Wat katholieken zeggen over de onfeilbaarheid
HOE denken veel katholieken zelf over het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid? Beschouw de volgende commentaren eens die een Ontwaakt!-correspondent in Italië in door hem afgenomen interviews vernam:
A. M., een katholieke advocaat uit Bergamo, zei: „Als iemand het katholicisme belijdt, dan moet hij de dogma’s ervan geloven. Het is duidelijk dat het probleem van de pauselijke onfeilbaarheid niet op rationele wijze kan worden uitgelegd — het is een kwestie van geloof. Je gelooft het of je gelooft het niet.”
P. S., een katholiek uit Palermo, bevestigt: „Wat ik belangrijk vind, is niet zozeer of de bijbel het dogma ondersteunt of niet, als wel of het binnen de kerk een functie heeft, en het specifieke nut daarvan in onze tijd. Wij leven in een verwarde wereld, werkelijk een Babylon van ideeën. De mensen hebben geen zekerheden meer, en er bestaat grote behoefte aan een bron van absolute zekerheid waar zij zich naar kunnen richten.”
Andere katholieken staan er kritisch tegenover. Hun scepticisme lijkt te zijn gebaseerd op wat er in de geschiedenis van het pausdom is voorgevallen. „Hoewel ik praktizerend katholiek ben, vind ik het moeilijk om in dit dogma [van de pauselijke onfeilbaarheid] te geloven”, zei L. J., een journalist uit Rome. „De geschiedenis van de pausen laat precies het tegenovergestelde zien.”
A. P., een arts uit Rome, zegt: „Ik geloof er niets van. Hij is een mens zoals ieder ander en maakt fouten. Het is bijvoorbeeld fout als hij zich met de politiek inlaat. Alleen God is zonder fouten.”
Dit dogma heeft verdeeldheid gebracht. In 1982 vond 57 procent van de katholieken in de stad Rome, waar het Vaticaan zetelt, de onfeilbaarheid van de paus een van de twijfelachtigste dogma’s. In Portugal gelooft slechts 54,6 procent van de katholieken erin, en in Spanje slechts 37 procent.
Kan het zijn dat dit dogma, in plaats van de eenheid binnen de Katholieke Kerk te bevorderen, juist een bron van verdeeldheid en onenigheid is geworden? De historische bewijzen geven te kennen dat het van meet af aan de oorzaak is geweest van controversen, zelfs al bij de afkondiging ervan tijdens het negentiende-eeuwse concilie.
Onenigheid en intimidatie
Het valt niet te ontkennen dat er tijdens het Vaticaans Concilie van 1870 enkele zeer verhitte discussies tussen bisschoppen en kardinalen plaatsvonden. La Civiltà Cattolica van dat jaar sprak over „vurige debatten” en wees erop dat zelfs de jezuïeten niet hadden voorzien dat „zo’n heilige waarheid zulke tegenstellingen zou oproepen”.
De Duitse historicus Ferdinand Gregorovius schreef dat er tijdens het concilie „stormachtige vergaderingen” plaatsvonden. Vooral de vergadering op 22 maart 1870 verliep onstuimig. Bisschop Josip Juraj Strossmajer, een van de vele op het concilie aanwezige bisschoppen die tegen het dogma van de onfeilbaarheid gekant waren, werd het spreken onmogelijk gemaakt door het gejoel van de bisschoppen die het dogma voorstonden. De verslagen over het concilie zeggen dat deze bisschoppen tijdens Strossmajers toespraak „luid” protesteerden en ’schreeuwden’: „Schop hem eruit!” en „Ga weg! Ga weg!”
Andere historici hebben aangetoond dat de paus en de Romeinse Curie sterke druk uitoefenden op degenen die aan het concilie deelnamen om te zorgen dat het dogma werd goedgekeurd. Hierover merkt de katholieke historicus Roger Aubert op dat er een „ruzie” plaatsvond tussen Pius IX en kardinaal Guidi van Bologna, wiens toespraak tot het concilie niet naar de zin van de paus was geweest. Naar verluidt zei Pius IX woedend tegen de kardinaal, die in zijn uiteenzetting naar de overlevering had verwezen: „Ik ben de overlevering!”
De paus wilde tot elke prijs dat het dogma werd aangenomen: „Ik ben zo vastbesloten dit door te drukken”, zei hij, „dat als ik dacht dat het Concilie zou willen zwijgen, ik het zou ontbinden en zelf de definitie zou maken.” La Civiltà Cattolica gaf toe: „De manipulaties van de meerderheid van het concilie en ook van paus Pius IX alsmede de beperkingen en moeilijkheden die de minderheid ondervond, dienen niet langer op verontschuldigende wijze te worden vergoelijkt of gerechtvaardigd.”
Eén geschiedenisboek vat de gebeurtenissen als volgt samen: „Pauselijke nuntiussen [ambassadeurs] zorgen er door intimidatie voor dat de bisschoppen een decreet betreffende pauselijke onfeilbaarheid goedkeuren.” Zulke „manipulaties” konden de storm van onenigheid echter niet tot bedaren brengen — de gemoederen raakten er slechts nog meer door verhit. Na het concilie scheidde een deel van de dissidente geestelijken zich van de Katholieke Kerk af. Uit dat schisma kwam de beweging der „Oud-katholieken” voort, die nog steeds actief is in Oostenrijk, Duitsland en Zwitserland.
Hedendaagse twijfelaars
De controversen over dit dogma zijn nooit echt tot bedaren gekomen. Toen in 1970 de honderdste verjaardag van de afkondiging van het dogma naderde, vlamden de controversen in alle hevigheid op.
Tegen het eind van de jaren ’60 schreef de Nederlandse bisschop Francis Simons het boek Infallibility and the Evidence, waarin hij duidelijk zijn twijfels uitte over de onfeilbaarheid van de Katholieke Kerk en de paus. Simons verklaarde dat de kerk wegens het dogma „in plaats van een kracht ter bevordering van de vooruitgang en gezonde veranderingen, . . . een instituut is geworden dat bang is voor al wat nieuw is en gepreoccupeerd is met het veilig stellen van haar eigen positie”.
Kort daarop volgde de pittige aanval van Hans Küng, de bekende Zwitserse theoloog die met zijn boek Unfehlbar? Eine Anfrage en andere geschriften de katholieke hiërarchie tot grimmige reacties verlokte. Vervolgens schreef August Hasler tegen het eind van de jaren ’70: „Het wordt steeds duidelijker dat voor het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid geen basis bestaat, niet in de bijbel noch in de eerste duizend jaar van de kerkgeschiedenis.”
Theologen die de kerkelijke leer loyaal bleven, reageerden verschillend. La Civiltà Cattolica maakt melding van de „ontzagwekkende hoeveelheid problemen, de onverdraagzaamheid en moeilijkheden” die het gevolg waren van „de hernieuwde bekrachtiging van de leerstelling van het Romeins primaatschap van Petrus zoals Vaticaan II had verordineerd”. Karl Rahner beklemtoonde dat „de dogma’s niet los gezien kunnen worden van hun historische omlijsting en permanent onderhevig zijn aan toekomstige interpretatie”.
Als de definities van de dogma’s vatbaar zijn voor nieuwe interpretaties, hoe kunnen ze dan onfeilbaar zijn? Hoe kunnen ze de zekerheden bieden waarnaar de mensen op zoek zijn? Het is echter nog belangrijker te weten te komen of de eerste christenen een onfeilbare paus volgden.
[Inzet op blz. 6]
’Het is fout als hij zich met de politiek inlaat.’ — Een arts in Rome
[Illustratieverantwoording op blz. 7]
Miami Herald Publishing Co.