Hoe sommige van de zaden zijn gezaaid
IN DE jaren ’40 hadden de nazi’s Europa bezet. Er werden ondergrondse verzetsbewegingen georganiseerd. Via Engeland kregen deze steun van de geallieerden. De Britse luchtmacht wierp boven Europa in vele talen gestelde, geïllustreerde pamfletten uit die uitlegden hoe hinderlagen te leggen, spoorlijnen te saboteren, een bezettingsleger moeilijkheden te veroorzaken, verklikkers te doden. Ondergrondse groepen werden voorzien van machinegeweren, handgranaten en kneedbommen. De nazi’s hadden hen terroristen kunnen noemen. Hun landgenoten respecteerden en eerden hen. Hun wapenfeiten werden in de westerse wereld bezongen als heldendaden.
Dit stukje geschiedenis is door sommigen aangehaald om aan te tonen hoe een geest van opstand geboren kan worden uit wat eerst verheven idealen en nobele motieven kunnen lijken. Maar de kanker van terrorisme kent geen aanzien des persoons. Ze verslindt degenen die eerst haar voorstanders waren. West-Duitsland, Frankrijk en Italië zijn tegenwoordig broeinesten van allerlei soorten terroristen: links, rechts en nog andere overtuigingen. Een generatie van vrijheidsstrijders heeft een nageslacht voortgebracht dat eropuit is om met geweld juist die maatschappelijke orde omver te werpen die Hitlers overheersing van zich af schudde.
De eerste revolutionaire uitingen
Fidel Castro deed een revolutionaire geest opleven die zich in linkse kringen in heel Latijns-Amerika verbreidde. In het begin van de jaren ’60 vormden zich opstandige bewegingen in Brazilië, Guatemala, Peru en andere landen.
„Ik ben geboren in Argentinië, heb gevochten op Cuba en begon in Guatemala een revolutionair te worden”, schreef Che Guevara, een discipel van Castro. Deze reizende apostel van de revolutie werd uiteindelijk in 1967 in Bolivia gedood. Hij verwierf zich in de hele wereld een soort van „ridderlijk aureool” als „gewapende sociale hervormer die in zijn strijd alleen de ondersteuning had van het onderdrukte volk”.
Frantz Fanon, een negerarts, was hoofd van de psychiatrische afdeling van het Blida Hospitaal in Algiers toen de Arabieren in 1952 hun strijd voor bevrijding van het Franse bestuur begonnen. In geschriften, zoals zijn boek Les damnés de la terre (De verworpenen der aarde) hielp Fanon het denken van de linkse intellectuelen vaste vorm te geven. Te lang, zo beweerde hij, hadden de koloniale machten de volkeren — in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en waar maar ook — door deportaties, bloedbaden, dwangarbeid en slavernij uitgebuit. Er behoorde een verschrikkelijke afrekening te komen. Geweld, zo predikte hij, ’bevrijdt degene die uitgebuit wordt en herstelt zijn zelfrespect’. Door Fanons uitspraken begonnen intellectuelen in het Westen overeenkomstig dit patroon te denken.
Toen de koloniale onafhankelijkheidsoorlogen in verschillende delen van de wereld in de jaren ’50 en ’60 ten einde liepen, ontwikkelde zich het concept van een Derde Wereld van arme en ongelukkige landen. Dit riep het medelijden op van jonge intellectuelen. Rijkere landen, zo argumenteerden zij, dienden meer te doen om de minder fortuinlijke volkeren te helpen. Mannen als Castro, Che Guevara en Fanon werden helden op de universiteiten. Studenten in Europa en Amerika raakten geboeid door revolutionaire geschriften.
De revolutionaire trend werd gevoed door de in Berlijn geboren Herbert Marcuse, hoogleraar in de politieke filosofie aan de universiteit van Californië, en door intellectuelen aan de Vrije Universiteit in West-Berlijn, de universiteit van Trento in Noord-Italië en andere centra van het nieuwe denken. Dit verplaatste de oproerigheid van Latijns-Amerika, Afrika en andere landen van de Derde Wereld naar de welgestelde landen. Studenten die walgden van een ’comfortabele consumptiemaatschappij en protserige rijkdom’, vonden dat zij in verzet moesten komen en de gevestigde orde omver moesten werpen.
De revolutie verbreidt zich
„In West-Duitsland werden de eerste ondersteuners voor het merendeel aangetroffen in de gelederen van geestelijken, artsen, professoren en journalisten”, zo schrijven Christopher Dobson en Ronald Payne. In hun uitvoerige studie The Terrorists gaan deze journalisten na hoe de revolutionaire ideologie zich (in West-Duitsland) in de middenstand en hogere kringen onder mannen en vrouwen heeft ontwikkeld. (Van de 28 meest gezochte stadsguerrilla’s op de politielijst van 1979 waren er 14 vrouwen.)
Bevrijd van de last van militaire uitgaven genoten de Westduitsers na de Tweede Wereldoorlog een periode van welvaart terwijl het grootste deel van de wereld gebrek leed. Sommige jonge idealistische Duitsers protesteerden luid. Deze geest sloeg over naar andere landen. In Parijs marcheerden Franse studenten achter de rode vlag van het communisme en de zwarte vlag van het anarchisme. Studenten wisten enige hervormingen af te dwingen in de „overvolle, volslagen verouderde universiteiten” van Frankrijk en Duitsland. Maar toen zij een beroep deden op de arbeiders om de straat op te gaan en de fabrieken te bezetten, ging de grote kruistocht om het kapitalisme omver te werpen als een nachtkaars uit.
De opstandigheid werd echter door andere vuren gevoed. In 1967 bezocht de sjah van Perzië West-Duitsland. Demonstranten hielden een protestmars en een politieman doodde Benno Ohnesorg, een rustige, gematigde student uit Hannover. In 1970 protesteerden studenten van de Kent State University in Ohio tegen de Amerikaanse inval in Cambodja. Leden van de Nationale Garde openden het vuur en vier studenten werden gedood en tien gewond. Overal zagen radicale studenten de gevestigde autoriteiten als gewelddadige onderdrukkers.
Reactionairen gingen tot tegenactie over toen Duitse radicalen brand stichtten in een Frankfurts warenhuis — „om de gezapige burgers eens te laten zien hoe de oorlogsgruwelen in Vietnam in werkelijkheid zijn”. Om zich te verdedigen gingen zij zich bewapenen. Om wapens te kunnen betalen pleegden zij bankovervallen. De bankovervallen escaleerden in meer geweld. Het was een proces dat de jonge studenten een gevreesd etiket bezorgde: terroristen.
Sommigen belandden daardoor in een levensstijl van communes, partnerruil, marihuana en zinnelijke genoegens. Vermengd met dat alles was de illusie zeer hooggestemde idealen te verdedigen. De aansporing om toe te treden overstemde het gezonde verstand en trok zelfs rekruten aan onder jonge vrouwen uit aristocratische milieus. Maar de verlokking van opwinding en buit trok ook enkelen aan die doodgewone misdadigers waren met weinig meer idealisme dan beesten.
Zijn terroristen de weerspiegeling van slechte regeringen?
De historicus Henry Steel Commager schreef de ’geweldcrisis’ die in de jaren ’70 in Amerika ontstond, toe aan het slechte voorbeeld van de regering. De VS, zo zei hij, wierpen negenmaal zoveel bommen op Indo-China als er tijdens de Tweede Wereldoorlog in het hele Zuidzee-gebied waren gevallen. „Wat voor nut heeft het als de president in zijn functie van opperbevelhebber dit geweld goedkeurt en voortzet,” zo vroeg Commager, „om dan in zijn functie van president het geweld op de universiteitscampussen te betreuren?”
Na de moord op Robert F. Kennedy kwam in Amerika een studie uit over het wereldomvattende verschijnsel van burgerlijke strijd. Een van de bevindingen was dat tussen 1963 en 1968 van elke 1000 Amerikanen er elf deelnamen aan burgertwisten. De Amerikanen stonden daarmee op de eerste plaats in een groep van 17 westerse democratieën en op de 24ste plaats onder 114 grotere landen en koloniën. Maar ondanks alle rassenonlusten en demonstraties tegen de regering hebben de Amerikanen zich nog niet echt voor geweld georganiseerd op de wijze van de geharde terroristische groepen die in West-Europa opereren. Niet dat dat niet kan gebeuren, concludeerde de studie, want „Amerikanen zijn altijd al een gewelddadig volk geweest”.
Wat zeggen zij zelf?
Ondergronds of openlijk opereren er bewegingen om een guerrillastrijd te voeren op iedere manier die tot hun beschikking staat, elke beweging voor haar eigen zaak. Voor de Palestijnen is die zaak het nationalisme — zij willen een eigen land. De ETA wil een onafhankelijke staat bestaande uit vier hoofdzakelijk Baskische provincies in Spanje en drie in Frankrijk. Het Ierse Republikeinse Leger vecht om het Britse bestuur af te werpen en een vorm van Ierse onafhankelijkheid te bereiken.
Linkse terroristen in Italië willen de Italiaanse maatschappij hervormen op een wijze die extremer is dan de „zachte” communistische blauwdruk. Rechtse groeperingen willen Italië doen terugkeren tot het fascisme.
Westduitse en Japanse terroristen zijn voorstanders van een complete wereldrevolutie ten gunste van een radicaal nieuwe orde. Anderen, zoals de islamitische opstandelingen op de Filippijnen en de Strijders van Christus Koning in Spanje, vechten voor religieuze gelijkstelling. Weer anderen schijnen doeleinden na te streven die een fusie zijn van politiek en religie. De soldaten die „Roem voor Egypte, ten aanval” riepen toen zij met hun geweervuur president Angwar Sadat neerschoten, werden ter dood gebracht als leden van een terroristische groepering van religieuze ijveraars die ervan werden beschuldigd een fundamentalistische islamitische staat in Egypte te willen creëren. En dan zijn er nog die terroristen genoemd worden maar door niets anders gemotiveerd lijken te worden dan door de opbrengst van hun misdaad.
Maar voor het grootste deel beschouwen degenen die door anderen als terroristen worden bezien en gevreesd, zichzelf als idealisten, visionairs en revolutionairen. „Laten wij één ding duidelijk stellen, wij zullen onze revolutie exporteren naar elk land dat ons iets in de weg legt.” Die verklaring wordt toegeschreven aan de Libische leider Muammar al-Kaddafi. In westerse ogen is hij een fundamentalistische moslem die een „heilige oorlog” tegen het zionisme wil voeren en droomt van eenwording van de 160 miljoen Arabieren in de wereld onder zijn leiderschap. Met miljarden dollars aan olie-opbrengsten tot zijn beschikking wordt kolonel Kaddafi door politieke leiders in de VS serieus genomen. Zij geloven dat hij in staat is een land met getrainde revolutionairen te infiltreren. Maar Kaddafi ziet zichzelf niet als een terrorist. De terroristen, zo zegt hij, zitten elders. „Israël terroriseert de Arabieren met zijn nucleaire programma. Het Westduitse volk wordt geterroriseerd omdat de VS daar raketten opstellen. Wij in Libië worden geterroriseerd door de aanwezigheid van de Amerikaanse vloot in de Middellandse Zee. Dat is echt terrorisme.”
[Inzet op blz. 6]
’Wat voor nut heeft het als de president geweld in Indo-China voortzet om dan geweld op de universiteitscampussen te betreuren?’
[Inzet op blz. 8]
Degenen die door anderen als terroristen worden gevreesd, beschouwen zichzelf als idealisten, visionairs en revolutionairen
[Illustratie op blz. 5]
’Wat voor de één een terrorist is, is voor de ander een vrijheidsstrijder’
[Illustratie op blz. 7]
Steeds meer vrouwen nemen eraan deel
[Illustratie op blz. 8]
Volgens sommigen zijn de zaden voor het huidige terrorisme gezaaid in de Tweede Wereldoorlog