Misdragingen in het verleden van de wetenschap
De grote geleerden in het verleden waren niet allen zo onberispelijk en toegewijd als men ons deed geloven. Behalve Sir Isaac Newton (1642-1727; zie blz. 6) staan hier nog enkele anderen opgesomd wier misdragingen nu aan het licht zijn gekomen.
● Claudius Ptolemaeus, uit de tweede eeuw G.T., wiens geocentrische opvatting van het universum 1400 jaar standhield, werd beschouwd als „de grootste astronoom van de oudheid”. Tegenwoordig geloven geleerden dat hij zijn gegevens niet uit waarnemingen verkreeg maar ze overnam uit het werk van een vroege Griekse astronoom, Hipparchus van Rhodes. Hij wordt er ook van verdacht sommige gegevens verkregen te hebben door vanuit de resultaten die hij verwachtte, terug te rekenen.
● Galileo Galilei (1564-1642), Italiaans wiskundige en sterrenkundige, vermaard om zijn proeven met vallende gewichten van de scheve toren van Pisa, werd beschouwd als de grondlegger van de moderne experimentele wetenschap omdat hij zich voor antwoorden verliet op waarneembare feiten in plaats van op de geschriften van Aristoteles. Toch hadden tijdgenoten er moeite mee zijn resultaten te reproduceren en stond hij bekend om zijn „gedachtenexperimenten” waarbij hij zich de uitkomst in de geest voorstelde in plaats van ze te observeren.
● Gregor Mendel (1822-1884), Oostenrijkse monnik en plantkundige, heeft de ontdekking van de erfelijkheidswetten op zijn naam gebracht. Zijn experimenten met erwten vormden het begin van de genetica. Zijn theorie en zijn experimentele gegevens kwamen zo precies overeen dat sommige onderzoekers dachten dat „hij zo nu en dan onbewust fouten maakte ten gunste van wat hij verwachtte”, terwijl anderen van mening waren dat hij zich schuldig maakte aan het selecteren van gegevens en alleen die gegevens gebruikte welke met zijn theorie overeenkwamen.
● Robert Millikan (1868-1953), een eminent Amerikaans natuurkundige, kreeg in 1923 de Nobelprijs voor zijn bepaling van de elektrische lading van het elektron. In recente jaren ontdekten wetenschapsmensen bij hun studie van Millikans laboratoriumnotities dat hij gegevens uitkoos — de helft die niet in zijn theorie paste, verwerpend — hoewel hij in de publikatie van zijn werk specifiek vermeldde dat dit alle gegevens waren die hij „in 60 opeenvolgende dagen” had verkregen.
● Sir Cyril Burt (1883-1971), een vooraanstaande figuur in de Britse psychologie, leverde een belangrijke bijdrage tot Engelands onderwijspolitiek door zijn werk met betrekking tot het IQ van kinderen en zijn theorie dat intelligentie voor het grootste deel overgeërfd wordt. Bij de voorbereiding van een biografie over Burt ontdekte een andere psycholoog bedrog in bijna alles wat Burt in de laatste 30 jaar van zijn leven had gepubliceerd. „Zijn werk had vaak wel het aanzien van wetenschap maar niet altijd het wezen ervan”, zei de biograaf.
„Als de grote mannen uit de geschiedenis van de wetenschap bij gelegenheid hun gegevens onjuist weergaven om zodoende de persoonlijke voldoening te smaken hun ideeën te zien winnen, moeten de verleidingen voor de huidige wetenschappers nog veel groter zijn”, zegt het boek Betrayers of the Truth (Verraders van de waarheid). Of dit nu wel of niet zo is, de wetenschap en de wetenschapsbeoefenaars vormen geen uitzondering wanneer het op bedrog en knoeierij aankomt.