Mijn Sikh-achtergrond en mijn speurtocht naar waarheid
Zoals verteld door Balbir Singh Deo
WANNEER ik de haat zie die mensen elkaar op grond van hun religie toedragen, maakt dat mij bedroefd. Zelfs hier in India is de rol van zogenaamde christenen in de politiek en in nationalistische oorlogen welbekend.
De twee wereldoorlogen zijn immers bijna uitsluitend gestreden door naties die beweren christelijk te zijn! En de martelingen en moordpartijen die in het verleden met de steun van „christenen” hebben plaatsgevonden, vinden thans nog steeds voortgang in gebieden zoals Noord-Ierland, waar katholieken en protestanten elkaar bevechten en doden. Deze voortdurende strijd, naast de reputatie bekeerlingen te kopen met voedsel, heeft niet bepaald een gunstige indruk achtergelaten. Kunt u begrijpen waarom zovelen van ons, Indiërs, zo’n aversie hebben tegen alles wat christelijk heet?
Terzelfder tijd stemde het mij droevig de haat te zien die er onder de Indiërs onderling heerst omdat men Sikh is in plaats van hindoe of hindoe in plaats van moslim. Ware aanbidders, zo dacht ik, zouden zelfs degenen moeten liefhebben die een ander geloof hebben. Het terrorisme dat de afgelopen paar jaar hier in India door hindoes en Sikhs is bedreven, is wel bijzonder schokkend geweest.
Ondanks het voortdurende, met tussenpozen oplaaiende geweld waren mijn drie oudere broers en mijn schoonzuster noch ik heel erg bang. Ook mijn zuster en haar man voelden zich tegen het geweld beschermd. Maar waarom, aangezien wij alle zeven als Sikhs waren grootgebracht? Laat ik u, voordat ik dat uitleg, eerst iets over de Sikhs vertellen.
De Sikh-religie
De Sikh-religie is een monotheïstische godsdienst met zijn eigen geschriften, initiatieriten, huwelijks- en begrafenisceremoniën, bedevaartplaatsen en plaatsen van aanbidding. De 15 miljoen Sikhs in de wereld ontlenen hun geloofsovertuigingen aan een 15de-eeuwse Indiase goeroe of leraar, genaamd Nanak. Zijn volgelingen stonden bekend als Sikhs, afgeleid van een woord in het Sanskrit dat „leerling” betekent.
Nanak werd geboren uit hindoe-ouders in de streek Punjab in Noord-India; zijn geboorteplaats maakt nu deel uit van Pakistan. De meeste van zijn volgelingen komen uit de Punjab, hoewel Sikhs zich in heel India en in andere delen van de wereld hebben gevestigd. Alleen al in Engeland wonen zo’n 300.000 Sikhs.
Tijdens Nanaks vroege leven waren er voortdurend conflicten tussen hindoes en moslims en hij was diep onder de indruk van het leed dat de oorlogen aan beide zijden veroorzaakten. Toen hem werd gevraagd welke religie hij zou volgen, antwoordde hij: ’Er is hindoe noch muzelman, dus wiens pad zal ik volgen? Ik zal Gods pad volgen. God is hindoe noch muzelman, en het pad dat ik zal volgen, is dat van God.’
Hoewel Nanak niet de bedoeling had een nieuwe religie te stichten, werd hij de leider van een religieuze beweging. Net zoals anderen uit zijn tijd leerde hij dat het in India bestaande kastenstelsel een slechte zaak was. Hij vatte zijn boodschap samen in drie fundamentele geboden: Werk, aanbid en geef in liefdadigheid.
De laatste goeroe
Naar de volgelingen van goeroe Nanak begrepen, openbaart God zich via de goeroe of leraar. Dit maakte opvolgers noodzakelijk, zodat over een periode van zo’n 200 jaar de leiding over de groeiende Sikh-gemeenschap achtereenvolgens bij tien verschillende goeroes berustte. Ten slotte gaf de tiende goeroe, Gobind Singh, te kennen dat zijn opvolger geen mens zou zijn. In plaats daarvan zouden de heilige geschriften van Nanak, van latere Sikh-goeroes en van hindoe- en moslim-„heiligen” de plaats van menselijke goeroes innemen. Deze geschriften, verzameld in een boek dat de Goeroe Granth-Sahib of Adi-Granth werd genoemd, werden mettertijd door de Sikhs als het woord van God beschouwd.
Aan de Goeroe Granth-Sahib wordt dezelfde eerbied en achting betoond als aan de vroegere menselijke goeroes. Het boek wordt in de woningen van de Sikhs in een speciale kamer duidelijk zichtbaar opgesteld en daar gelezen. In de gurdwara’s (plaatsen van aanbidding van de Sikhs) zijn geen religieuze beelden of afbeeldingen en worden geen formele diensten gehouden, en evenmin staat er een altaar of kansel. De Goeroe Granth-Sahib wordt op een verhoogd platform op kussens gelegd met daarboven een baldakijn. De verzen uit het boek worden ten aanhoren van de aanwezigen voorgelezen en gezongen.
Gobind Singh, de laatste menselijke goeroe, vormde ook een organisatie die de Khalsa (zuiveren) werd genoemd. Dit is een speciale broederschap van Sikhs die bereid zijn hun leven volledig aan religieuze beginselen te wijden. Ten einde ieder kastenonderscheid op grond van hun vroegere achternaam teniet te doen, namen de leden van de Khalsa de achternaam Singh aan, wat „Leeuw” betekent. Vrouwelijke leden van de Khalsa gebruikten de achternaam Kaur (Leeuwin en Prinses). Zulke achternamen worden soms gevolgd door een identificerende familienaam.
Het dragen van de vijf k’s was eveneens een vereiste, zodat de mannelijke leden van de Khalsa zich qua uiterlijk van anderen onderscheidden. Als eerste de kesh, een niet-bijgeknipte baard en lang haar dat men keurig boven op het hoofd gewikkeld droeg. Als tweede werd het haar vastgezet met een kangha of kam, waarover gewoonlijk een tulband kwam. Als derde was er de kachs of korte broek, die als onderkleding werd gedragen, en als vierde de kara, een ijzeren armband. Ten slotte een kirpan of zwaard, dat gedragen werd om geloofsovertuigingen te verdedigen. Deze vijf k’s vormden samen een kenmerkend uniform dat de Sikhs onderscheidde van andere Indiase groeperingen. Hoewel er af en toe dingen zijn veranderd, houden de Khalsa-leden tot op de huidige dag aan deze tradities vast.
In tegenstelling tot de hindoes, die vele goden hebben, geloven de Sikhs in één god. Sikhs verwerpen ook ascetisme, vasten en vegetarisme. Maar evenals de hindoes geloven Sikhs over het algemeen dat de mens gebonden is aan een cyclus van wedergeboorten tenzij hij verlossing ontvangt doordat hij wordt verlicht. Het woord van God, overgebracht door de goeroe, wordt beschouwd als het enige middel om tot een dergelijke verlossing te geraken. Men denkt dat het uiteindelijke doel van de mens is, verenigd te worden met God, bevrijd van het fysieke lichaam.
Een persoonlijke speurtocht
Hoewel ik als Sikh werd opgevoed, riepen gebeurtenissen in mijn leven vragen op. Terzelfder tijd stelde de opvoeding die mijn vader mij gaf mij in staat onbevangen tegenover ideeën te staan die verschilden van wat wij in onze familie geloofden.
Toen ik zeven jaar was, stierf mijn moeder. Hierdoor voelde ik mij hulpeloos en verward. In een poging ons gezin te troosten, zeiden verwanten: ’Bedenk dat goede mensen jong sterven’, en: ’In de hemel heeft zij vrede.’ Ik schreef haar brieven en verbrandde die vervolgens, in de hoop dat ik haar zo kon laten weten hoezeer wij haar misten. Toch voelde ik een leegte, aangezien ik geen hoop had haar ooit weer te zien.
Terwijl ik opgroeide, begon ik de Sikh-religie ernstiger te onderzoeken door regelmatig in de Goeroe Granth-Sahib te lezen; ook bad ik vurig tot goeroe Nanak. Hoewel wij in één god geloofden, was het gebruikelijk om ook tot Nanak te bidden, die wij bezagen als iemand die ons kon helpen dichter tot God te naderen. Toch brak ik mij nog steeds het hoofd over de vraag waarom mensen slechte dingen doen.
Omdat Vader wilde dat wij de beste opleiding kregen die beschikbaar was, stuurde hij ons naar een „christelijke” school. Hoewel enkele zogenaamde christenen oprecht leken, was de huichelarij bij de meesten duidelijk zichtbaar. Wij en andere niet-christenen op de school kregen te horen dat de kosten van onze opleiding betaald zouden worden door een buitenlandse sponsor als wij de kerk bezochten en aan de kerkelijke activiteiten deelnamen. Dergelijke aanbiedingen kwamen op mij over als omkoperij.
Maar toen ik 17 jaar was, gebeurde er iets wat mijn belangstelling voor de bijbel wekte. Een vriend vertelde mij dat oorlogen en veel andere hedendaagse problemen in de bijbel waren voorzegd. Ik geloofde niet dat dat waar kon zijn, maar toen mij Matthéüs hoofdstuk 24 werd getoond, stond ik versteld over de dingen die daar werden voorzegd. De bijbel moet beslist veel waarheid bevatten, dacht ik.
De Getuigen bezoeken ons
Op een dag in 1976 kwam er in Calcutta een jongeman bij ons aan de deur die een van Jehovah’s Getuigen was. Hij liet een exemplaar van de publikatie Maak je jeugd tot een succes bij mij achter en ik las het in één dag helemaal uit. Hij kwam terug en nodigde mij uit voor een vergadering in de Koninkrijkszaal. Ik bezocht deze en was onmiddellijk onder de indruk.
Hoewel ik maar een T-shirt en spijkerbroek aan had, werd er onder de aanwezigen beslist geen onderscheid gemaakt op grond van kleding, economische status, leeftijd, ras of familieachtergrond. En de mensen straalden een oprechte warmte uit. Ik werd uitgenodigd op de voorste rij plaats te nemen, waar ik luisterde naar een zinnige lezing over de vraag: „Spreekt de bijbel zichzelf tegen?” Ik begon de bijbel te bestuderen met behulp van een Getuige die ik in de Koninkrijkszaal ontmoette en niet lang daarna bezocht ik regelmatig alle vergaderingen.
Wat ik leerde was totaal anders dan wat ik had gehoord op de „christelijke” school die ik had bezocht. Jehovah’s Getuigen aanbidden Jezus niet. In plaats daarvan aanbidden zij de Almachtige God, Degene die door Jezus zelf werd aanbeden. Bovendien leerde ik dat Gods naam, zoals de bijbel die vermeldt, Jehovah is. — Psalm 83:18.
Op de vergaderingen in de Koninkrijkszaal bestudeerden wij werkelijk de bijbel, iets wat wij op de „christelijke” school niet deden. Ik was heel blij te leren dat er een groot verschil bestaat tussen enerzijds de katholieke en protestantse religies, die voorgeven christelijk te zijn, en anderzijds wat de bijbel werkelijk leert. Jehovah’s Getuigen toonden mij aan de hand van de bijbel dat Jehovah God de steun van de „christelijke” religies aan de door hun politieke leiders aangestichte oorlogen veroordeelt. — Johannes 17:14; 18:36; Matthéüs 26:52; Jesaja 2:4.
Het is begrijpelijk dat degenen met wie ik regelmatig omging, mij in een ander licht gingen bezien. ’Het zijn alleen maar je emoties die je parten spelen’, beweerden mijn vrienden. Familieleden waren zeer verbaasd en stelden vragen over mijn standpunt. Het leren kennen van de bijbelse waarheid is in mijn geval echter geen voorbijgaande emotionele bevlieging geweest. In plaats daarvan heeft het mijn leven verrijkt en mij diepe voldoening geschonken. Waar anders kan men zo’n wereldomvattende broederschap vinden waar ieder lid echte liefde in praktijk brengt — niet slechts in woord, maar ook in daad?
Mijn familie raakt geïnteresseerd
Ook mijn familie dacht dat mijn studie van de bijbel een bevlieging was en verwachtte dat die spoedig over zou gaan. Mettertijd besloot mijn oudste broer Rajinder mij naar een van deze bijeenkomsten te vergezellen. Hij werd hartelijk verwelkomd en kwam eveneens onder de indruk van wat hij zag. Hij begon samen met mij de vergaderingen te bezoeken. Maar aangezien onze belangstelling voor de bijbel zo enorm verschilde van de religieuze opvoeding die wij hadden gekregen, spraken wij er geen van beiden thuis zo openlijk over. Daardoor kreeg Rajinder, die pas getrouwd was, wat problemen.
Zijn vrouw, Sunita, begon zich zorgen te maken toen haar man enkele keren per week met mij meeging naar de Koninkrijkszaal en haar alleen achterliet. ’Wat is er nu precies gaande?’ vroeg zij zich af. Na enige gesprekken waren de misverstanden uit de weg geruimd en nodigde Rajinder zijn vrouw uit om ons te vergezellen. Hoewel Sunita in het begin niet alles kon volgen wat er besproken werd, begon zij samen met ons de vergaderingen te bezoeken en de bijbel te bestuderen.
Een andere broer, Bhupinder, begon belangstelling te krijgen voor onze activiteiten en zag de waarde in van de dingen die wij leerden en in ons leven toepasten. Ook hij begon te studeren. Jaspal, onze laatste broer, vond het intussen maar niets dat wij ons met Jehovah’s Getuigen inlieten en nam mij graag op de korrel met zijn spot. Maar na enige tijd ging hij de wijsheid inzien van bijbelse raad en begon te studeren. Als resultaat van deze studies werd ik in 1978 als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt. Rajinder, Sunita, Bhupinder en Jaspal volgden in 1979.
Toen kwamen mijn zuster Bavi en haar man Kartar na een verblijf van vijf jaar in Engeland naar India terug. Bavi was van mening dat als wij Jehovah’s Getuigen wilden worden, wij dat zelf moesten weten, maar persoonlijk wilde zij niets met de Getuigen te maken hebben. Wij respecteerden haar gevoelens en probeerden haar niet onze geloofsovertuiging op te dringen. Het duurde echter niet lang voordat Bavi en Kartar ons vele vragen begonnen te stellen. Dit leidde uiteindelijk tot een bijbelstudie. Hun geloof in Jehovah en hun liefde voor hem begonnen te groeien en dit heeft hun in een tijd van religieus geweld in India tot bescherming gediend.
De waarheid was een bescherming
De nacht van 31 oktober 1984, de dag waarop mevrouw Gandhi werd vermoord, deden Bavi en Kartar haast geen oog dicht. In die tijd woonden zij in het noorden van India, ver van de rest van onze familie vandaan. Daar werden veel Sikhs door woedende menigten vermoord. Sommige inwoners wezen bereidwillig de huizen aan waar Sikhs woonden — en spraken daarmee in feite het doodvonnis uit over hun Sikh-buren.
De volgende morgen onthulde Bavi en Kartar een nachtmerrie van dood en verwoesting. In weerwil van wat er om hen heen gebeurde en ondanks het feit dat zij de achternaam Singh dragen, was hun niets overkomen. Hoewel zij slechts met de Getuigen studeerden, stonden zij bij hun buren als Jehovah’s Getuigen bekend, en hun huis werd niet aangevallen. Zo was het ook in Calcutta, waar mijn broers in de gemeenschap bekendstaan als bedienaren van Jehovah’s Getuigen, en dit is voor hen een bescherming geweest.
Vaders reactie
Het is waar dat onze Sikh-vader zijn vier zoons en ene dochter niet heeft zien worden wat hij zich van hen had voorgesteld. Hoewel mijn drie broers in het familiebedrijf helpen, hebben zij niet de gedrevenheid die zo gewoon is onder Indiase zakenlieden om hun vergankelijke materiële rijkdommen te vermeerderen. Hun geest en hart zijn vast gericht op de blijvende geestelijke rijkdommen en de vreedzame nieuwe aarde die Jehovah God de mensheid heeft beloofd. Een van mijn broers dient als ouderling in de christelijke gemeente. Twee van ons zijn dienaar in de bediening. Mijn lieve vrouw, Lavinia, en ik hebben bovendien het voorrecht om als volle-tijddienaren in India te werken. En mijn zuster en haar man, die nu in Afrika wonen, werden in 1986 gedoopte Getuigen.
Onze vader heeft de voortreffelijke uitwerking gezien die de rechtvaardige bijbelse maatstaven op ons hebben gehad. Dat is iets wat hem gelukkig maakt. Wanneer hij met anderen over zijn kinderen spreekt, doet hij dat met trots. ’Zeg mij wat voor kwaad mijn kinderen als Jehovah’s Getuigen doen en ik gooi ze het huis uit’, heeft hij eens uitdagend gezegd.
Mijn vader is gaan beseffen dat onze krachtsinspanningen gericht zijn op iets wat veel waardevoller en duurzamer is dan het verwerven van rijkdom en aanzien. En hij heeft persoonlijk de bescherming gezien die wij tijdens de recente periode van geweld ondervonden. Het is onze vurige wens dat hij en vele andere oprechte waarheidszoekers met hem, zich op een goede dag bij ons zullen aansluiten in de aanbidding van de ware God in een echte wereldomvattende broederschap.
[Inzet op blz. 21]
Een boek dat de Goeroe Granth-Sahib werd genoemd, werd mettertijd door de Sikhs als het woord van God beschouwd
[Illustratie van Balbir Singh Deo op blz. 19]
[Illustratie op blz. 23]
Met mijn vrouw op het bijkantoor in India