Ik was in de macht van demonen
IK WAS een geestenmedium, een tovenaar, een magiër. Ik hield mij bezig met waarzeggerij. Ik zocht naar voortekens. Ik bond anderen met een banspreuk. Ik beoefende zwarte magie en vodou. Vele van de spiritistische praktijken die de bijbel in Deuteronomium 18:10-12 veroordeelt, heb ik beoefend.
De reisgezel van de apostel Paulus, Lukas, schreef: „Een zeker dienstmeisje met een geest, een waarzeggende demon, [kwam] ons tegemoet . . . Zij verschafte haar meesters groot gewin door de kunst van het voorspellen te beoefenen” (Handelingen 16:16). Net als in het geval van dat meisje voorzag een demon ook mij van kennis over zaken waar ik op normale wijze niets over kon weten.
Voordat mijn grootmoeder stierf, wist ik bijvoorbeeld dat haar dood ophanden was. En wanneer iemand in de familie zwanger werd, wist ik het voordat anderen het wisten. Dit waren niet zo maar ingevingen die achteraf waar bleken; mijn kennis over zulke dingen was bijna altijd correct. Wanneer ik wenste dat een medestudent, een leraar of een familielid ziek werd, gebeurde dat altijd.
Op een keer kreeg ik ruzie met mijn grootmoeder en wilde dat zij zich pijn zou doen. Ik riep de demonen te hulp en vroeg specifiek dat zij zichzelf zou snijden — die middag sneed zij zichzelf met een mes.
Toen ik mij met vodou bezighield, gebruikte ik stukken kleding en maakte er een afbeelding van mijn broer van. Ik wilde hem beletten mij langer lastig te vallen. Nadien gebeurde het dat telkens als hij op minder dan drie meter in mijn buurt kwam, hij stekende pijnen in zijn borst kreeg en moeite had met ademhalen. Zo leerde hij wel mij met rust te laten.
Later spotte een kennis met mijn vermogen om de demonen op te roepen. Ik wist dat hij in drugs handelde. Daarom zei ik hem dat hij zou worden gearresteerd en vervolgens weer zou worden vrijgelaten. De demonen voldeden precies aan mijn verzoek. Binnen twee maanden werd de man gearresteerd. Later werden de telastleggingen ingetrokken en werd hij vrijgelaten. De man heeft nooit meer aan mijn vermogens getwijfeld.
Hoe ik bij het occultisme betrokken raakte
Mijn familie was doorkneed in het religieuze ritueel en heidendom van het Ozarkgebergte in de Verenigde Staten waar de mensen nog steeds liefdesdrankjes en dergelijke gebruiken. Ik werd geboren nadat mijn ouders naar San Francisco waren verhuisd. Zij wilden in feite helemaal geen kinderen; kinderen brachten hun vrije leventje in het gedrang. Daarom werd ik verwaarloosd, bleef verstoken van genegenheid, een geestelijk mishandeld kind. Ik werd een eenling, een mensenhater.
Reeds op jonge leeftijd voelde ik mij aangetrokken tot het occulte. Ik keek naar alle films en tv-programma’s die daarover gingen. En tegen de tijd dat ik zes jaar was, gebruikte ik al regelmatig het Ouija-bord. Ik stond open voor en was zelfs verlangend naar communicatie met het geestenrijk. Ik wist dat demonen bestonden en ik voelde mij zeer prettig als ik met hen praatte. En zij begunstigden mij met speciale vermogens en kennis.
Ik begon alle boeken over occultisme te lezen die ik maar te pakken kon krijgen, uit openbare bibliotheken en vooral uit boekwinkels. Eén winkel, die beheerd werd door een geestenmedium, was vooral gesorteerd in boeken voor degenen die hekserij, of zwarte magie, beoefenden. Uit oude occulte boeken leerde ik de namen van demonen kennen met wie spiritisten in voorgaande eeuwen in contact waren getreden.
Toen begon ik in mijn contacten met de demonen deze namen te gebruiken wanneer ik met hen sprak. En het scheen dat wanneer ik met een bepaalde demon te maken had, zijn persoonlijkheid en werkwijze verschilden van die van andere demonen op wie ik een beroep deed. Zo leerde ik tientallen demonen bij name kennen.
Uit de boeken die ik over het occultisme had gelezen, wist ik dat de demonen engelen waren die Gods gunst hadden verloren en dat zij niet de geesten of zielen waren van overleden personen. Ik was met die engelen begaan en had vooral medelijden met Satan. Ik werd een aanbidder van Satan, en hoe tegenstrijdig het ook was, ik bad terzelfder tijd ook tot God. En als mijn gebeden werden verhoord, geloofde ik dat God ze had verhoord. Satan had mij grondig bedrogen. — 2 Korinthiërs 11:14.
Hoewel zij mij met speciale krachten begunstigden, hielpen de demonen mij niet om een goed mens te zijn. Integendeel, zij verdraaiden mijn denken zodat ik ging haten in plaats van lief te hebben. Mettertijd werd ik een hoereerder, een dief, een dronkaard, een druggebruiker en een homoseksueel.
In januari 1974 stierf mijn grootmoeder. Dit maakte mij erg van streek, aangezien zij de enige was geweest van wie ik had gehouden. Toen ik een kind was, las zij mij uit de bijbel voor en sprak over de opstanding. Nu wilde ik meer over de opstanding te weten komen. Al vanaf mijn jeugd had ik de wens gekoesterd eeuwig te leven, en de demonen hadden beloofd dat dat ook zou gebeuren. Maar het was niet duidelijk hoe dit zou worden verwezenlijkt.
Een belangrijke ontmoeting
Kort na de begrafenis van mijn grootmoeder zei ik terloops tegen een meisje genaamd Gwen, een collegaatje van mij, dat het einde van de wereld kwam maar dat niemand het geloofde. Gwen zei dat zij dat wel geloofde en toonde zich verrast dat ik het wist. De demonen hadden mij hierover verteld, maar Gwen liet mij die dingen uit de bijbel lezen.
Gwen sprak altijd over Jehovah en zei dat hij Degene was die een eind zou maken aan dit samenstel. Ik zei haar dat ik een hekel had aan de klank van die naam, Jehovah, en vroeg haar die naam niet te gebruiken. Zij was gekwetst en zei dat als zij de naam van degene die zij het meeste liefhad niet mocht gebruiken, zij liever niet met mij praatte, omdat Jehovah Gods naam is.
Ik stond perplex. Die avond ging ik naar huis, pakte de King James Version, de bijbel van mijn overleden grootmoeder, en begon daarin te bladeren, zoekend naar de naam Jehovah. Ik wist dat als ik hem in deze bijbel vond, Gwen gelijk had wanneer ze zei dat Jehovah de naam van God was. Maar ik was er zeker van dat hij er niet in zou staan. Ik was geschokt toen ik al bladerend Exodus 6:3 vond, waar staat: „Aan Abraham, Isaac, en Jakob ben ik verschenen als God de Almachtige, maar bij mijn naam JEHOVAH was ik niet bij hen bekend.”
Ik besefte in een ogenblik dat Jehovah inderdaad God was en dat, in vergelijking met hem, Satan helemaal niet machtig was! Dat ik de naam waaraan ik zo’n hekel had, daar in de bijbel zag staan, en ook dat ik nu dingen over de opstandingshoop hoorde, bracht mij ertoe met de Getuigen te gaan studeren.
Uit de greep van demonen losbreken
Kort daarop nam Gwen mij mee naar een bijeenkomst van Jehovah’s Getuigen. De lezing ging over het wilde beest waarover in het bijbelboek Openbaring gesproken wordt, het beest met het getal 666. Ik had hierover al heel wat verdraaide inlichtingen gehoord van de demonen, en nu was ik werkelijk verbaasd dat deze dingen in de bijbel stonden. Mijn belangstelling was gewekt, en daarom begon ik de week daarop regelmatig met de Getuigen de bijbel te bestuderen.
De demonen wilden natuurlijk niet dat ik ging studeren. Maar ik wist dat wat ik leerde, de waarheid was, en ik was niet van plan het op te geven, hoewel de demonen mij trachtten tegen te houden. Daarom sloegen zij mij als ik in bed lag. Op een keer kwam een klap op mijn hoofd zo hard aan dat de pijn pas uren later wegtrok. Ik bad tot Jehovah om hulp, en nadien hield hij hen uit mijn kamer.
De demonen gaven het echter niet op. Van buiten mijn kamer bleven zij met de ramen klapperen. Zij bleven de hele nacht doorgaan, zodat ik maar een paar uur kon slapen. Zij probeerden mij uit te putten. Maar ik bleef tot Jehovah bidden en naar de vergaderingen van de Getuigen gaan, en Jehovah hielp mij.
Het is waar, de demonen hebben grote macht. Zij kunnen zelfs mensen doden, zoals zij deden met Jobs tien kinderen (Job 1:18, 19). En ik ben er zeker van dat zij mij wilden doden, aangezien ik hun dienaar was geweest aan wie zij speciale macht hadden verleend, maar die hen nu had verlaten om hun vijand, Jehovah God, te gaan dienen. Jehovah’s vermogen om mij te beschermen vormt dus het bewijs dat wij niet voor de demonen hoeven te vrezen.
In de zomer van 1974 woonde ik het districtscongres van Jehovah’s Getuigen bij in het Oakland-Alameda County Stadium. Daar besloot ik dat ik mij op het eerstvolgende congres zou laten dopen. Zo werd ik op 18 juli 1975 in datzelfde stadion gedoopt, en in oktober van dat jaar trouwde ik met een mede-Getuige.
Zelfs nadat Mari en ik getrouwd waren, bleven de demonen ons lastig vallen en joegen mijn vrouw soms de stuipen op het lijf. Mari kwam uit de gemeente waar ik mijn eerste vergaderingen had bezocht. Zij kende mijn hele achtergrond voordat wij trouwden. Ze zei zelfs dat zij al had vermoed dat ik een magiër was toen ik voor het eerst naar de Koninkrijkszaal kwam. Ik was werkelijk een griezel. Ik kleedde mij geheel in het zwart en wilde met niemand spreken, ik kwam alleen naar de vergadering en zat daar.
Wij hebben een tijd gedacht dat de demonen ons misschien wel zouden blijven bestoken totdat zij samen met Satan in de afgrond waren geworpen (Openbaring 20:1-3). Maar door dicht tot Jehovah te naderen door middel van het gebed en door voordeel te trekken van elke geestelijke voorziening die hij via zijn organisatie verschaft, is het nu jaren geleden dat de demonen ons zo hebben lastig gevallen als in het begin.
Wij zijn gezegend met drie fijne dochters, en de afgelopen vier jaar heeft Mari als gewone pionierster (volle-tijdpredikster) gediend. Wij zien werkelijk uit naar de tijd waarin Satan en zijn demonen voor altijd verdwenen zullen zijn! In de tussentijd zullen wij, hoewel wij niet langer rechtstreeks worden lastig gevallen door de demonen, beslist niet vergeten dat wij een strijd tegen hen te voeren hebben, zoals de apostel Paulus schreef: „Wij hebben geen strijd tegen bloed en vlees, maar . . . tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de goddeloze geestenkrachten in de hemelse gewesten” (Efeziërs 6:12). — Zoals verteld door Ralph Anderson.
[Inzet op blz. 12]
Wanneer ik met een bepaalde demon te maken had, verschilde zijn persoonlijkheid van die van andere demonen