Als oude wonden geheeld worden
IN HET meisje Adeline Nako, dat aan het begin van deze serie werd genoemd, ontwikkelde zich een sterke wrok tegen het land van haar voorouders, Japan. Als andere kinderen Hawaiianen van Japanse afkomst „Jappen” noemden, kaatste zij terug: „Wij zijn Amerikanen.” Zij schilderde aanplakbiljetten waarop stond: „Verdelg die asmogendheden” en stond in de voorste gelederen bij de campagne om oorlogsobligaties te kopen. Adeline zei: „Ik was zo trots op het 100ste en het 442ste bataljon van nisei ofwel Japanse Amerikanen van de tweede generatie, die moedig voor Amerika vochten.”
Toen zij ouder werd, begon zij zich echter af te vragen: ’Waarom moeten mensen elkaar doden?’ Het leek allemaal onjuist. ’Boeddhisten voerden oorlog. Christenen voerden oorlog. Het zijn allemaal huichelaars’, vond zij. Toen zij met de hulp van Jehovah’s Getuigen de bijbel was gaan bestuderen, stelde zij de Getuige die haar onderwees de uitdagende vraag: „Gaan jullie, Jehovah’s Getuigen, de oorlog in?”
Haar werd verteld dat zij geen wapens opnemen om wie dan ook te doden. In die tijd woedde de oorlog nog in volle hevigheid, zowel in Azië als in Europa. Adeline ontdekte dat de Getuigen in Duitsland naar concentratiekampen werden gestuurd en de Getuigen in de Verenigde Staten gevangen werden gezet omdat zij niet de wapens opnamen in de oorlog. ’Dit moet het ware geloof zijn’, dacht zij.
Vreedzame missie
Doordat haar bijbelkennis toenam, kwam zij ertoe haar leven op te dragen aan Jehovah, de God van de bijbel. Haar verknochtheid aan „de God van vrede” bewoog haar ertoe haar liefde te verruimen door in de voetstappen te treden van de vijf Japanse Hawaiianen die zich kort na de Tweede Wereldoorlog opgegeven hadden om naar Japan te gaan (Filippenzen 4:9). Zij wilden dolgraag de mensen in het land van hun voorouders, voormalige vijanden nota bene, helpen door als zendelingen aan de hand van de bijbel het vertroostende goede nieuws van het Koninkrijk te prediken. — Mattheüs 24:14.
Een van degenen die zich opgaven om in het door de oorlog verscheurde Japan te helpen, Sjinitji Tohara, herinnert zich hoe hij over zijn missie dacht. „Ik liet mijn gedachten gaan over de trouw van het Japanse volk toen zij menselijke machthebbers en de keizer moesten dienen”, zegt hij. „Ik dacht aan de kamikazepiloten, die hun leven voor de keizer gaven door opzettelijk met hun toestel op vijandige oorlogsschepen in te vliegen. Als de Japanners zo trouw zijn aan mensen, dacht ik, wat zullen zij dan doen als zij de ware Heer, Jehovah, vinden?”
Met die positieve instelling arriveerden deze vrijwilligers in 1949 in Tokio, dat niet zo lang daarvoor door luchtaanvallen met B-29’s in een puinhoop was veranderd. Wat troffen zij in de hutten tussen de puinhopen aan? Nogal timide mensen die gewetensvolle werkers waren. Natuurlijk waren er mensen die nog steeds wrok en vooroordelen koesterden. Maar velen reageerden gunstig op de bijbelse boodschap van vrede.
In 1953 voegde Adeline zich bij die eerste zendelingen. Enthousiast hielp zij degenen die hongerden en dorstten naar de vertroostende boodschap uit de bijbel. Bij haar predikingsactiviteit stuitte zij ook wel op vijandige mensen. Die zeiden dan tegen haar: „Jullie hebben atoombommen op Hirosjima en Nagasaki gegooid!”
„Nu,” antwoordde zij dan, „u weet dat ik van Hawaii kom. En Japan heeft eerst Pearl Harbor aangevallen en daar veel mensen gedood. Maar dat heeft mij er niet van kunnen weerhouden naar Japan te gaan om dit goede nieuws aan de mensen hier te vertellen.” Dat kalmeerde hen meestal en dan aanvaardden zij lectuur waarin de bijbel werd uitgelegd.
Dank zij het voortreffelijke fundament dat door die eerste zendelingen van Hawaii en uit andere landen is gelegd, maken nu meer dan 150.000 Japanners deel uit van een broederschap van mensen die „de oorlog niet meer leren”. — Jesaja 2:4; 1 Petrus 2:17.
Hoe er een eind komt aan alle oorlogen
Elkaar kennen en onzelfzuchtige liefde voor elkaar aankweken is beslist onontbeerlijk voor wereldvrede. Het is echter niet genoeg. Mensen die de vrede beminden en vrienden aan de andere kant hadden, werden ook gemobiliseerd bij de oorlog in de Grote Oceaan, onder de dwang van een „te rechtvaardigen” zaak. De nationalistische propaganda won het van hun natuurlijke geneigdheid. Hoewel sommigen weigerden oorlog te voeren, en daarmee zelfs het risico liepen in concentratiekampen of gevangenissen te belanden, hadden hun daden, hoe lofwaardig ook, weinig of geen invloed in de zin dat het enthousiasme voor de oorlog erdoor afnam.
Als een hele natie oorlog gaat voeren, zijn het niet alleen mensen die dat bewerken. Meestal houden alle betrokkenen vol dat zij de oorlog willen afwenden. Maar een zeer machtige kracht beïnvloedt hen tegen hun wil. De bijbel identificeert die machtige kracht als „de god van dit samenstel van dingen” (2 Korinthiërs 4:4). Ja, „de gehele wereld ligt in de macht van de goddeloze”, Satan de Duivel. — 1 Johannes 5:19; zie ook Johannes 12:31; 14:30.
De bijbel belooft echter dat ’de God die vrede geeft, Satan zal verbrijzelen’ (Romeinen 16:20). Een voorspel tot deze verbrijzeling vond zo’n 77 jaar geleden in de hemel plaats. Luister eens naar de beschrijving van wat de apostel Johannes achttien eeuwen vóór de vervulling ervan in 1914, in een opwindend visioen zag: „Er brak oorlog uit in de hemel . . . Neergeslingerd werd daarom de grote draak, de oorspronkelijke slang, die Duivel en Satan wordt genoemd, die de gehele bewoonde aarde misleidt; neergeslingerd werd hij naar de aarde, en zijn engelen werden met hem neergeslingerd.” — Openbaring 12:7-9.
Sindsdien heeft Satan de Duivel zich in de nabijheid van de aarde moeten ophouden. Door politici en militaristen als marionetten te manipuleren, heeft hij in de oorlogen van deze eeuw onnoemelijk veel lijden aangericht. Zijn ongeduld weerspiegelt echter enkel zijn grote woede, „daar hij weet dat hij slechts een korte tijdsperiode heeft” (Openbaring 12:12). Door de machtige hand van de „Vredevorst”, Jezus Christus, zal God Satan na „de oorlog van de grote dag van God de Almachtige” te „Har–Magedon” onschadelijk maken. — Jesaja 9:6; Openbaring 16:14, 16.
In tegenstelling tot alle door mensen gevoerde oorlogen is de rechtvaardigheidsnorm die in die komende oorlog van God gehanteerd zal worden absoluut. Het is de norm van de Schepper van de mensheid, die het menselijk welzijn op het oog heeft. In tegenstelling tot politieke leiders die hun onderdanen dwingen oorlog te voeren, zal Jehovah, onze Schepper, zijn volk zeggen wat hij in de dagen van Josafat van Juda in de tiende eeuw v.G.T. tegen zijn volk Israël zei: „Gij zult in dit geval niet hoeven te strijden. Stelt u op, blijft staan en ziet de redding van Jehovah ten behoeve van u.” — 2 Kronieken 20:17.
Als de donkere wolken van Satans invloed eenmaal overgewaaid zijn, zullen mensen uit alle volken wereldwijd ware vrede en zekerheid genieten. Dan zullen de volgende door Jesaja voorzegde toestanden werkelijkheid zijn geworden. „Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; en aan wat vroeger is geweest wordt niet meer gedacht, het komt niet meer in de gedachten op.” — Jesaja 65:17, Willibrordvertaling.
Wat er in Pearl Harbor is gebeurd, zal dan ook geen pijnlijke herinnering blijven, noch zullen de slachtoffers van de atoombommen op Hirosjima en Nagasaki „Nooit meer een Hirosjima!” roepen. Waarom niet? Omdat de volgende woorden uit Jesaja’s profetie ook voor iedereen op aarde zullen gelden: „Hij [God] zal stellig rechtspreken onder de natiën en de zaken rechtzetten met betrekking tot vele volken. En zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen moeten smeden en hun speren tot snoeimessen. Natie zal tegen natie geen zwaard opheffen, ook zullen zij de oorlog niet meer leren.” — Jesaja 2:4.
De vervulling van deze profetieën wordt reeds verwezenlijkt onder Jehovah’s Getuigen, die nu een miljoenen mensen tellende, wereldwijde broederschap vormen. Dit wordt vooral duidelijk op de internationale congressen van Jehovah’s Getuigen, die in allerlei delen van de wereld worden gehouden. Ook u kunt deel hebben aan die internationale eenheid en vrede. Kom en leer hoe tot de mensen te behoren die reeds ’hun zwaarden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen hebben gesmeed’, die „de oorlog niet meer leren”, en die uitzien naar een paradijs dat spoedig zijn intrede zal doen op aarde, waar nooit weer oorlogen gevoerd zullen worden. — Psalm 46:8, 9.
[Illustratie op blz. 9]
Jerry en Josji Toma, Sjinitji en Masako Tohara en Elsie Tanigawa gaven zich op om hun voormalige vijanden te helpen
[Illustratie op blz. 10]
Thans aanbidt een internationale broederschap God in eenheid en vrede