De paus is niet onfeilbaar
PAS op het Vaticaanse Concilie van 1870 werd plechtig verklaard dat het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk in Vaticaanstad onfeilbaar is wanneer hij officieel als hoofd van de kerk over zaken van geloof en zeden spreekt. De feiten tonen echter aan dat hij niet onfeilbaar is. Op het Vaticaanse Concilie van 1870 hebben zelfs vele leiders van de Katholieke Kerk tijdens het debat over de onfeilbaarheid, dat een maand geduurd heeft, bewijzen voor dat punt aangevoerd.
Newman uit Engeland, die later kardinaal werd, en ook aartsbisschop Kenrick uit St. Louis waren tegen de pauselijke onfeilbaarheid gekant. Hetzelfde kan gezegd worden van bisschop Strossmayer van de voornaamste Kroatische universiteit en bisschop Hefele uit Duitsland, om er slechts enkelen te noemen. Bisschop Hefele verklaarde dat hij dertig jaar lang bewijzen voor de pauselijke onfeilbaarheid had proberen te vinden maar er niet in was geslaagd.
De verklaring van de onfeilbaarheid is gebaseerd op de onderstelling dat de apostel Petrus door Jezus Christus werd gekozen als het fundament van de christelijke kerk en dat de pausen zijn wettelijke opvolgers zijn. Het boek The Holy See at Work door P. C. van Lierde, die koster en vicaris-generaal van de paus voor Vaticaanstad was, verklaart op bladzijde 55: „Onze Heer heeft het voorwerp van geloof en zeden bepaald, de onvergelijkelijke schat die Hij aan de Kerk heeft overgedragen voor de verheffing, het geestelijke leven en het geluk van de mensen. Dit erfgoed is zo belangrijk voor de mensheid dat het Christus heeft behaagd de waarheid ervan door de eeuwen heen aan de bijstand van de Heilige Geest toe te vertrouwen, die aan Petrus en zijn opvolgers onfeilbaarheid toekent.” Deze fundamentele onderstelling is onjuist, en daarom is ook de conclusie die erop is gefundeerd, dat de paus onfeilbaar is, onjuist. Beschouw de feiten eens.
PETRUS NIET HET HOOFD VAN DE KERK
In plaats dat de Heilige Schrift de bewering ondersteunt dat Jezus Christus Petrus tot hoofd van de christelijke kerk heeft gemaakt, wordt er duidelijk in aangetoond dat Jezus Christus die positie voor zichzelf heeft behouden en deze aan niemand anders heeft gegeven. Vele jaren na Jezus’ opstanding schreef de apostel Paulus, volgens de katholieke Sint-Willibrordvertaling (SW): „Christus [is] het Hoofd . . . der Kerk” (Ef. 5:23). Er is niets in de Schrift wat erop duidt dat Petrus het hoofd van de kerk was. Dat hij dit niet was, blijkt duidelijk uit het verslag over het eerste kerkconcilie dat omstreeks 49 G.T. in Jeruzalem werd gehouden. In plaats dat Petrus dit concilie presideerde, sprak hij de vergadering toe, evenals Barnabas en Paulus dit deden, maar Jakobus was degene die de onderhavige zaak samenvatte en het besluit van het concilie officieel bekendmaakte. — Hand. 15:6-29.
De meeste onderwijzende brieven over geloof en zeden die aan de vroege kerk werden geschreven, waren niet van Petrus afkomstig. Hij heeft er slechts twee geschreven, terwijl de apostel Paulus veertien brieven heeft geschreven. Dat de apostel Paulus Petrus niet als het van Godswege aangestelde hoofd van de kerk beschouwde, blijkt uit wat hij in Galaten 2:9 (SW) verklaart: „Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren gelden, [reikten] mij en Barnabas de hand als teken van gemeenschap.” Kefas of Petrus werd door Paulus, die de heilige geest had ontvangen, dus niet erkend als het fundament en het hoofd van de kerk, maar slechts als een van degenen die in deze kerk „als steunpilaren gelden”. Later berispte hij Petrus openlijk wegens daden die een apostel niet betaamden. — Gal. 2:11-14.
Maar, zo zou u kunnen opmerken, wat valt er dan te zeggen over de verklaring van Jezus in Matthéüs 16:18 (SW), waar hij zegt: „Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen”? De onderstelling dat Petrus de fundament-rots is waarnaar Jezus verwees, is onjuist. Petrus getuigt zelf wie dat fundament is als hij in 1 Petrus 2:4-8 (SW) zegt dat de gemeenteleden „levende stenen” zijn „in de bouw van de geestelijke tempel”, „een heilige priesterschap”. Daarna verwijst hij naar Jezus Christus als „de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd”, „een steen waaraan zij zich stoten, een rots waarover zij struikelen”. Petrus belijdt dus duidelijk dat Jezus Christus die rots of die fundament-hoeksteen is waarop de kerk is gebouwd.
Toen Jezus Petrus’ geloof erkende, zei hij dat hij zijn kerk niet op Petrus zou bouwen, maar op zichzelf, van wie Petrus zojuist had beleden dat hij de Zoon van de levende God was. Dit stemt overeen met Efeze 2:20 (PC) waarin Christus „de hoeksteen” wordt genoemd. Aangezien Petrus niet het fundament en het hoofd van de kerk was, kon hij geen opvolgers hebben. Daarom heeft de paus geen gezaghebbende basis voor zijn aanspraak op primaatschap en onfeilbaarheid.
PAUSEN HEBBEN GEDWAALD
Door middel van een officiële uitspraak heeft paus Pius XII tot dogma verklaard dat Maria, na het voltooien van haar loopbaan, „met lichaam en ziel in hemelse heerlijkheid is opgenomen”. Deze verklaring is echter rechtstreeks in tegenspraak met de geïnspireerde Schrift en is derhalve onjuist. Er wordt duidelijk in de Schrift verklaard dat geen enkel vleselijk lichaam de hemelse heerlijkheid kan binnengaan, en dit is in harmonie met de gezonde rede, op grond waarvan wij weten dat vleselijke, menselijke lichamen voor leven op deze aarde en niet voor het geestenrijk werden gemaakt. Zeer terecht verklaart de Schrift derhalve in 1 Korinthiërs 15:44, 45, 50 (SW) met betrekking tot de opstanding van de leden van Christus’ kerk: „Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Zoals er een natuurlijk lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam. In deze zin staat er geschreven: De eerste mens, Adam, werd een levend wezen. De laatste Adam werd een levendmakende Geest. Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet erven.”
Paus Pius IX verklaarde officieel dat Maria „vrij van alle smetten van de oorspronkelijke zonde werd bewaard”. Dit is eveneens een dwaling die indruist tegen Gods Woord der waarheid. Een geïnspireerde verklaring die meer dan twintig jaar na Jezus’ hemelvaart werd geschreven, luidt: „Zoals door één mens de zonde de wereld is binnengetreden en door de zonde de dood, zo is ook de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben” (Rom. 5:12, SW). Maria wordt hiervan niet buitengesloten. Na de geboorte van Jezus heeft zij in verband met haar reiniging zelfs een zondeoffer aangeboden (Luk. 2:22-24; Lev. 12:8). Evenals ieder ander die van Adam is afgestamd, werd Maria in zonde geboren, en geen enkele bijbelschrijver beweert het tegendeel. Voor Christus’ volgelingen sprekend, waartoe ook Maria behoorde, verklaart de apostel Johannes: „Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons.” — 1 Joh. 1:8, SW.
Wanneer de feiten worden onderzocht, wordt het duidelijk dat de aanspraak die de paus op onfeilbaarheid maakt, een grove onwaarheid is welke in het leven is geroepen om mensen die goed van vertrouwen zijn, te misleiden. De bijbel verklaart betreffende religieuze leiders die anderen misleiden: „Zulke mensen zijn valse apostelen, bedrieglijke werkers, die zich veranderen in apostelen van Christus” (2 Kor. 11:13). Zoals Jezus heeft gewaarschuwd, is het heel gevaarlijk de leiding van zulke mensen blindelings te volgen. — Matth. 15:14.