Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g84 22/9 blz. 5-9
  • Bedrog in de wetenschap: Een kijkje achter de schermen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bedrog in de wetenschap: Een kijkje achter de schermen
  • Ontwaakt! 1984
  • Vergelijkbare artikelen
  • Bedrog in de wetenschap: Een enkele slechte appel in de mand?
    Ontwaakt! 1984
  • Bedrog in de wetenschap — Waarom het toeneemt
    Ontwaakt! 1990
  • In hoeverre kunt u de wetenschap vertrouwen?
    Ontwaakt! 1998
  • Bedrog in de wetenschap — Het haalt de koppen
    Ontwaakt! 1990
Meer weergeven
Ontwaakt! 1984
g84 22/9 blz. 5-9

Bedrog in de wetenschap: Een kijkje achter de schermen

WAT hij door zijn microscoop ziet, doet de geleerde opveren. „Eureka!” roept hij, en wederom heeft zich een grote wetenschappelijke ontdekking voorgedaan.

Dit is het beeld dat ons wordt bijgebracht van de triomfen van de wetenschap. Denk eens terug aan de schoollessen over de grote helden van de wetenschap. Mannen als Galilei, Newton, Darwin en Einstein worden niet alleen om hun wetenschappelijke prestaties geprezen, maar ook om hun deugden — hun objectiviteit, toewijding, eerlijkheid, nederigheid, enzovoort. Louter door de kracht van hun superieure intelligentie en rationele geest geeft de natuur haar mysteries prijs en springt de waarheid te voorschijn.

In werkelijkheid gaat alles niet zo eenvoudig. In de meeste gevallen moeten geleerden maanden of jaren zwoegen in hun laboratoria, worstelend met resultaten die vaak verwarrend, onbegrijpelijk en zelfs tegenstrijdig zijn.

Idealiter stellen wij ons voor dat de toegewijde geleerde onversaagd doorgaat totdat de waarheid is ontdekt. Gewoonlijk weten wij echter maar heel weinig van wat er achter de gesloten deuren van het laboratorium omgaat. Is er reden om aan te nemen dat wetenschapsbeoefenaars minder worden beïnvloed door de lage impulsen van vooroordeel, rivaliteit, ambitie en hebzucht?

„Persoonlijke voorkeur en menselijke emotie zouden door de wetenschapsman worden onderdrukt ten gunste van het vinden van de waarheid”, schreef Michael Mahoney in Psychology Today. „De annalen van zowel de vroegere als de hedendaagse wetenschap suggereren echter dat deze portrettering niet helemaal accuraat is.”

In een zelfde trant schreef columnist Alan Lightman in het tijdschrift Science 83: „De geschiedenis van de wetenschap staat vol met persoonlijke vooroordelen, misleidende filosofische thema’s, gevallen van de verkeerde man op de verkeerde plaats. . . . Ik vermoed dat alle wetenschappers zich in hun werk bij tijden schuldig hebben gemaakt aan vooroordeel.”

Verbazen deze opmerkingen u? Is uw beeld van de wetenschap en haar beoefenaars erdoor aangetast of geschokt? Recent onderzoek heeft onthuld dat zelfs de grote geleerden van het verleden zich niet ontzagen onethische methoden te gebruiken om hun eigen ideeën of theorieën ingang te doen vinden.

Isaac Newton wordt om zijn pionierswerk ten aanzien van de algemene gravitatietheorie vaak de vader van de moderne natuurkunde genoemd. Deze theorie ondervond na de publikatie ervan in zijn beroemde verhandeling Philosophiae naturalis principia mathematica (Mathematische principes van de natuurfilosofie) veel tegenstand van enkele andere geleerden in die tijd, met inbegrip van de Duitse wiskundige Leibniz. Dit resulteerde in een langdurige vete tussen beiden die pas op het eind van hun leven werd bijgelegd.

In een artikel in Science schreef Richard S. Westfall dat Newton om zijn positie te versterken enige ’kleine veranderingen’ aanbracht in de Principia zodat zijn berekeningen en metingen zijn theorie nauwkeuriger zouden ondersteunen en overtuigender zouden maken. In één voorbeeld werd aanspraak gemaakt op een nauwkeurigheid van 1 op 3000 en in een ander geval werden zijn berekeningen tot op 7 decimalen uitgevoerd, iets ongehoords in die dagen. „Als de Principia het kwantitatieve patroon van de moderne wetenschap vastlegde,” schreef Westfall, „suggereerde ze evenzeer een minder verheven waarheid — dat niemand zo doeltreffend een ’aanpassingsfactor’ kan hanteren als de meesterwiskundige zelf.”

Newton liet zich ook in een andere controverse door minder edele motieven meeslepen. Om er aanspraak op te kunnen maken eerder dan Leibniz de fluxierekening uitgevonden te hebben, benoemde Newton in zijn hoedanigheid van president van de respectabele Royal Society „een ’onpartijdige’ commissie [voor het merendeel uit aanhangers bestaande] om de kwestie te onderzoeken, schreef hij in het geheim zelf het officieel door het genootschap gepubliceerde rapport en wijdde hij er een anonieme beschouwing aan in de Philosophical Transactions”, aldus het verhaal in de Encyclopædia Britannica over de wijze waarop Newton zichzelf de eer toekende.

Dat een man van Newtons kaliber zich tot zulke tactieken verlaagde is inderdaad een paradox. De les eruit is deze: Een wetenschapsman, of wie maar ook, kan in allerlei aangelegenheden nog zo gewetensvol en eerbaar zijn, wanneer het gaat om zijn wetenschappelijke reputatie of zijn belangen, kan hij wel degelijk dogmatisch, irrationeel of roekeloos handelen of zijn toevlucht nemen tot een sluipweggetje.

„Het lijkt een heel gewone, om niet te zeggen banale, vaststelling dat wetenschapsbeoefenaars ook maar mensen zijn, onderworpen aan dezelfde zwakheden als wij allen, heldhaftig, laf, eerlijk en gewiekst, dwaas en redelijk in ongeveer dezelfde mate, deskundig op sommige terreinen, maar niet op vele”, schrijft Roy Herbert in New Scientist. Hoewel men deze mening in wetenschappelijke kringen misschien niet algemeen toegedaan is, voegt hij eraan toe: „Ik vind het niet moeilijk dat te accepteren.”

Hoe staat het dan met die veronderstelde hecht samenhangende, zichzelf corrigerende en zichzelf regulerende structuur van de wetenschap?

Na alle publiciteit over de recente gevallen van bedrog op gezaghebbende research-instituten kwam de Association of American Medical Colleges met richtlijnen ten aanzien van bedrog in wetenschappelijk onderzoek. De slotsom van dit rapport was dat „de overweldigende waarschijnlijkheid dat frauduleuze gegevens spoedig na hun publikatie ontdekt zullen worden”, een bescherming vormt tegen onethische praktijken.

Deze beoordeling zat vele anderen, zowel binnen als buiten de wetenschappelijke gemeenschap, niet lekker. Een redactioneel commentaar in The New York Times noemde het rapport „een oppervlakkige diagnose van wetenschappelijk bedrog” en wees erop dat „geen van de knoeierijen oorspronkelijk aan het licht was gebracht door de vaste mechanismen waardoor wetenschapsmensen elkaars werk controleren”.

Een van de leden van de commissie die het rapport opstelde, Dr. Arnold S. Relman, tevens redacteur van The New England Journal of Medicine, staat zelf ook niet achter de conclusie van het rapport. „Wat voor bescherming tegen bedrog biedt het systeem van beoordeling door collega’s?” vroeg hij. „Weinig of geen.” Ter ondersteuning van zijn argument vervolgt Relman: „Er is op bedrog gebaseerd werk gepubliceerd in tijdschriften waarvoor het beginsel van beoordeling door vakgenoten geldt, en sommige van deze tijdschriften leggen heel hoge maatstaven aan. In het geval van de twee bijdragen die wij publiceerden, werd door geen van de beoordelaars of redacteurs enige gedachte aan oneerlijkheid geopperd.”

Vervolgens zou het reproduceren of herhalen van experimenten een doeltreffend instrument zijn voor het opsporen van bedrog. Er schijnt echter een grote kloof te bestaan tussen theorie en praktijk. In het sterk door wedijver beheerste klimaat van de wetenschappelijke research willen wetenschappers liever nieuw terrein betreden dan herhalen wat iemand anders al heeft gedaan. Zelfs als iemand zijn werk baseert op een experiment dat door een ander is uitgevoerd, dan wordt dat experiment zelden in exact dezelfde vorm herhaald.

Het probleem van het reproduceren van experimenten wordt nog vergroot door wat wel ’salami-wetenschap’ is genoemd. Sommige onderzoekers verdelen opzettelijk hun experimentele bevindingen in kleine gedeelten, ’snijden ze in dunne plakjes’, om zodoende meer artikeltjes te kunnen publiceren. Dit „biedt een mogelijkheid voor oneerlijkheid,” zegt een commissie van Harvard, „omdat het minder waarschijnlijk is dat dergelijke rapporten door anderen geverifieerd zullen worden”. Onderzoekers weten terdege dat als een experiment niet echt belangrijk is, het niet waarschijnlijk is dat iemand het zal willen herhalen. Men heeft geschat dat wel de helft van alle gepubliceerde bijdragen „niet gecontroleerd, niet gereproduceerd en misschien niet eens gelezen wordt”.

Dit betekent niet dat de wetenschap als instituut faalt of niet functioneert. Integendeel, er wordt heel veel belangrijk onderzoek verricht en er worden veel nuttige ontdekkingen gedaan. Dit alles wordt tot stand gebracht door wat in wezen een systeem is dat niet op supervisie of controle gebaseerd is maar op goed vertrouwen — op het ideaal dat wetenschappelijke vooruitgang berust op wederzijds vertrouwen en het uitwisselen van kennis binnen de wetenschappelijke gemeenschap.

Wat de recente gevallen van bedrog hebben gedemonstreerd, is het simpele feit dat dit ideaal zijn begrenzingen heeft en dat niet alle leden van de wetenschappelijke gemeenschap in dezelfde mate bereid zijn zich eraan te houden. De feiten tonen aan dat er binnen het zelfregulerende en zelfcorrigerende mechanisme van de wetenschap genoeg ontsnappingsmogelijkheden bestaan om iemand die het systeem wil bedriegen en de weg weet, inderdaad die kans te bieden.

Zoals overal spelen ook in de wetenschappelijke wereld financiële overwegingen een belangrijke rol. De dagen van de zelfstandige vindingrijke knutselaar zijn voorbij. Wetenschappelijke research kost tegenwoordig heel veel geld, en veel onderzoek wordt gefinancierd door de overheid, de industrie of andere stichtingen en instellingen. De economische teruggang en de besnoeiingen op de begrotingen maken het verkrijgen van een subsidie steeds moeilijker. Volgens de National Institutes of Health, welke instelling met een jaarlijks budget van ongeveer $4 miljard zo’n 40 procent van alle bio-medische research financiert, wordt ongeveer 30 procent van alle aanvragen voor een NIH-subsidie ingewilligd, tegen ongeveer 70 procent in de jaren ’50.

Voor de onderzoekers betekent dit dat het accent van kwaliteit naar kwantiteit is verschoven — de ’publiceer of ga ten onder’-mentaliteit. Zelfs wetenschapsmensen van naam worden vaak meer in beslag genomen door de noodzaak geld bijeen te brengen om hun dure laboratoria draaiende te houden, dan dat zij met hun faciliteiten aan het werk zijn. Dit bracht de val teweeg van een onderzoeker die voor meer dan een half miljoen dollar aan subsidies kreeg.

De man kreeg een artikel te beschouwen dat voorafgaande aan publikatie aan zijn drukke chef ter beoordeling was toegezonden. Dit artikel ging toevallig over een onderwerp waar hij ook aan bezig was. In plaats van het werk van de ander een eerlijke beoordeling te geven en het risico te aanvaarden dat zijn aanspraak op prioriteit erbij inschoot en hij misschien ook wel zijn subsidie kwijtraakte, verfraaide hij in aller ijl de uitkomsten van zijn eigen experiment, pleegde daarbij plagiaat door wat materiaal aan het andere artikel te ontlenen en bood zijn eigen werk voor publikatie aan.

Degenen die wetenschappelijk onderzoek hopen te gaan verrichten, ervaren al heel vroeg de druk om te slagen, en dit geldt vooral voor de medische studierichting. „Verhalen over geknoei onder studenten in de medische propaedeuse [het algemene, voorbereidende onderwijs] zijn heel algemeen”, zei Robert Ebert, voormalig deken van de Harvard Medical School, „en de race om hoge cijfers ten einde zich te verzekeren van toelating tot een medische opleiding is niet bepaald geëigend om tot ethisch en humanitair gedrag aan te moedigen.”

Deze vroege conditionering oefent heel gemakkelijk ook in de latere carrière, als de druk nog heviger is, zijn invloed uit. „In een omgeving waar altijd succes begerenswaardiger kan worden dan ethisch gedrag, kunnen zelfs engelen vallen”, aldus de droevige vaststelling van Ebert.

De huidige situatie werd goed samengevat door Stephen Toulmin van de University of Chicago, toen hij zei: „Het is onmogelijk om ergens een zwaarbetaalde, sterk wedijverende, in grote mate gestructureerde activiteit van te maken zonder gelegenheden voor mensen te creëren om dingen te doen die zij in de vroegere amateuristische fase nooit zouden hebben gedaan.”

Ons korte uitstapje in de wereld van de wetenschappelijke research gaf ons even een blik op de wetenschapper in zijn arbeid. Wij hebben gezien dat de geleerde ondanks zijn opleiding net zo goed behept is met menselijke zwakheden als doortrokken van deugden. Dat de man een witte laboratoriumjas aantrekt, verandert daar weinig aan. De druk en de wedijver in de moderne wetenschap maken het in feite alleen maar verleidelijker om de dubieuze sluipweggetjes te gebruiken.

Het verschijnsel van wetenschappelijk bedrog herinnert ons eraan dat ook de wetenschap haar schandalen heeft. Hoewel ze gewoonlijk uit het zicht worden gehouden, zijn ze er wel degelijk. Dat zo nu en dan een schandaal in de openbaarheid komt, moet ons doen beseffen dat hoewel de wetenschap en de wetenschappers vaak op een voetstuk geplaatst worden, hun plaats daar toch heel zorgvuldig opnieuw bezien dient te worden.

[Inzet op blz. 6]

„Ik vermoed dat alle wetenschappers zich in hun werk bij tijden schuldig hebben gemaakt aan vooroordeel”

[Inzet op blz. 6]

Wat voor bescherming tegen bedrog biedt het systeem van beoordeling door collega’s?”

[Inzet op blz. 8]

Ook de wetenschap heeft haar schandalen

[Kader op blz. 7]

De kunst van het wetenschappelijk bedrog

In 1830 publiceerde de Engelse wiskundige Charles Babbage een boek getiteld Reflections on the Decline of Science in England (Bespiegelingen over de achteruitgang van de wetenschap in Engeland) over wat naar zijn waarneming de toenmalige stand van de wetenschap was. In dat boek somde Babbage op wat volgens hem sommige wetenschapsmensen deden of maar al te graag zouden willen doen als hun experimenten niet naar wens verliepen.

„Trimming” (’bijknippen’), waarbij onregelmatigheden werden weggewerkt om de gegevens bijzonder nauwkeurig en precies te doen lijken.

„Cooking” (letterlijk ’koken, toebereiden’), waarbij alleen die resultaten werden behouden die de theorie op fraaie wijze ondersteunden en de rest niet werd gebruikt.

„Forging” (vervalsen), het verwerpelijkst van alles, waarbij enkele of alle gegevens van experimenten die misschien wel maar misschien ook helemaal niet waren verricht, regelrecht verzonnen waren.

[Illustratie op blz. 5]

Zelfs Isaac Newton veranderde zijn gegevens ten gunste van zijn theorie

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen