Uit de dood tot het leven in Dachau
„Je moet hen niet haten. Daar doe je hun geen pijn mee. Je zult alleen jezelf schaden!”
DIE woorden, die door een vriendelijke vrouw tegen mij gezegd werden toen ik tijdens de Tweede Wereldoorlog als jong meisje in het concentratiekamp Dachau zat, hebben mij het leven gered en mij geholpen niet krankzinnig te worden.
Ik was in 1926 in Moskou geboren. Mijn vader kwam uit Kiev en mijn moeder uit Georgië. Zij waren geleerden aan de universiteit van Moskou. Vader vluchtte in 1929 uit Rusland en ging in Dantzig (het huidige Gdańsk in Polen) wonen. Als kind leerde ik alleen Duits en de meesten van onze vrienden waren joden.
Toen Hitlers schrikbewind op gang kwam, begonnen er joodse gezinnen uit onze omgeving te verdwijnen, vooral ’s nachts. Op de dag dat de oorlog tussen Duitsland en Rusland uitbrak, verdween ook ons gezin. Wij werden opgehaald en kregen slechts een paar minuten om ons aan te kleden. Wij moesten alles achterlaten.
In het eerste ondervragingskamp werd ik herhaaldelijk in het felle schijnsel van sterke lampen verhoord en geslagen tot ik bont en blauw zag. En tot op de dag van vandaag geloof ik dat zij niet beseft hebben dat ik geen antwoord hàd kunnen geven op hun vragen over de activiteiten van mijn ouders. Mijn ouders spraken Russisch met elkaar en ik had die taal nooit geleerd.
Ik heb mijn vader nooit teruggezien sedert wij in dat ondervragingskamp van de vrachtwagen werden gehaald. En nu, anno 1985, weet ik nog steeds niet of hij dood is of dat hij nog leeft.
Vervolgens waren mijn moeder en ik vier dagen in een veewagon opgesloten. Er was alleen plaats om te staan en geen eten, water of toiletgelegenheid. Wij hadden geen idee van onze bestemming — Dachau — dat beruchte oord van marteling en dood!
Nadat wij waren getatoeëerd, geduwd en geschopt en van al onze kleren waren ontdaan en spitsroeden hadden moeten lopen tussen met knuppels meppende SS-ers, gingen wij onder de douche en kregen gestreepte kleren om aan te trekken. Toen werd ik van mijn liefdevolle, beeldschone moeder gescheiden en naar een barak voor uitsluitend kinderen gestuurd.
De dood — een dagelijkse ervaring
Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met de dood. Iedere ochtend kwamen volwassen mannelijke gevangenen de lichamen weghalen van de kinderen die in de loop van de nacht gestorven waren, sommigen aan ondervoeding, anderen ten gevolge van martelingen, en weer anderen doordat men hun voor transfusies ten behoeve van gewonde soldaten bloed afnam tot zij eraan stierven. Er lag altijd een stapel lichamen op verbranding te wachten. De ovens konden het niet bijhouden!
En waarom ben ik niet in de ovens geëindigd? Er was besloten dat ik voor medische experimenten zou worden gebruikt. Daarom kreeg ik eerst een injectie met een of andere ziekte en vervolgens een met een antistof. Mijn sadistische folteraars beleefden echter niet veel plezier aan mij, want er was mij geleerd nooit te huilen of emoties te tonen. Daarom richtten zij ten slotte hun aandacht op iemand anders.
Iemand die deze dingen nooit heeft meegemaakt, kan onmogelijk begrijpen wat een uitwerking ze hadden op ons, die nog maar kinderen waren. Wij wisten niet of wij wilden sterven of niet. Sommigen van ons dachten dat de dood ons welkom zou zijn, maar wij waren als kinderen ook bang om te sterven — vanwege de brandende hel die ons volgens onze vroegere godsdienstleraren te wachten stond. Maar dan redeneerden wij weer: ’Het hellevuur kan vast niet erger zijn dan dit!’
Van tijd tot tijd kregen gevangenen bevel gemeenschappelijk te gaan douchen, en dan bleek het „water” gas te zijn en werd de hele groep omgebracht. Tot op de dag van vandaag is het mij onmogelijk een douche te nemen. Als ik het probeer, breekt het zweet mij uit en begin ik over mijn hele lichaam te beven. Soms verlangde ik zo erg naar de dood dat ik probeerde nog voor de anderen bij de douche te komen. Maar het schijnt dat ik altijd weggeduwd werd als er weer eens gas werd gebruikt.
„Je moet hen niet haten”
In die tijd ontmoette ik Else. Zij sprak met mij over de dood, en vertelde mij dat de dood echt niets is om bang voor te zijn. Else legde uit dat iemand, als hij doodgaat, helemaal niet naar een hel gaat waar hij gepijnigd wordt, maar eenvoudig in slaap valt. Dan zou hij, als het ware ’in de morgen’, wakker worden en de aarde zou een paradijs zijn (Lukas 23:43; Johannes 5:28, 29). Er zou dan geen pijn, haat of rassendiscriminatie meer zijn — alleen maar overal vreugde en geluk (2 Petrus 3:13; Openbaring 21:1-4). Ik geloofde haar! Haar woorden waren als zonneschijn in het duister van mijn leven.
Else riskeerde haar leven om met mij te praten. Zij lette heel goed op dat de bewakers ons niet samen zagen praten. Zodra wij er maar gelegenheid toe zagen, verstopten wij ons achter de vuilnisbelt en praatten een paar minuutjes. Zij vertelde mij prachtige dingen uit de bijbel, dingen die mij deden verlangen naar het Paradijs dat God ons zou geven. Al gauw was ik niet bang meer voor de dood, maar kon ik de omstandigheden waarin ik mij bevond, beter aanvaarden.
Else was vooral een grote troost voor mij toen mijn moeder stierf. Mijn moeder was een opvallende mooie vrouw, iemand naar wie op straat werd omgekeken. Dit was een te grote verleiding voor de SS-ers, en daarom gebruikten zij haar om hun lusten te bevredigen. Avond aan avond werd ik gedwongen toe te kijken hoe zij hun sadistische neigingen op haar botvierden, tot zij door martelingen en massale verkrachting ten slotte bruut werd vermoord.
Ik was pas veertien jaar en dus erg vatbaar voor indrukken. Haat was de natuurlijke reactie! Maar Elses woorden klinken mij nog in de oren: „Je moet hen niet haten. Daar doe je hun geen pijn mee. Je zult alleen jezelf schaden!” Dit was in overeenstemming met de uitspraak van Jezus, dat wij ’onze vijanden moeten liefhebben en moeten bidden voor hen die ons vervolgen’ (Matthéüs 5:44). Het betekent niet dat wij zulke personen een warm hart toedragen. Veeleer dat wij liefde tonen door onze vervolgers niet aan te rekenen wat zij ons aandoen.
Else hielp mij ook een duidelijker beeld van God te krijgen. Vóór die tijd haatte ik hem, omdat de SS-ers „God is met ons” op de gespen van hun koppelriem hadden staan. Ik dacht aan de martelingen, de slapeloze nachten, de wekelijkse bespuiting met insekticide, de luizen die ons bloed opzogen, de ratten die zich ’s nachts met ons levende vlees kwamen voeden, de stank van de dood die steeds sterker werd, de ovens die overuren maakten, de kou, het gebrek aan dekens en het zichtbare genoegen dat anderen aan onze ellende beleefden. Als God met hen was, dacht ik, dan moest ik niets van hem hebben.
Stralend geloof en de paarse driehoek
Else hielp mij te begrijpen dat God niet verantwoordelijk was voor wat deze sadistische mannen deden. Integendeel, God zou op de tijd die hij daarvoor zelf had vastgesteld, verantwoording eisen. Dan zou hij de onschuldigen hun volledige gezondheid en het leven teruggeven, en allen belonen die hun hoop op hem hadden gesteld. Zij zei dat de god waarover onze kwelgeesten het hadden niet de ware God was, maar een god die zijzelf hadden bedacht, en dat zij, als zij dachten ooit van de ware God een zegen te kunnen ontvangen, zichzelf alleen maar voor de gek hielden.
Else legde ook uit wat de reden was voor de moeilijkheden in de wereld en vertelde mij dat Satan de heerser van deze wereld is en dat God het Koninkrijk in handen van Zijn uit de doden opgewekte, verheerlijkte Zoon Jezus Christus zou gebruiken om ons van de Duivel te verlossen (2 Korinthiërs 4:4; Johannes 14:30; Openbaring 20:1-6). Al die woorden klonken mij als muziek in de oren en waren een bron van kracht in die droeve dagen. Elses woorden en haar moederlijke vriendelijkheid waren werkelijk een inspiratie voor mij.
De SS maakte het haar erg moeilijk omdat zij de Duitse nationaliteit had en zich toch niet wilde onderwerpen aan de wil van de nazi’s. De SS scheen dit als een persoonlijke belediging op te vatten en liet nooit een gelegenheid voorbijgaan om haar op een of andere manier te vernederen, hetgeen zij allemaal geduldig verdroeg. Ik merkte op dat er een paars driehoekje op de mouw van haar uniform genaaid zat en vroeg mij af wat dat betekende. Toen ik de internering in Dachau overleefd had, ben ik het nagegaan en heb ik ontdekt dat die driehoek voor Jehovah’s Getuigen gereserveerd was. Ja, Else was een getuige van Jehovah God. — Jesaja 43:10-12.
Arme Else! Zij was ontzettend mager, net een geraamte. Maar er was iets heel bijzonders aan haar. Ik ben nooit haar achternaam te weten gekomen, of waar zij vandaan kwam, ook al was zij nog zo aardig en bijzonder voor mij. Ik dacht altijd dat ik graag zo’n soort moeder zou willen hebben. Enige tijd nadat mijn moeder vermoord was, verdween ook Else, en ik heb haar niet teruggezien. Maar nooit zou ik haar woorden of haar geest van kalm vertrouwen vergeten.
Vrijheid om het leven te vinden!
Na vier jaar in Dachau kwam mijn bevrijding. Drie dagen voordat de Amerikaanse troepen arriveerden, sloten de SS-bewakers ons allemaal in het kamp op en verdwenen. Niemand kon ontsnappen, aangezien het hekwerk rond het kamp onder stroom stond. Toen de Amerikanen eindelijk kwamen, begonnen zij ons voedsel te geven, maar voor velen was het te laat. Droevig genoeg hadden velen, nadat zij zo hard gevochten hadden om te blijven leven, kennelijk toch hun wil om te leven verloren en gaven zich over aan de dood.
Aangezien ik de Russische nationaliteit had, werd ik aan de Russen overgedragen. Ik kreeg te horen dat ik, nu ik zeventien jaar oud was, met de commandant van het hoofdkwartier moest trouwen. Maar een kolonel die mijn vader op de universiteit gekend had, verstopte mij onder een deken achter in zijn auto en smokkelde mij het kamp uit. Ik reisde per trein naar de Russische grens, en op een ochtend vlak voor zonsopgang vond ik een plek waar de bewakers niet opletten. Op mijn buik kroop ik over het niemandsland, een afstand van meer dan anderhalve kilometer. De Amerikaanse soldaten aan de andere kant keken toe hoe ik naar hen toekroop. Zij vingen mij op en zetten mij op een trein naar Heidelberg. Tegenover mij zat een Oekraïense man, met wie ik ten slotte getrouwd ben.
De toestand werd ondraaglijk, want de Russen bleven naar mij zoeken. Zij maakten zelfs over de radio bekend dat mijn vader naar mij zocht. Maar ik durfde niet te antwoorden, omdat ik vreesde dat het een valstrik was. Misschien was het mijn vader; toch kon ik het niet riskeren op die radioberichten te reageren. Op een dag werd ik door twee communistische agenten gevolgd. Daarom liep ik een warenhuis in en nam de lift naar de bovenste verdieping. Daar kwam ik de bedrijfsleider tegen en toen ik hem vertelde wat er gaande was, verborg hij mij in zijn kantoor tot de agenten vertrokken. Daarna besloten mijn man en ik naar Australië te emigreren, waar wij in april 1949 aankwamen.
Een nieuw leven en een hernieuwde hoop
Toen begon er een nieuw leven. Wij kregen bezoek van een plaatselijke priester, maar ik weigerde naar de kerk te gaan vanwege de dingen die ik godsdienstige mensen in Europa had zien doen en omdat Else mij had laten zien dat de kerken niet van God waren. Ik begon God in gebed te smeken of ik de waarheid mocht vinden en ging alle plaatselijke godsdienstige groeperingen af en vroeg hun waar zij heengingen als zij stierven. Allemaal zeiden zij „naar de hemel”. Als ik dat hoorde, ging ik verder naar de volgende kerkelijke groepering.
Enige dagen nadat ik was begonnen te bidden, klopte er een jongeman aan mijn deur en bood mij De Wachttoren en Ontwaakt! aan. „Ga je naar de hemel?” vroeg ik. „Nee,” antwoordde hij, „ik hoop voor eeuwig hier op aarde te leven, op een aarde die in een paradijs wordt veranderd.” Eindelijk was daar dan iemand van dezelfde mensen als Else! Eindelijk was daar de waarheid waarnaar ik sinds die dagen in Dachau had gezocht. Ik was zo opgewonden dat wij wel een uur of twee gepraat moeten hebben.
De Getuige stuurde de volgende dag zijn tante naar mij toe en in slechts twee dagen heb ik het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijs letterlijk verslonden. Toen begon ik de christelijke Griekse Geschriften te lezen, het zogenoemde Nieuwe Testament, en dat had ik in drie dagen uit. Wat een schitterende inlichtingen waren dit allemaal! Het Paradijs-boek en de bijbel zeiden precies hetzelfde als wat Else mij had verteld. Eindelijk, eindelijk had ik nu haar volk gevonden — zeventien jaar nadat ik uit Dachau was bevrijd!
Wanneer ik op mijn leven terugkijk, zie ik de dagen die ik in Dachau heb doorgebracht met mijn geliefde Else, die mij vertelde over de schitterende hoop van de bijbel, als de belangrijkste. Dank zij haar inspanningen ben ik erin geslaagd ’uit de dood tot het leven over te gaan’ (Johannes 5:24). Nu denk ik vol waardering aan die geïnspireerde woorden uit Psalm 94:17, 18: „Indien Jehovah mij niet tot hulp was geweest, zou mijn ziel weldra in stilte verblijf hebben gehouden. Wanneer ik zei: ’Mijn voet zal zich stellig onvast bewegen’, was het uw liefderijke goedheid, o Jehovah, die mij bleef schragen.”
En wanneer ik naar de toekomst kijk, geven deze woorden uit Jesaja 41:10 mij kracht: „Wees niet bevreesd, want ik ben met u. Blik niet rond, want ik ben uw God. Ik wil u sterken. Ik wil u werkelijk helpen. Ik wil u werkelijk stevig vasthouden met mijn rechterhand van rechtvaardigheid.” Dank zij de krachtsinspanningen van die lieve Else heeft Jehovah mij werkelijk geholpen in Dachau het leven te vinden. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 17]
Moeder en ik waren vier dagen in een veewagon opgesloten
[Inzet op blz. 17]
Er werd besloten dat ik voor medische experimenten gebruikt zou worden
[Inzet op blz. 19]
Else hielp mij te begrijpen dat God niet verantwoordelijk was voor wat deze sadistische mannen deden
[Inzet op blz. 20]
Eindelijk, eindelijk had ik Elses volk gevonden
[Illustraties op blz. 18]
Gaskamers en ovens in Dachau