Ik groeide op als een hindoe
IN 1968 keerde ik van de universiteit in de Verenigde Staten terug om mijn familie in Jamnagar, in India, te bezoeken. Enkele vrienden hadden een groot diner te mijner ere aangericht, en ook mijn vaders goeroe, Swami Trivenipuri, was aanwezig. Na het diner sprak hij over de allerhoogste god en zijn verhouding tot de drieënige god van de hindoes, Trimurti, en over hetgeen de drie gezichten van de drieëenheid voorstellen. Ik vroeg hem daarom:
„Zijn de beelden die de hindoes aanbidden niet gewoon afgoden? Is het goed of slecht dat deze worden aanbeden?”
Hij antwoordde: „Dit is heel goed, want ze vormen schakels tot de allerhoogste god.”
Ik vroeg daarop: „Zijn de beelden eigenlijk geen struikeblok voor het begrijpen van de allerhoogste god? Denken de meeste mensen niet dat de afgodsbeelden zelf goden zijn?”
„Dat gelooft alleen maar het gewone volk”, zei hij, en vervolgde zijn bespreking. Dat leek mij echter niet juist. Ik wist dat mijn moeder niet onontwikkeld was. Zij had rechten gestudeerd aan de universiteit. Maar als zij naar de tempel ging, zei ze toch dat zij god ging durshan. Dit woord uit het Gujarati betekent „zien”. Dat was haar inzicht; zij ging naar de tempel om god te zien; de steen of afgod was daar immers. Ik wist dat moeder de afgod op zich als heilig beschouwde, omdat ze mij dat zelf had geleerd.
Grootgebracht in het hindoeïsme
Tot mijn vroegste herinneringen behoren de bezoeken die ik bracht aan de Bhidbhanjan-tempel dicht bij ons huis. Vanaf mijn prille jeugd werd ik in de Hindoe-aanbidding opgevoed. Voordat ik kon lopen, droeg mijn moeder mij al naar de tempel.
Tegen de tijd dat ik vijf of zes jaar was, ging ik zelf naar de tempel. Elke dag als ik uit school kwam liep of fietste ik vóór het avondeten naar de tempel. Ik deed dan mijn schoenen uit en ging naar binnen. Telkens als ik daar in de nabijheid van al die goden mijn aanbidding verrichtte, ging mijn hart sneller kloppen en bekroop mij een diep gevoel van ontzag en verering.
Nooit verzuimde ik in de tamelijk kleine ruimte zonder zitplaatsen mijn knieën te buigen voor het beeld van Siva, onderwijl in mijzelf zijn naam herhalend. Stil, in gebed, vroeg ik Siva dan of hij mij wilde helpen goede cijfers op school te halen, of mijn vader en moeder gezond mochten blijven, en ook om andere dingen. Niemand sprak luid in de tempel, zelfs de priesters niet.
Mijn bezoeken aan de tempel duurden meestal zo’n tien minuten. Daarna ging ik naar huis om te eten, ongeveer vijf blokken van de tempel vandaan.
Mijn ouderlijk huis in Jamnagar
Het huis van mijn ouders, Mukund Villa geheten en gelegen aan de Swaminarayanstraat, heeft meer dan twintig kamers en beslaat een half huizenblok in Jamnagar, een stad van ongeveer 150.000 inwoners. Ik werd in 1946 in dit huis geboren, en groeide hier op te midden van mijn grootvader, ouders en vier broers en zusters.
Toen ik nog een jongen was, was mijn grootvader minister van landbouw van de Indiase deelstaat Saurastra, die nu is opgegaan in de staat Gujarat. Mijn vader was afgestudeerd in de rechten, maar in plaats van een rechtspraktijk te beginnen, was hij de zakenwereld ingegaan en medeëigenaar geworden van twee drukkerijen — een in Bombay en de andere in Jamnagar.
Ons huis bezat een lange smalle kamer, of tempel, vol afgodsbeelden. Voordat wij deze betraden, gingen wij ons eerst volledig baden. Ik had geleerd hoe ik met gekruiste benen voor de goden moest zitten en mijn geest moest leegmaken van alle gedachten. Mijn ouders legden mij uit dat dit onder andere te bereiken was door de naam van een god voortdurend te herhalen, door bijvoorbeeld steeds te zeggen: „Hare Krishna, Hare Krishna.”
Later kreeg ik een snoer stenen kralen, dat qua aanzien en gebruik enige gelijkenis vertoonde met de katholieke rozenkrans. De bedoeling was de kralen één voor één op het snoer naar voren te schuiven en dan elke keer de naam van de god te herhalen.
Mijn verlangen God te leren kennen
Hoewel ik getrouw was in het verrichten van deze voorgeschreven religieuze handelingen, had ik niet het gevoel dat ik God werkelijk kende. Is God een bestaand persoon, zo vroeg ik mijzelf af. Wat is Zijn wil ten aanzien van de mens? In mijn jeugd werden mijn vragen nooit beantwoord.
Hindoe-ouders zijn er over het algemeen niet op voorbereid hun kinderen godsdienstonderricht te geven. Mijn moeder trachtte mij wel te helpen, maar door de manier waarop ze dit deed veroorzaakte ze alleen maar meer verwarring. Zij leerde mij bijvoorbeeld elke avond voor het slapen gaan bij mijn bed te knielen en mijn gebed te beginnen met: „O, God!” Maar wie is toch die God, zo vroeg ik mij af, want wij hadden overal in huis tientallen goden staan, verscheidene in elke kamer.
Naarmate ik ouder werd, bemerkte ik dat er voor mij geen enkele mogelijkheid bestond het onderwerp religie nader te bestuderen. Voor de overgrote meerderheid van India’s meer dan 400 miljoen hindoes zijn geen voorzieningen voor godsdienstig onderricht getroffen. Hindoetempels zijn geen plaatsen waar godsdienstonderricht wordt gegeven. De priesters daar zijn geen godsdienstonderwijzers. Hun werk omvat slechts de zorg voor de tempel en het omliggende terrein, terwijl het bovendien hun plicht is ’s morgens de poorten en deuren te openen en deze ’s avonds weer te sluiten, wierook voor de goden te branden en offers van aanbidders in ontvangst te nemen.
Hindoepriesters hebben niet aan de een of andere school een opleiding voor hun ambt ontvangen. Iemand wordt eenvoudig priester omdat hij de zoon van een priester is. Hindoepriesters weten daarom — hoe verwonderlijk dit westerlingen ook mag toeschijnen — niet meer van religie af dan de gemiddelde hindoe. Zij zijn onwetend voor zover het enige kennis van God betreft; ook zij waren derhalve niet in staat mijn verlangen om God te leren kennen, te bevredigen.
Leven na de dood
De voornaamste leerstelling van het hindoeïsme is die van de eeuwige voortzetting van het leven. De eminente hindoe Swami Vivekananda stelde het als volgt: „De menselijke ziel is eeuwig en onsterfelijk, . . . De ziel zal van geboorte tot geboorte en dood tot dood zich steeds hoger ontwikkelen of naar een lager niveau afdalen.”
Deze overtuiging wordt iedere hindoe door dagelijkse handelingen en gebruiken ingeprent. Mijn moeder was bijvoorbeeld gewoon voedsel voor de vogels op ons dak te strooien, waarbij zij mij uitlegde: „Deze vogels zijn misschien de heengegane zielen van personen die wij hebben gekend en zij zullen onze vriendelijkheid op prijs stellen.”
Er lopen ook veel koeien vrij door de straten van Jamnagar. Ik herinner mij nog dat op een dag, ik zal toen ongeveer zes jaar geweest zijn, de poort van onze tuin was opengelaten en er enkele koeien naar binnen kwamen lopen. Het was mijn taak ze naar buiten te jagen en dus pakte ik een plank en sloeg een koe om haar aan het lopen te krijgen. Mijn moeder gaf mij hiervoor een flinke uitbrander. „Koeien mogen niet worden geslagen! Ze zijn heilig!” zei ze, gelovend dat er zielen van overleden personen in huisden.
De eerbied waarmee hindoes alle levende dingen bezien, leidt soms tot problemen en moeilijk te verklaren daden. Een hindoe-muizenval ziet er bijvoorbeeld voor een westerling heel vreemd uit. Ze heeft iets weg van een klein kistje waarin een muis, na erin gelopen te zijn om het lokaas te pakken, door het dichtvallen van een deurtje levend wordt gevangen. Als we een muis vingen, moest ik haar van moeder naar buiten brengen en op straat loslaten. „Maar dan komt ze natuurlijk wéér in huis”, herinner ik mij eens te hebben gezegd. Daarop zei ze me dat ik de muis dan maar een paar blokken verder moest brengen en daar moest loslaten.
Vliegen en insekten vormen het grootste probleem. Als wij aten, moest er doorgaans iemand bij staan om de vliegen weg te wuiven. Deze sloeg niet naar ze om ze te meppen, maar alleen om ze van het voedsel af te houden, en dat alles enkel omdat er werd geloofd dat in elke vlieg de ziel van een overledene woonde.
Ook ik geloofde dat de menselijke ziel verhuisde, met als doel bij iedere wedergeboorte in een hogere staat te komen. Als wij ’s avonds samen op ons dak zaten, sprak mijn grootvader soms met mij over het bereiken van het nirvana, dat naar wordt verondersteld het niets of een uiteindelijke vereniging met God is. Dit moeilijk te bevatten denkbeeld hielp mij beslist niet God te leren kennen. Mijn opvatting van hem werd er alleen maar verwarder door.
Zou een goeroe mij kunnen helpen?
Het gesprek over het nirvana overtuigde mij ervan dat ik in intellectueel opzicht vorderingen moest maken in het hindoeïsme. Hiervoor moest ik een goeroe, of persoonlijke onderwijzer hebben. Ik kan mij nog herinneren hoe mijn vader voor het eerst zijn goeroe kreeg. Hij koos er een uit door verschillende goeroes bij ons thuis te laten komen. Zij dineerden of lunchten dan bij ons, waarna zij zich in een kring zetten en gesprekken voerden. Soms luisterde ik, hoewel ik toen nog heel jong was. Ten slotte vond mijn vader degene die hij het meeste mocht.
Een goeroe is een kenner van de heilige hindoegeschriften. Men wordt een goeroe door eerst als een discipel van een goeroe te dienen. Goeroes nemen meestal niet de moeite om met minder onderlegde hindoes te spreken, omdat zij van mening zijn dat zulke personen hun onderwijzingen toch niet kunnen vatten. Zodoende hadden mijn vader en grootvader, die beiden door een goeroe in de heilige hindoegeschriften waren onderricht, een andere opvatting over god dan personen die minder onderlegd waren.
Zij spraken soms over een god die buiten de afgoden stond en zeiden dat de afgoden geen werkelijke goden waren. Ik herinner mij hoe ik vaak ’s avonds met mijn grootvader buiten op het dak zat en hij mij vertelde over Trimurti, de drieënige god die bestond uit Brahma, Vishnu en Siva. „Ze zijn in werkelijkheid slechts één god” placht hij altijd te zeggen. „Er is slechts één oppermachtige god.”
Het kwam mij echter allemaal tegenstrijdig voor, vooral wanneer grootvader en vader zich dan in aanbidding voor de afgoden neerbogen! Eens zou ik het echter begrijpen, dacht ik, want ik koesterde oprecht het verlangen de ware God te leren kennen. Ondertussen overtuigden mijn ouders mij ervan dat ik een wetenschappelijke opleiding moest volgen.
Streven naar wereldse kennis
Mijn ouders hadden altijd sterk de nadruk gelegd op onderwijs. Vanaf mijn tweede jaar bezat ik een speciale huisonderwijzer. Hij was het hoofd van de lagere school. Toen ik vier jaar was, kon ik goed lezen en schrijven. Bij het bereiken van de schoolgaande leeftijd werd ik als zesjarige in de vierde klas geplaatst.
Op veertienjarige leeftijd haalde ik op het Nawanagar-college in Jamnagar mijn einddiploma van de middelbare school. Daarop ging ik twee jaar naar het bekende Elphinstone-college in Bombay, ongeveer 560 kilometer van Jamnagar vandaan, waar ik werd voorbereid op een voortzetting van mijn studie in de Verenigde Staten.
In 1962 ging ik per vliegtuig naar de V.S. en werd ingeschreven op de Bucknell-universiteit in Pennsylvania. Na verloop van tijd ontving ik een studiebeurs waarmee ik mijn studie kon betalen. Ik had de hoogste cijfers op de universiteit voor vakken als wiskunde, thermodynamica, vloeistofmechanica en natuurkunde.
Na vier jaar op Bucknell te zijn geweest, ging ik twee jaar naar de universiteit van New Hampshire als assistent-docent. Ik gaf daar les in thermodynamica en vloeistofmechanica, waarvoor ik $200 per maand kreeg en gratis college mocht lopen. Aangezien ik slechts een paar uur per week les gaf, besteedde ik de rest van mijn tijd aan het voortzetten van mijn wetenschappelijke studie.
Later ging ik naar de universiteit van Colorado, in Boulder, waar ik eveneens doceerde. Ook hier was mijn opleiding gratis, terwijl ik $250 per maand ontving voor het geven van colleges in analoge computertechniek en het verrichten van speciaal researchwerk op het gebied van de nieuwe wetenschap der holografie.
Tijdens deze jaren van studie had ik een hele massa wereldlijke kennis opgedaan. Maar over God was ik niets te weten gekomen, zoals ik zo graag had gewild. Ik dorstte nog altijd naar kennis omtrent de God die ons het leven had gegeven en met wonderbare verstandelijke vermogens had begiftigd. Zo gebeurde er in september 1966 iets dat mij ertoe bracht een zorgvuldig onderzoek te gaan instellen naar hetgeen er over die God bekend was.
Ik leer God kennen
Ik was op weg naar de universiteit van New Hampshire toen ik onaangekondigd bij mijn broer aanging. Hij was met een Amerikaans meisje getrouwd en woonde nu in Elmira, in de staat New York. Die avond had mijn schoonzuster twee bijbelonderwijzers, Jehovah’s getuigen genaamd, uitgenodigd. Ik had nog nooit van Jehovah’s getuigen gehoord en ook nog nooit een bijbel ingezien. Ja, nog nooit had ik in India met een christen gesproken. En in Bucknell was het onderwerp religie in het geheel niet ter sprake gekomen. Dit was dus mijn eerste contact met het christendom.
De Getuigen spraken over de voortreffelijke invloed die de bijbel op het leven van mensen kan hebben. Mijn broer en ik konden het daarmee echter niet eens zijn. Ik was er vlug bij op het afschuwelijke bericht te wijzen van hen die christenen worden genoemd. De twee wereldoorlogen waren, om maar iets te noemen, in zogenaamd christelijke landen begonnen. Ik merkte ook op dat er in de christenheid meer misdaad en immoraliteit was dan in het hindoeïstische India.
Tot mijn verbazing waren de Getuigen het daarmee eens. Zij probeerden niet de christenheid te verdedigen. Zij zeiden eenvoudig dat de christenheid niet christelijk is — dat ze de onderwijzingen van Jezus Christus heeft verworpen — en daarom door God is veroordeeld. Zij beweerden dat Jehovah’s getuigen volkomen afgescheiden waren van de christenheid en daarom niet deelnamen aan haar oorlogen en geen aandeel hadden aan haar verkeerde handelingen. Zij waren zó oprecht dat ik geloofde dat er enige waarheid moest schuilen in wat zij zeiden.
Tijdens het gesprek begon ik te begrijpen dat de Getuigen klaarblijkelijk beginselen hadden waardoor zij zich werkelijk in hun leven lieten leiden. Ik dacht dat ook ik beginselen had. En toch wist ik als hindoe dat ik ze altijd wel zo kon draaien dat vrijwel alles wat ik wenste te worden, te rechtvaardigen was. Zelfs mijn vader had gezegd dat hindoes gewoonlijk oneerlijk zijn in zakendoen, maar hun oneerlijkheid door hun religieuze beginselen kunnen rechtvaardigen.
Het gesprek van die avond verontrustte mij. De Getuigen schenen zo zeker te zijn van wat zij geloofden.
Ik ging op zoek naar de Getuigen
Het gesprek was nog steeds niet uit mijn gedachten toen ik op de universiteit van New Hampshire in Durham arriveerde. Ik stond daarom zondagsmorgens vroeg op en stapte in mijn auto. In elke plaats stopte ik en zocht in de telefoongids naar Jehovah’s getuigen. Pas in Manchester (New Hampshire) vond ik ze in de gids staan. Toen ik opbelde, nam een naar zijn stem te oordelen, oudere man de telefoon op; hij gaf mij het adres op van de dichtstbijzijnde Koninkrijkszaal en zei dat de vergadering om 2 uur ’s middags begon.
De manier waarop ik die middag werd ontvangen, was ongelooflijk. Bijna iedereen kwam mij begroeten en gaf mij het gevoel welkom te zijn. Na de vergadering nodigde een Griekse man mij uit bij hem thuis te komen eten.
Weldra was ik opnieuw in een gesprek gewikkeld. De Getuigen spraken over een verbetering van de aarde onder het bestuur van Gods koninkrijk. In de hindoeleer wordt nooit iets over het verbeteren van de toestanden op aarde gezegd. Wij horen alleen over een persoonlijke vooruitgang door in een hogere reïncarnatie terug te komen. De Getuigen lieten mij echter zien waar in de bijbel staat dat de aarde door een regering van God tot een paradijs zal worden gemaakt. Daar zal geen oorlog en misdaad meer zijn en zelfs ziekte en dood zullen verdwijnen — Gods beloften stonden werkelijk in de bijbel! Dit maakte een diepe indruk op mij.
Het was reeds na middernacht dat ik vertrok. Ik had de naam bij mij van de presiderende opziener van de gemeente van Jehovah’s getuigen uit de omgeving van de universiteit.
De week daarop belde ik deze Getuige op en hij bood aan iedere week aan de bijbel met mij te komen bestuderen. Ik kon het nauwelijks geloven, want in India moet men voor het onderricht van een goeroe veel geld betalen. Ik nam zijn aanbod dus gretig aan.
Onze eerste besprekingen gingen over de identiteit van God, iets waarover ik al zo lang mijn hoofd had gebroken. Aan de hand van de bijbel werd mij aangetoond dat — wat ik toen ook reeds geloofde — afgoden God niet zijn. Daarna was ik verbaasd te horen dat de kerken van de christenheid een drieëenheid van drie goden in één aanbidden, die zeer veel overeenkomst vertoont met de drieënige god Trimurti van de hindoes. Ik was echter blij te vernemen dat de Oppermachtige God geen drieëenheid is.
Het maakte vooral indruk op mij te horen dat God een naam heeft. Deze naam is Jehovah. Hierdoor werd God „begrijpelijker” voor mij. Hij was niet langer in een mystieke waas gehuld. Naarmate wij verder studeerden, werd het mij duidelijk dat Hij een werkelijk bestaand, onzichtbaar Persoon is.
In het hindoeïsme was mij geleerd dat God de mens heeft geschapen. Maar dat was ongeveer alles. Ik kwam nooit te weten waarom hij ons heeft geschapen, of waarom er goddeloze toestanden bestaan. Nu kreeg ik de antwoorden. Ik kwam te weten dat er lang geleden een opstand onder Gods schepselen had plaatsgevonden en dat God tijd had toegestaan om bepaalde strijdvragen die waren gerezen, op te lossen. Ik kwam te weten dat deze tijdsperiode bijna is verstreken en dat Jehovah weldra goddeloosheid teniet zal doen en een rechtvaardig nieuw samenstel zal inluiden. Dit was stellig goed nieuws en het vervulde mij met geestdrift.
Ik had altijd de hindoeleerstelling aanvaard dat de mens een onsterfelijke ziel heeft die doorleeft wanneer iemand sterft. Na een aantal besprekingen, zag ik echter in dat deze overtuiging verkeerd was en dat de bijbel juist is in zijn leer dat de ziel sterft. Ik kwam echter ook te weten dat de doden niet zonder hoop zijn. God kan en zal hen weer tot leven brengen. Deze bijbelse belofte van de opstanding uit de doden sprak mij aan. Ze heeft me de wonderbare hoop gegeven dierbare personen die zijn overleden, zoals mijn geliefde grootvader, op aarde terug te zien.
Waarom ik nu in de bijbel geloof
Het komt u misschien vreemd voor iemand die als hindoe is opgevoed zo over bijbelse leerstellingen te horen spreken. Maar zelfs de befaamde hindoe Mahatma Gandhi heeft gezegd: „Ik heb getracht de bijbel te bestuderen. Ik beschouw hem als een onderdeel van mijn geschriften.” Ik heb bij mijn studie ontdekt dat er werkelijk reden bestaat om in de bijbel te geloven.
Het heeft mij bijvoorbeeld getroffen dat de bijbel geen onwetenschappelijke mythen bevat; in de hindoeleer komen dergelijke mythen veelvuldig voor. De bijbel zei bijna 3000 jaar geleden terecht dat de aarde rond is en niet plat zoals in voorbijgegane eeuwen algemeen geloofd werd (Jes. 40:22). De bijbel verklaart ook dat de aarde niet door iets stoffelijks wordt gedragen, zoals een reus Atlas, aan wie velen in de oudheid geloofden. ’De aarde hangt aan niets’, zegt de bijbel (Job 26:7). Deze nauwkeurigheid van de bijbel maakte op mij als wetenschappelijk georiënteerd persoon diepe indruk.
Nog iets dat mij hielp overtuigd te raken van de juistheid van de bijbel, waren de onfeilbare profetieën die dit boek bevat. De hindoegeschriften bevatten bij mijn weten geen enkele profetie. De bijbel daarentegen heeft vele gebeurtenissen voorzegd die later ook werkelijk hebben plaatsgevonden. Ja, de wereldschokkende gebeurtenissen in dit geslacht, zoals de oorlogen, hongersnoden, pestilentiën, jeugdmisdadigheid en andere toestanden, zijn in feite opmerkelijke vervullingen van bijbelse profetieën. — Matth. 24:3-14; 2 Tim. 3:1-5.
Daarenboven bevat de bijbel voortreffelijke raad die een reusachtige hulp is om gelukkig te leven. De bijbel spoort echtgenoten bijvoorbeeld aan: „Blijft uw vrouw liefhebben . . . Aldus behoren mannen hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam.” En zal een vrouw geen voortreffelijke echtgenote zijn als zij de vermaning ter harte neemt: „Laten vrouwen onderworpen zijn aan hun man als aan de Heer”? — Ef. 5:22-28.
Mijn vrouw en ik kunnen God werkelijk danken voor zijn raad in de bijbel waardoor wij in ons huwelijk worden geholpen. De bijbel staat gewoonweg vol praktische raad en ook dat is een reden waarom ik ben gaan geloven dat dit boek werkelijk het Woord van God is.
Andere vreugden die voortvloeien uit het kennen van God
Na verloop van tijd droeg ik mijn leven op om God te dienen en symboliseerde dit door me in water te laten onderdompelen. Het is werkelijk een vreugde tot de God te kunnen bidden die ik al vanaf mijn kinderjaren verlangde te kennen. Bovendien is het een vreugde overal op aarde zoveel vrienden te bezitten wier leven wordt bestuurd door wat deze grote God in zijn Woord de bijbel zegt.
Het heeft mij ook gelukkig gemaakt, de goede dingen die ik over God te weten ben gekomen met anderen te delen en hen te helpen hem eveneens te leren kennen. Als ouderling in een christelijke gemeente van Jehovah’s getuigen schenkt het mij genoegen mijn broeders en zusters in het geloof geestelijke hulp te bieden; dit in overeenstemming met de woorden van Jezus Christus: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.” — Hand. 20:35.
Vaak denk ik aan mijn familieleden en anderen in India met wie ik ben opgegroeid. Ik zou willen dat zij een exemplaar van de bijbel kregen en met eigen ogen de schitterende dingen zagen die erin staan. Werkelijk, het zou hun hart verblijden de waarheid te kennen.
Ik weet dat mijn grootvader hard heeft gewerkt om omstandigheden te brengen die alleen in Gods rechtvaardige nieuwe samenstel wereldomvattend verwezenlijkt kunnen worden. Ik zie er derhalve naar uit hem terug te zien wanneer hij uit de doden is opgewekt. Hij zal geestdriftig zijn als hij ziet dat er nergens op aarde meer armoede, onderdrukking of zelfs ziekte is. Wat zal het heerlijk zijn om misschien, zoals wij gewoon waren, naar het dak te gaan en dan te spreken over de Oppermachtige God Jehovah en alle grootse dingen die Hij voor de mensheid heeft gedaan! — Ingezonden.