De toekomst van de religie gezien haar verleden
Deel 19: De 17de tot de 19de eeuw — De christenheid worstelt met de veranderingen in de wereld
„Filosofie en religie zijn onverenigbaar.” — Georg Herwegh, 19de-eeuws Duits dichter
„FILOSOFIE”, een woord dat afgeleid is van Griekse grondwoorden die „liefde tot wijsheid” betekenen, is moeilijk te definiëren. The New Encyclopædia Britannica betwijfelt weliswaar dat er „een universele en allesomvattende definitie” te geven is, maar zegt dan toch dat „een eerste poging in die richting zou kunnen zijn, filosofie te definiëren als ’een reflectie op de verschillende aspecten der menselijke ervaring’ of als ’de rationele, methodische en systematische beschouwing van de onderwerpen die de mens het belangrijkst acht’”.
Deze definities laten duidelijk zien waarom de ware religie en filosofie onverenigbaar zijn. De ware religie is gebaseerd op goddelijke openbaring, niet op „de verschillende aspecten der menselijke ervaring”. Ze draait in de allereerste plaats om de belangen van de Schepper, niet om de „onderwerpen die de mens het belangrijkst acht”. De valse religie daarentegen is net als de filosofie gebaseerd op menselijke ervaring en laat menselijke belangen op de eerste plaats komen. Dit feit trad vanaf de zeventiende eeuw in het bijzonder aan het licht toen de christenheid worstelde met de veranderingen in de wereld.
Een drievoudige bedreiging
Zodra in de zeventiende eeuw de moderne wetenschap was geboren, scheen een botsing met de religie onvermijdelijk. Door spectaculaire wetenschappelijke doorbraken was de wetenschap omgeven met een aureool van onfeilbaarheid en gezag, wat leidde tot het sciëntisme, een religie op zich, een heilige koe. In het licht van wetenschappelijke „feiten” leken religieuze beweringen plotseling bedenkelijk onbewijsbaar. De wetenschap was nieuw en opwindend; de religie leek verouderd en saai.
Deze houding tegenover de religie werd versterkt door de Verlichting, een intellectuele stroming die in de zeventiende en achttiende eeuw opgang maakte in Europa. De nadruk werd gelegd op intellectuele en materiële vooruitgang, terwijl politiek en religieus gezag en traditie plaats moesten maken voor een kritisch rationalisme. Daaruit zouden, naar men veronderstelde, kennis en geluk voortspruiten. „Haar oerwortels”, zegt The New Encyclopædia Britannica, lagen „in de Griekse filosofie”.
De Verlichting was in hoofdzaak een Frans verschijnsel. Tot de voornaamste leiders ervan in Frankrijk behoorden Voltaire en Denis Diderot. In Groot-Brittannië werd ze verwoord door John Locke en David Hume. Voorstanders werden ook aangetroffen onder de stichters van de Verenigde Staten, onder wie Thomas Paine, Benjamin Franklin en Thomas Jefferson. In feite vormt de scheiding van Kerk en Staat die in de Amerikaanse grondwet is vastgelegd, een weerspiegeling van de denkbeelden der Verlichting. Bekende aanhangers in Duitsland waren Christian Wolff, Immanuel Kant en Moses Mendelssohn, grootvader van de componist Felix Mendelssohn.
Kant, die wantrouwig tegenover religie stond, heeft de „Verlichting” naar verluidt gedefinieerd als „het vertrek van de mens uit zijn onmondigheid waaraan hij zelf schuld is”. Hiermee, zo legt Allen W. Wood van de Cornell University uit, bedoelde Kant „het proces waardoor menselijke individuen de moed krijgen om zelf na te denken over moraal, religie en politiek, in plaats van zich hun mening te laten voorschrijven door het politiek, kerkelijk of schriftuurlijk gezag”.
In de tweede helft van de achttiende eeuw begon de Industriële Revolutie, in Groot-Brittannië het eerst. De nadruk werd van de landbouw verlegd naar de produktie en fabricage van goederen met behulp van machines en chemische processen. De grotendeels agrarische en rurale samenleving werd erdoor ontwricht; duizenden mensen stroomden naar de steden voor werk. Werkloosheidskernen, woningtekorten, armoede en verscheidene beroepsziekten waren het gevolg.
Zou de christenheid het hoofd kunnen bieden aan deze drievoudige bedreiging van wetenschap, Verlichting en industrie?
God zachtjes aan de kant geschoven
Mensen die zich lieten overtuigen door de ideeën van de Verlichting, gaven de religie de schuld van veel van de maatschappelijke misstanden. Het denkbeeld dat „de samenleving opgebouwd behoorde te zijn volgens de voorbeschikte blauwdrukken van goddelijke wet en natuurwet”, aldus The Encyclopedia of Religion, „maakte plaats voor de gedachte dat de samenleving door de ’vindingrijkheid’ of ’handigheid’ van de mens zelf opgebouwd was of kon worden. Zo ontstond er een wereldlijk, sociaal humanisme dat op zijn beurt de grondslag zou vormen voor de meeste filosofische en sociologische theorieën van de hedendaagse wereld.”
Tot deze theorieën behoorde de „burgerlijke religie” waarvan de invloedrijke Franse verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau voorstander was. Ze was gericht op de maatschappelijke orde en de menselijke betrokkenheid bij de belangen daarvan in plaats van op een goddelijk Wezen en zijn aanbidding. De Franse memoirenschrijver Claude Henri de Rouvray (meestal Saint-Simon genoemd) was voorstander van een „nieuw christendom”, terwijl zijn beschermeling Auguste Comte sprak van een „religie van de mensheid” (religion de l’humanité).
Tegen het einde van de negentiende eeuw kwam de Amerikaanse stroming die het Sociaal Evangelie werd genoemd onder de protestanten tot ontwikkeling; ze was nauw verwant aan de Europese theorieën. Bij dat denkbeeld op theologische grondslag werd ervan uitgegaan dat de voornaamste plicht van een christen sociale betrokkenheid is. Ze heeft tot op de huidige dag grote aanhang onder protestanten. Katholieke versies van deze stroming vindt men bij de priester-arbeiders van Frankrijk en onder de geestelijken van Latijns-Amerika die de bevrijdingstheologie leren.
Ook bij de zendelingen van de christenheid valt deze tendens waar te nemen, zoals een uit 1982 daterend verslag in het blad Time te kennen geeft: „Onder de protestanten heeft een verschuiving plaatsgevonden naar grotere betrokkenheid bij de fundamentele economische en maatschappelijke problemen van het volk . . . Voor een groeiend aantal katholieke missionarissen betekent vereenzelviging met de zaak van de armen het bepleiten van radicale veranderingen in politieke en economische stelsels — zelfs als bij die veranderingen marxistische revolutionaire bewegingen het voortouw nemen. . . . Er zijn zelfs missionarissen die geloven dat bekering weinig uit te staan heeft met hun echte taak.” Zulke missionarissen zijn het kennelijk eens met de Franse socioloog Émile Durkheim, die eens de gedachte opperde: ’Het ware voorwerp van religieuze aanbidding is de samenleving, niet God.’
Klaarblijkelijk werd God heel zachtjes door de christenheid aan de kant geschoven. Ondertussen waren er ook andere krachten aan het werk.
God vervangen door pseudo-religies
De kerken hadden geen oplossingen voor de problemen die de Industriële Revolutie met zich meebracht. Maar pseudo-religies, de produkten van menselijke filosofieën, beweerden dat ze wel oplossingen te bieden hadden en gingen snel over tot het aanvullen van de leemte.
Zo zochten sommige mensen hun levensdoel in het nastreven van rijkdom en bezittingen, een egocentrische tendens die gevoed werd door de Industriële Revolutie. Het materialisme werd een religie. De almachtige God werd vervangen door de ’almachtige dollar’. In een toneelstuk van George Bernard Shaw werd dit onder woorden gebracht door een figuur die onomwonden zei: „Ik ben miljonair. Dat is mijn religie.”
Anderen wendden zich tot politieke stromingen. De socialistische filosoof Friedrich Engels, medewerker van Karl Marx, profeteerde dat het socialisme uiteindelijk de religie zou vervangen en zelf een religieus tintje zou krijgen. Toen het socialisme overal in Europa terrein won, was volgens professor Robert Nisbet dan ook „een voorname factor daarbij dat socialisten het judaïsme en het christendom afvallig werden en overgingen tot een surrogaat”.
Doordat de christenheid in gebreke bleef het hoofd te bieden aan de veranderingen in de wereld, konden zich krachten ontwikkelen die door de World Christian Encyclopedia worden aangeduid als „secularisme, wetenschappelijk materialisme, atheïstisch communisme, nationalisme, nazisme, fascisme, maoïsme, liberaal humanisme en talrijke bedachte of verzonnen pseudo-religies”.
Gezien de vruchten die deze filosofische pseudo-religies hebben voortgebracht, lijken de woorden van de Engelse dichter John Milton zeer toepasselijk: „IJdele wijsheid allemaal, en valse filosofie.”
Een compromis gezocht
Gevangen tussen ondoelmatige kerkelijke stelsels enerzijds en misleidende pseudo-religies anderzijds zochten miljoenen mensen iets beters. Sommigen dachten dat zij het hadden gevonden in een vorm van deïsme, ook wel „natuurlijke godsdienst” genoemd. Het kreeg in de zeventiende eeuw vooral bekendheid in Engeland en wordt wel beschreven als een compromis dat de wetenschap aanvaardde zonder God te verlaten. Deïsten waren dan ook vrijdenkers die een middenweg bewandelden.
De auteur Wood verduidelijkt: „In zijn voornaamste betekenis is deïsme het geloof in één God en in een eredienst die uitsluitend berust op de natuurlijke rede en niet op bovennatuurlijke openbaring.” Maar door de „bovennatuurlijke openbaring” te verwerpen, gingen sommige deïsten zo ver dat zij de bijbel bijna totaal verwierpen. Tegenwoordig wordt de term zelden gebruikt, alhoewel belijdende christenen die het gezag van de kerk of de Schrift afwijzen en in plaats daarvan vasthouden aan een persoonlijke mening of afwijkende levensfilosofieën, in feite de beginselen van het deïsme huldigen.
Parallelle evolutietheorieën
De meest dramatische confrontatie tussen religie en wetenschap vond plaats na de publikatie in 1859 van Darwins Origin of Species (De oorsprong der soorten), waarin hij zijn evolutietheorie uiteenzette. Religieuze leiders, vooral in Engeland en de Verenigde Staten, veroordeelden de theorie eerst in krachtige bewoordingen. Maar de tegenstand ebde al spoedig weg. Tegen de tijd dat Darwin stierf, aldus The Encyclopedia of Religion, „was het de meeste nadenkende en welbespraakte geestelijken gelukt tot de conclusie te komen dat evolutie volkomen verenigbaar was met een verlicht begrip van de Schrift”.
Dit verklaart misschien waarom het Vaticaan Darwins boeken nooit op de Index van Verboden Boeken heeft gezet. Het kan ook de reactie van het publiek verklaren tijdens de in 1893 in Chicago gehouden conferentie van het Wereldparlement der Religies. Terwijl boeddhisten en hindoes luisterden, zei een „christelijke” spreker: „De evolutietheorie vult een leemte aan in het begin van onze religie, en als de wetenschap in grote lijnen tevreden is met haar theorie dat evolutie de manier is waarop de schepping heeft plaatsgevonden, is instemming een koud woord voor de wijze waarop degenen wier taak het is Gods wegen te kennen en lief te hebben, deze theorie moeten verwelkomen.” Op deze verklaring werd naar verluidt gereageerd met een luid applaus.
Die houding is geen verrassing als wij de populariteit in aanmerking nemen die de zogenoemde vergelijkende godsdienstwetenschap tegen het einde van de negentiende eeuw genoot. Dat was een wetenschappelijke studie van de wereldgodsdiensten met het doel vast te stellen welke verwantschap er tussen de verschillende religies bestaat en hoe ze zijn ontstaan. De Engelse antropoloog John Lubbock bijvoorbeeld kwam met de theorie dat mensen als atheïsten zijn begonnen en toen progressief geëvolueerd zijn via fetisjisme, natuuraanbidding en sjamanisme, alvorens bij het monotheïsme te belanden.
Maar zoals The Encyclopedia of Religion uitlegt: „Volgens die zienswijze was religie geen absolute door de godheid geopenbaarde waarheid, maar de neerslag van zich ontwikkelende menselijke begrippen over God en moraal.” Degenen die deze theorie aanvaardden, vonden het dan ook niet moeilijk het deïsme, een „burgerlijke religie” of een „religie van de mensheid” te aanvaarden als hogere sporten op de ladder der religieuze evolutie.
Waartoe leidt zo’n zienswijze ten slotte? In de negentiende eeuw zei de Engelse filosoof Herbert Spencer al dat de samenleving een koers van stelselmatige vooruitgang ingeslagen was die niet meer verenigbaar was met religie. En in verband met de twintigste eeuw merkte professor Nisbet op dat sociologen over het algemeen geloven dat religie „bij de mens in bepaalde psychosociale behoeften voorziet en dat er totdat of tenzij deze behoeften tenietgaan in de biologische evolutie van de menselijke soort, religie in de een of andere vorm een hardnekkige realiteit in de menselijke cultuur zal blijven”. (Wij cursiveren.) Sociologen achten het dan ook niet onmogelijk dat de „evolutionaire vooruitgang” ertoe zal leiden dat er op een dag helemaal geen religie meer is!
Het zoeken naar de ware religie wordt geïntensifieerd
Tegen het midden van de negentiende eeuw was het duidelijk dat de christenheid zo’n 200 jaar een bij voorbaat verloren strijd tegen de veranderingen in de wereld had gevoerd. Haar religie was tot weinig meer dan een wereldse filosofie gedegenereerd. Miljoenen oprechte mensen maakten zich zorgen. Het zoeken naar de ware aanbidding werd intenser. Het stond wel vast dat hervorming van de christenheid onmogelijk was. De ware aanbidding moest hersteld worden. Daarover meer in onze uitgave van 22 oktober.
[Kader op blz. 23]
Onder de druk van de veranderingen in de wereld gaat de christenheid een compromis aan
DOOR DE OPKOMST VAN DE MODERNE WETENSCHAP is het geloof in het onzichtbare verzwakt en is er twijfel gerezen omtrent dingen die de wetenschap niet kon „bewijzen”. De christenheid heeft de bijbelse waarheid geweld aangedaan door niet-bewezen, zogenaamd wetenschappelijke theorieën zoals de evolutie te aanvaarden en door in wetenschappelijke kennis en niet in Gods koninkrijk het universele geneesmiddel voor de wereldproblemen te zien.
DE OPKOMST VAN POLITIEKE IDEOLOGIEËN (kapitalisme, democratie, socialisme, communisme, enzovoort) heeft geleid tot nationalistische conflicten en ideologisch gekrakeel, waardoor de bijbelse waarheid dat God en niet de mens de rechtmatige Heerser over de aarde is, op de achtergrond is geraakt. De christenheid heeft bijbelse beginselen geweld aangedaan door haar christelijke neutraliteit te schenden en betrokken te raken in oorlogen waarbij leden van dezelfde religie tegen elkaar werden opgezet. Politieke pseudo-religies zijn door de christenheid actief of passief gesteund.
DE HOGERE LEVENSSTANDAARD die door de Industriële en de Wetenschappelijke Revolutie mogelijk is geworden, heeft het egotistisch eigenbelang bevorderd en maatschappelijk onrecht en onderlinge ongelijkheid op de voorgrond geplaatst. De christenheid heeft een compromis gesloten door de goddelijke belangen te verwaarlozen en zich in plaats daarvan te laten betrekken bij menselijke belangen van sociale, economische, ecologische of politieke aard.
[Kader op blz. 25]
In stijgende of neergaande lijn?
De bijbel zegt: De mens werd volmaakt geschapen en er werd hem geleerd hoe zijn Schepper op een aanvaardbare manier te aanbidden; maar hij kwam tegen God in opstand en zo’n 6000 jaar lang is hij zowel fysiek als moreel gedegenereerd, steeds verder verwijderd geraakt van de ware religie die hij oorspronkelijk beoefende.
De biologische en religieuze evolutie zegt: De mens is geëvolueerd vanuit een primitief begin en was atheïst zonder religie; talloze miljoenen jaren lang is hij zowel fysiek als moreel vooruitgegaan en steeds dichter bij het utopische religieuze, maatschappelijke en morele ontwikkelingsstadium gekomen.
Als u uitgaat van uw kennis van het menselijk gedrag, de toestand waarin de mensheid thans verkeert en de staat van de religie in de hedendaagse wereld, welke zienswijze lijkt dan het meest in overeenstemming met de feiten?
[Illustratie op blz. 24]
Darwins niet-bewezen speculaties in De oorsprong der soorten werden door velen aangegrepen om het geloof in een God van openbaring te laten varen
[Verantwoording]
Harper’s