Een striptekenares op zoek naar geluk
IN HET begin van de jaren ’70 was ik een belangrijk striptekenares bij Kodansja, een prestigieuze uitgeverij in Japan. Ik was nog maar 23, maar had een maandinkomen dat schommelde tussen de 300.000 en 400.000 yen, drie tot vier keer zo veel als wat een man met een hogere beroepsopleiding en verscheidene jaren ervaring bij een grote firma verdiende. Ook leek na een verkering van twee jaar mijn liefde voor een veelbelovende jongeman te worden bekroond met een huwelijk.
Wat mij nationale bekendheid bracht, was een stripverhaal in afleveringen met de titel Geluk, dat in februari 1972 startte. Het thema ervan was: „Een kansarm meisje, Sjima, op zoek naar geluk”. Daarin hemelde ik op aangrijpende wijze de kostbaarheid van de menselijke liefde op. Ik had echter niet zozeer het geestelijke welzijn van jonge lezeressen op het oog, maar probeerde veeleer een succesvol vervolgverhaal te maken.
Nooit had ik toen kunnen dromen dat ik nog moest leren wat waar geluk betekende en dat ik, toen de serie na 46 weken werd afgesloten, een nieuw leven zou beginnen. Wat was dat voor een nieuw begin? Laat ik u eerst vertellen hoe ik striptekenares werd.
De weg tot het striptekenaarschap
Hoewel mijn ouders arm waren, zagen zij het belang in van onderwijs en beknibbelden niet op geld voor boeken. Naast die boeken las ik ook maandbladen voor meisjes. Ik was geboeid door de stripverhalen die daarin stonden. Niet tevreden met lezen alleen, begon ik stripfiguren te tekenen.
Toen ik een klein meisje was, bestonden er slechts drie maandelijkse stripbladen voor meisjes. De tijden zijn echter veranderd. Zelfs studenten en volwassenen begonnen openlijk strips te lezen. De Asahi Evening News merkte onlangs op: „Wat voor boek heeft zo veel invloed dat zelfs de televisie er een geduchte concurrent aan heeft? In Japan luidt het antwoord: het stripboek. Voor iedereen in Japan is er een eigen ’manga’ of stripboek.”
De Mainichi Daily News berichtte in 1986: „Bijna een derde van alle in Japan gepubliceerde boeken en tijdschriften behoort tot de categorie Manga — een industrie met een omzet van 300 miljard yen en een jaaroplage van zo’n 1,5 miljard.” En begin vorig jaar schreef die krant: „Vanaf augustus 1986 waren er 21 verschillende stripboeken voor volwassen vrouwen op de markt, met een gezamenlijke maandelijkse oplage van 58 miljoen exemplaren.”
Toen ik opgroeide, bestond er grote vraag naar nieuwe striptekenaars. In mijn eindexamenjaar op de middelbare school schreef een van de grootste uitgeverijen van Japan de allereerste striptekenwedstrijd uit om nieuwe striptekenaars te vinden. Verrukt deed ik aan de wedstrijd mee, maar won geen prijs. Het jaar daarop haalde mijn werk de eindronde. Het derde jaar ontving ik van de uitgeversmaatschappij het bericht: „U hebt de Derde Kodansja-prijs 1969 voor aankomende tekenaars van kinderstrips gewonnen.” Deze woorden hadden een magische uitwerking op mij, want ik stortte mij nu volledig op mijn werk.
Ik word populair
Als tekenares werk publiceren in een commercieel tijdschrift vereist een rigoureuze training. Iedere week moest ik een opwindende climax in het vervolgverhaal inbouwen, maar er ook een dusdanig eind aan breien dat de lezers gedwongen werden de volgende uitgave te kopen. Dit is niet gemakkelijk. De redactie bekijkt het werk kritisch en zegt dan op zakelijke, koele toon: „Dit hier, en dat daar — volkomen ongeschikt voor publikatie!”
Als groentje kon ik hen niet tegenspreken. „Ik zal ze onmiddellijk verbeteren”, placht ik terneergeslagen te zeggen. Dan ging ik op een holletje naar huis en werkte de hele nacht door. Zelfs nadat ik het werk braaf vier of vijf keer had overgemaakt, waren de redacteuren soms nog niet tevreden. Vaak huilde ik als ik alleen was, niet wetend waar en hoe ik iets moest veranderen.
Toch hield ik van dit werk. Ik deed daarom mijn best om aan de wensen van de uitgeverij te voldoen. Dat ik mij schikte naar de redactie, die haarfijn aanvoelde hoe de lezers zouden reageren, droeg tot mijn succes bij. Al gauw oogstte ik volgens enquêtes hoge waarderingscijfers bij de lezers, wat ongewoon was voor een beginneling. Ten slotte wedijverde ik in populariteit met de striptekenaars die ik zelf zo bewonderd had. Het vervolgverhaal Geluk, waaraan ik in het derde jaar sinds mijn debuut begon, gold van het begin af als de allerpopulairste strip.
De door mij getekende figuren haalden de omslagen van Girls’ Friend, een van de twee grootste Japanse stripbladen voor meisjes. Dit betekende dat mijn naam het tijdschrift verkocht. Droevig genoeg vond ik zelf echter niet het geluk waarover ik schreef.
Hoe zag mijn leven eruit?
Naarmate mijn populariteit groeide, veranderde mijn levensstijl, vooral nadat ik naar Tokio was verhuisd en in een appartement ging wonen. Ik gedroeg mij net zoals de andere populaire striptekenaars, die na het werk tot in de kleine uurtjes bars en clubs bezochten en dan overdag sliepen.
Om mijn populariteit te behouden, moest ik sensationelere plaatjes tekenen en terzelfder tijd meer produceren. Ik kwam altijd tijd te kort omdat ik geen snelle werker was en geen compromissen wilde sluiten wanneer het op kwaliteit aankwam. Het gebeurde heel vaak dat ik dagenlang niet in bad ging en mijn kamer een maand lang niet schoonmaakte. Om een aflevering op tijd klaar te hebben, werkte ik soms 30 of 40 uur onafgebroken. Ik offerde alles op voor mijn werk.
Hierdoor ontstond de frustratie dat ik wel geld had maar geen tijd om het te besteden. Dus begon ik geld over de balk te gooien door bijvoorbeeld iedere maand een nieuwe jurk te kopen en die zelden te dragen. Voor elk wissewasje nam ik een taxi en ik begon voor tienduizenden yens per keer grammofoonplaten te kopen. Dit vergrootte slechts de leegte die ik voelde.
In dit wereldje waar populariteit het enige is dat telt, wordt de vinnige wedijver intenser naarmate de populariteit stijgt. Als iemand de ladder opklimt, moet iemand anders omlaag. Zo gauw je de top bereikt, veranderen de andere striptekenaars in vijanden die trachten jou uit die positie te verdringen. En als je populariteit nu eens afneemt? Als je honorarium per aflevering eenmaal omhooggaat, zal het zelden dalen. Wanneer dus je populariteit afneemt en je honorarium hoog blijft, krijg je geen opdrachten meer. Je wordt dan vergeten.
Hoewel ik echt het gevoel had dat ik iets presteerde, vond ik in de wereld van de succesvolle striptekenaars een leegte en rusteloosheid die mijn hart verkilde. Dat wilde ik echter niet toegeven.
De bron van waar geluk?
In oktober 1971 kwam er een presentabele jongeman bij mij aan de deur. Hij was een van Jehovah’s Getuigen. Na enkele bezoeken stelde hij mij aan zijn moeder voor en zei: „Mijn moeder zal het nu overnemen.”
Ik bezat de roem en het geld waarnaar ik had verlangd, maar ik zag er niet zo welgesteld of zo gelukkig uit als mevrouw Satogami, die mij hielp met mijn studie van de bijbel. Zelfs mijn gevoelens voor mijn vaste vriend waren niet zo sprankelend als de vreugde die er van haar afstraalde wanneer zij over haar God, Jehovah, sprak. Waar zat ’m dat in? Ik wilde weten of de bijbel daartoe de sleutel was.
Maar tijd vinden om te studeren was niet gemakkelijk, vooral niet met mijn gewoonte om ’s middags om 12 uur naar bed te gaan, ’s avonds om 6 uur op te staan en dan tot 12 uur ’s middags van de volgende dag te werken. Ik werd vaak wakker van het geluid van de deurbel, waarna ik mij waste en dan met de studie begon.
Obstakels
Ten slotte begon ik met mijn assistenten en mijn vriend te praten over de dingen die ik leerde. ’Dit moeten zij allemaal weten’, dacht ik. Bovenal wenste ik dat mijn vriend zou gaan studeren. Hij toonde echter geen enkele interesse, en telkens als het onderwerp ter sprake kwam, werd hij knorrig. Ik was verbijsterd en maakte mij bezorgd. Word ik bedrogen, zoals hij zegt? Zou ik hem op een dag kwijtraken als ik ermee doorging? De gedachte hem kwijt te zullen raken, was ondraaglijk. Wij waren ontzettend veel van elkaar gaan houden, dat dachten wij tenminste, en ik had niet eens zin om te werken als hij mij niet had opgebeld. Zijn bruid te zijn, was mijn innige wens.
Toen ik met mijn studie vorderde, begonnen mij andere dingen te verontrusten. Mijn levenswijze en mijn kijk op het leven stonden ver van de bijbelse maatstaven af. Ik huiverde bij de ernst van mijn verantwoordelijkheid als ik eraan dacht hoe de opvattingen van de auteur, weerspiegeld in de stripverhalen, tienduizenden ontvankelijke kinderen beïnvloeden. Met mijn rust was het helemaal gedaan toen ik ging beseffen dat ik via de dialogen van mijn stripfiguren wellicht slechte dingen propageerde. Alleen al door het lezen van de fanmail die ik elke week ontving, wist ik precies hoe de jonge geest op die korte dialogen reageert.
Als professional moest ik echter goed verkopende strips schrijven. Wat goed verkoopt, blijkt duidelijk uit de immorele en gewelddadige strips die nu enorm populair zijn. En van mij als toonaangevend striptekenares werd verwacht dat ik tegemoet kwam aan wat zulke lezers vroegen. Ik had er slag van de fantasie van dromerige meisjes te prikkelen omdat ik op aangename wijze wist uit te beelden hoe tieners verliefd worden en relaties aanknopen. Dat was in feite de voornaamste reden voor mijn vroege succes.
Ik stond voor een dilemma. Wat ik uit de bijbel had geleerd, maakte dat ik veranderingen wilde aanbrengen, maar het ontbrak mij aan een sterke drijfveer. Ik geloofde in evolutie en erkende het bestaan van een Schepper niet. Anderzijds kon ik niet ontkennen dat wat ik leerde logisch en redelijk klonk.
O, hoe wenste ik dat mijn vriend dit samen met mij zou onderzoeken! Maar dat heeft hij nooit willen doen. Ten slotte zei hij op een dag: „Ik ben bang het te onderzoeken.” Wat een lafaard! Ik ging mij afvragen of hij werkelijk van mij hield. En ik? Kon het zijn dat ik verliefd was op de liefde zelf?
Een keerpunt
In mei 1972, toen ik voor de tweede maal een openbare vergadering van Jehovah’s Getuigen bezocht, werd ik voorgesteld aan een andere jonge bijbelstudente van mevrouw Satogami. Het klikte tussen ons en ik beloofde haar later die dag in haar appartement op te zoeken. Op weg erheen gleed ik uit en verstuikte mijn enkel. Hierdoor was ik gedwongen om die nacht bij haar te blijven.
Het geval wilde dat ik die avond een boek van haar boekenplank pakte waarvan de titel luidde: Is de mens ontstaan door evolutie of door schepping? Ik was benieuwd wat dat boek te zeggen had. Hoewel het overgordijn gesloten was, drong er wat licht van de straatlantaarns naar binnen. Ik verborg mij achter het gordijn en terwijl ik mijn uiterste best deed om het licht niet op mijn slapende vriendin te laten vallen, begon ik het boek te lezen.
Wat een prachtig boek was dat! Vele malen kon ik niet verder lezen door de tranen die in mijn ogen opwelden. Toen de morgen aanbrak, had ik bijna het hele boek uit. Ik kon mijn tranen niet bedwingen. De evolutietheorie is een leugen! Er bestaat een grootse Schepper van het universum en de mensheid! Dat was de meest ontroerende nacht in mijn leven. Er is een God! De logische bewijzen liggen voor het oprapen. Hoe kon ik er nog langer voor terugschrikken de almachtige God te dienen?
Nu ik begon om te gaan met anderen die hetzelfde verlangen hadden God te dienen, bleken de dingen die eerst zo aangenaam hadden geschenen — uitgaan om te drinken en eindeloos leeg gepraat — volkomen zinloos. Ik walgde nu van de smerige taal die mijn vrienden uitsloegen en van hun gesnoef op hun onzedelijke escapades.
Op zichzelf genomen waren de redacteuren en de andere striptekenaars heel aardige mensen. Maar golven van Satans geest van toegeeflijkheid waren onze stripwereld binnengedrongen en holden die uit. Mensen spreken uit de overvloed van hun hart (Matthéüs 12:34). Immorele strips weerspiegelen de waarden die degenen die ze tekenen eropna houden. Wie kan met recht ontkennen dat Satan sommige strips op subtiele wijze heeft gebruikt als een krachtig wapen om mensen tot immoreel en gewelddadig gedrag aan te zetten? Ik moest toegeven dat ik zelf via mijn strips, week in week uit, een immorele denkwijze had gepropageerd.
Na beschouwd te hebben wat voor iemand ik was, kwam ik tot de conclusie dat het onmogelijk was om God de eerste plaats in mijn leven toe te kennen en als populaire striptekenares te blijven werken. Ik vertelde de redactie dat ik ermee stopte. Ook beëindigde ik de relatie met mijn vriend.
De weg tot geluk
De stripserie Geluk eindigde in december 1972 met de aflevering waarin Sjima begon aan een nieuw leven dat gevuld was met hoop. Ook ik begon een week na afloop van de serie aan een nieuwe levenswijze. Ik werd gedoopt als symbool van mijn opdracht aan Jehovah God.
Toen in juni 1973 mijn contract afliep, stopte ik met mijn werk als striptekenares en in september werd ik een volle-tijdbedienaar van Jehovah’s Getuigen. Intussen smaakte ik de vreugde twee van mijn assistenten te kunnen helpen de weg tot waar geluk te leren kennen. Sinds 1975 heb ik elke maand meer dan 140 uur besteed aan de christelijke bediening.
Heeft deze weg mij geluk gebracht? Ik heb niet langer een hoog inkomen, maar ik ervaar een voldoening die ik als striptekenares niet bezat. Mijn werk bestaat er nu in anderen te helpen de weg tot eeuwig geluk te vinden. En dit werk is veel creatiever dan dat van een striptekenaar. Ook ben ik omringd door medegelovigen, die ware broederlijke genegenheid tonen. Bovenal heb ik het geweldige voorrecht de Grootse Schepper van het universum te kennen en te dienen en bezit ik de hoop hem voor eeuwig op een paradijsaarde te loven. — Zoals verteld door Joemiko Foedjiji.
[Illustratie op blz. 23]
De figuren die ik tekende, haalden de voorpagina’s van een groot stripblad
[Illustraties op blz. 24]
Door het winnen van een striptekenwedstrijd belandde ik in de stripwereld
[Illustratie op blz. 26]
Nu neem ik deel aan het openbare predikingswerk van Jehovah’s Getuigen