God — Onze Vader en Moeder?
„HEB UW VIJANDEN LIEF en bid voor degenen die u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van [God] uw [Moeder en] Vader in de hemel.” Verrast deze weergave van Jezus’ woorden u? Het is een aanhaling uit The Inclusive Language Lectionary, een nieuwe vertaling van bijbelgedeelten die onlangs door de Nationale Raad van Kerken in de Verenigde Staten is gepubliceerd. — Matthéüs 5:44, 45.
Deze vertaling is anders dan andere. Volgens The New York Times heeft ze ten doel „een eind te maken aan de door de man overheerste taal en beeldspraak die in vroegere vertalingen van de bijbel de overhand had”. Waarom? „Indien de taal van de Schrift exclusief mannelijk is, voelen vrouwen zich buitengesloten”, beweert Dr. Susan B. Thistlethwaite, hoogleraar in de theologie, aldus de Times.
Zo wordt Gods „eniggeboren Zoon” „Gods enige Kind”. In plaats van het voornaamwoord „hij” te gebruiken, herhaalt men liever het woord „God”. Op overeenkomstige wijze wordt de „Zoon des mensen” in deze vertaling „de Menselijke” (Johannes 3:13, 16). En in plaats dat Jezus een „man” geneest, geneest hij een „persoon die blind was van zijn geboorte af”. — Johannes 9:1.
Misschien wel de meest opzienbarende verandering is echter dat naar God verwezen wordt als „Moeder en Vader”, zoals de aanhaling in de inleiding. Waarom zou God op een dergelijke wijze aangesproken dienen te worden? Volgens de Times is de redenatie als volgt: „Door ’vader’ als een metafoor voor God te gebruiken schrijft men God een seksuele identiteit toe die niet door een nauwkeurig onderzoek van de Schrift ondersteund wordt. Bovendien, zo beweert men, bevordert het een op de man gerichte theologie.” Zijn dit steekhoudende argumenten?
Het moet worden gezegd dat God geen man is in de menselijke betekenis van het woord, hoewel men door hem „Moeder en Vader” te noemen het idee van een dubbele seksuele identiteit introduceert. Wat Jezus betreft, op aarde was hij beslist een man. Dit feit verandert niet door het te vermijden over hem als „hij” te spreken. Toen hij echter naar de hemel terugkeerde, was ook hij niet langer een man in menselijke zin. — 1 Korinthiërs 15:50; 1 Petrus 3:18.
Niettegenstaande dat verwezen de oorspronkelijke bijbelschrijvers onveranderlijk naar God als „hij”. Er wordt bijna altijd over hem gesproken in een mannelijke terminologie, zoals „Onze Vader” (Matthéüs 6:9). Ook Jezus wordt (zowel op aarde als in de hemel) met „hij” aangeduid en verschijnt vaak in een mannelijke rol, zoals die van echtgenoot van zijn gemeente en de „Vredevorst” [niet ’vorstin’]. — Jesaja 9:6; 2 Korinthiërs 11:2.
De apostel Paulus zei: „De gehele Schrift is door God geïnspireerd” (2 Timótheüs 3:16). God inspireerde de bijbelschrijvers dus om de bijbel op deze manier te schrijven. Het was zijn wens dat hij als „Onze Vader” aangeduid werd en niet als „Onze Moeder en Vader”. Dan heeft stellig een vertaler niet de autoriteit dit ter wille van vooroordelen in deze 20ste eeuw te verbergen.
Bevat de bijbel een „op de man gerichte theologie”? In werkelijkheid niet. Integendeel, een nauwkeurig onderzoek van de bijbel onthult een onpartijdige regeling voor redding waar vrouwen zeker niet van „buitengesloten” zijn. Paulus zei bijvoorbeeld dat er in het lichaam van Christus ’noch jood noch Griek, noch slaaf noch vrije, noch man noch vrouw’ is. — Galáten 3:28.
Het is waar dat de bijbel aan de man de positie van hoofd over de vrouw toekent, in het bijzonder binnen de gemeente en het gezin (1 Korinthiërs 11:3). Sommige nieuwlichters bevalt deze leer wellicht niet, maar ze vormt een deel van het geïnspireerde Woord van God. Zouden oprechte christelijke mannen en vrouwen er niet beter aan doen dit beginsel van de man als hoofd van de vrouw nauwkeurig te bestuderen ten einde te leren hoe zij het tot hun beider voordeel kunnen aanwenden — waarbij hun het volmaakte voorbeeld van Jezus ter beschikking staat — in plaats van te trachten het krachteloos te maken door de bijbel te veranderen? Op deze wijze zullen zij het vermijden de ernstige misdaad te begaan Gods Woord te veranderen (Openbaring 22:18, 19). Zij zullen het dan mogelijk maken dat Gods wijsheid, en niet die van mensen, hen leidt. — 1 Korinthiërs 2:6; 3:19.