Economie — „de sombere wetenschap”
RECESSIE, depressie, inflatie, stagflatie, nulgroei, negatieve groei — allemaal sombere woorden die thuishoren in wat ooit al „de sombere wetenschap” der economie is genoemd. Maar wat steekt er in werkelijkheid achter deze onheilspellende termen? Heeft de economische wetenschap een oplossing voor de problemen waaraan de meesten van ons het hoofd moeten bieden?
Lionel Robbins, een Engelse econoom, definieerde economie als „de wetenschap die menselijk gedrag bestudeert als een relatie tussen doeleinden en schaarse middelen welke op meerdere manieren gebruikt kunnen worden”. Wij allen hebben „doeleinden”, dat wil zeggen, dingen die nodig zijn of die wij graag willen hebben. En deze „doeleinden” zijn vrijwel onbeperkt. Anderzijds zijn onze „middelen”, zoals ons inkomen, gewoonlijk zeer beperkt.
Neem als illustratie een man die met zijn gezin aan de ontbijttafel zit en bemerkt dat er heel weinig suiker is om in zijn koffie te doen. Hij staat nu voor een economische beslissing. Hoe zouden hun schaarse „middelen” (de suiker) ieders „doeleinden” kunnen bevredigen? Wellicht besluit hij dat iedereen maar een heel klein beetje kan nemen. Of hij zou kunnen besluiten dat hij alles voor zichzelf wil. Maar misschien wil moeder de suiker voor het koken gebruiken. Economische beslissingen zijn dus niet uitsluitend het domein van een intellectuele elite.
Wanneer u economische kwesties beschouwt met betrekking tot afzonderlijke personen, zoals in geval van een huishouden of van consumenten, bent u bezig met het bestuderen van wat men micro-economie noemt. Wanneer dezelfde principes worden toegepast op brede groepen mensen zoals een natie, dan hebt u te doen met macro-economie. Maar laat u niet in de war brengen door het technische jargon, want economie is echt niet zo’n precieze, exacte wetenschap. Een commentator zei eens dat als u zes verschillende economen om hun mening vraagt, u zeven verschillende antwoorden zult krijgen. Niettemin is het de moeite waard iets over deze wetenschap te leren.
Van Smith tot Keynes
Gedurende een groot deel van de geschiedenis waren iemands economische mogelijkheden over het algemeen zeer beperkt. Als u arm geboren was, stierf u gewoonlijk ook arm, en als u rijk geboren was, stierf u waarschijnlijk rijk, tenzij er zich enige niet-economische factoren (zoals bijvoorbeeld een binnenvallend leger) voordeden.
Toen kwam de Industriële Revolutie, en voor het eerst in de geschiedenis mochten gewone mensen hopen hun economische situatie door middel van hun eigen inspanningen te verbeteren. Daar het feodale stelsel op sterven na dood was, moesten regeringen nu de economische beslissingen gaan nemen. Regeerders begonnen zich af te vragen hoe zij het toekomstige verloop van de economie zouden kunnen beheersen.
Toen schreef Adam Smith in 1776 het eerste werk over de moderne economie, „An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations” (Een onderzoek naar de aard en oorzaken van de rijkdom van natiën). Hij bracht zijn vertrouwen tot uitdrukking dat zowel het marktmechanisme als de bekwaamheden van de individuele persoon een economische vooruitgang zouden bewerkstelligen. Smith theoretiseerde dat het inherente eigenbelang van mensen de aandrijvende factor zou zijn voor ontwikkeling. Het verlangen naar een goed loon of een fikse winst zou mensen ertoe bewegen hun kapitaal of hun talenten te investeren in het marktsysteem. Twee andere mannen — David Ricardo en Thomas Robert Malthus — zetten het pionierswerk van Smith op het gebied van de economische wetenschap voort.
Het waren deze drie mannen die door de Schotse essayist Thomas Carlyle de „achtenswaardige professoren van de sombere wetenschap” werden genoemd. Waarom somber? Omdat deze mannen de sombere mening waren toegedaan dat weliswaar de economieën van verschillende landen zich zouden ontwikkelen, maar dat het lot van de gewone arbeider nooit langer dan een korte periode boven een minimumbestaan zou uitstijgen. Malthus concludeerde verder dat iedere voorspoed tenietgedaan zou worden door een toegenomen aantal monden dat moet worden gevoed.
Toen verscheen Karl Marx ten tonele. Hij was niet alleen een economisch theoreticus, maar ook een navorser van menselijk gedrag en politiek denken. Hij hield er dezelfde pessimistische denkwijze op na dat de rijken steeds rijker en de armen steeds armer zouden worden. Marx concludeerde dat zolang er werkloze arbeiders zouden zijn — een ’industrieel reserveleger’ — de wedijver om banen altijd de lonen zou drukken. ’Waarom zou een werkgever een loonsverhoging geven wanneer een hongerige, werkloze man bereid is voor minder te werken?’ redeneerde hij. Maar Marx zag in het kapitalisme ook de zaden van zelfvernietiging: Rijkdommen zouden zich opstapelen in de handen van steeds minder bezitters, en de ellende van de arbeiders zou toenemen totdat zij gedwongen waren tot openlijke en bloedige opstand.
Maar terwijl het socialisme aan populariteit won, groeide ook een andere beweging — het sociaal darwinisme. Door Darwins evolutietheorie op maatschappelijke problemen toe te passen vond een van de belangrijkste woordvoerders van die beweging — Herbert Spencer — de zinsnede „het overleven van de sterksten” uit. Men verwachtte dat degenen die op de vrije markt de strijd wonnen, de buit zouden binnenhalen, en wat de verliezers aangaat — het waren toch alleen maar de sterksten die het moesten overleven! Deze manier van denken leidde tot zeer gewetenloze zakenpraktijken en het ophopen van ontzaglijke fortuinen door degenen die zich het agressiefst gedroegen.
Zo zijn er al vanaf het begin van de economische theorievorming twee kampen geweest: enerzijds degenen die geloven in de vrije markteconomie (en daarom voorstander van slechts beperkte of helemaal geen economische controle door de overheid) en anderzijds degenen die grotere, of zelfs totale overheidsinvloed wensen. De Depressie van de jaren ’30 heeft velen er echter toe gebracht opnieuw de mogelijke waarde te overwegen van overheidsinterventie, om niet opnieuw de ellende te krijgen die de ineenstorting van de vrije markt had veroorzaakt. Zo kwam het dat een andere vooraanstaande econoom, John Maynard Keynes, verklaarde dat controle van de rentetarieven door de staat en overheidsinvloed via de belasting zouden kunnen voorkomen dat de economische golfbewegingen te diepe dalen zou doormaken. Varianten van zijn theorieën zijn nog steeds gangbaar in het Westerse deel van de wereld.
Economie vandaag
Hebben economen met al hun theorieën en grafieken de geldproblemen van de wereld opgelost? In recente jaren is er veel gesproken over economische theorieën. Er is zelfs sprake geweest van een terugkeer tot de leer van Adam Smith en volkomen te vertrouwen op de vrije markteconomie. Maar de meeste mensen beseffen dat wij aan grotere problemen het hoofd moeten bieden dan individuele personen of economen aankunnen. Daarom bezien velen een zekere mate van overheidsinvloed als noodzakelijk.
In een artikel in de Saturday Review stond eens: „Voor een humane economie is meer nodig dan voorspoed en economische groei, meer dan een efficiënte verdeling van de geldmiddelen. Er zijn veranderingen nodig in het raamwerk van economische instellingen om grotere gelijkheid en vrijheid te bewerken. . . . Het vereist een maatschappelijk klimaat dat een gevoel van saamhorigheid en kameraadschap in menselijke betrekkingen brengt. Het vereist een op elkaar afstemmen van de mens, zijn technologie en het milieu. En al deze dingen moeten op wereldomvattende schaal worden gedaan.”
Maar het bereiken van zo’n „humane economie” is verre van eenvoudig. Vandaag vertoont de welvaart nog steeds de neiging zich naar de rijken toe te bewegen en van de armen vandaan. Een blijvende oplossing die gebaseerd is op menselijke inspanningen alleen, blijft onbereikbaar voor de mens. Recessie, depressie, inflatie, stagflatie, nulgroei en negatieve groei blijven op die manier bekende woorden voor degenen die het economische nieuws volgen, zelfs in de rijkste landen.
Een sombere toekomst?
Zal er ooit een efficiënte verdeling van de geldmiddelen zijn? Of een maatschappelijk klimaat dat een gevoel van saamhorigheid en kameraadschap in menselijke betrekkingen brengt? Zullen wij het ooit beleven dat de economie er voor de werkende man niet somber meer zal uitzien?
Opent u alstublieft uw bijbel en zoekt u hoofdstuk 65 van het boek Jesaja eens op, en leest u dan de verzen 21 tot en met 23. De woorden zijn eenvoudig, maar de gedachten zijn diep. Stelt u zich eens voor dat een ieder zijn eigen huis heeft, en in economisch opzicht geheel zelfstandig is. Geen eentonige banen, maar opbouwend en voldoeningschenkend werk. Een economie die op overvloedige wijze voorziet in ieders behoeften! En dit alles onder een wereldomvattende regering van God. — Zie ook Psalm 72:16; 145:16; Jesaja 25:6.
Wij hoeven dan ook niet te wanhopen vanwege de akelige voorspellingen van de „sombere wetenschap”. De toekomst die God ons in het vooruitzicht stelt, is werkelijk schitterend voor degenen die geloof stellen in hem en in zijn voornemens met deze aarde.
[Inzet op blz. 19]
Zal ooit de dag aanbreken dat de economie er niet ’somber’ zal uitzien voor de werkende man?
[Illustratie op blz. 19]
Malthus concludeerde dat een groeiende bevolking elke tijdelijke voorspoed zou opheffen
[Verantwoording]
Bettmann Archive