik beschouw alle dingen ook werkelijk als verlies wegens de uitnemende waarde van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer. Om zijnentwil heb ik het verlies van alle dingen aanvaard en ik beschouw ze als een hoop vuil, opdat ik Christus moge winnen.”
Mijn vrouw en ik houden nog steeds van de natuur en van dieren, vooral van paarden. Wij zien uit naar de tijd dat de band van de mens met de dieren niet langer gebaseerd zal zijn op zelfzuchtig gewin. — Verteld door Stephane Jesuspret.