Een Gemenebestconferentie voor het algemeen welzijn?
Door Ontwaakt!-correspondent in Zambia
WELKE gebeurtenis zou koningin Elisabeth II van Engeland doen besluiten een reis te aanvaarden die haar meer dan 8000 kilometer van haar woonplaats Londen zou brengen?
Welke gebeurtenis kan het als gastheer optredende land hebben doen besluiten om $9 miljoen (ƒ 18 miljoen) uit te geven, hoewel de regeringsleiders van dat land erkenden dat hun natie met ernstige economische problemen worstelt?
Het antwoord op die vragen is de 22ste Gemenebestconferentie, die van 1 tot 7 augustus 1979 in Loesaka, de hoofdstad van Zambia, werd gehouden.
Het Gemenebest en zijn conferenties
Het Gemenebest is een internationale gemeenschap van 39 onafhankelijke staten waarvan de totale bevolking wordt geschat op 1 miljard mensen, ongeveer een kwart van de gehele mensheid. De Gemenebestlanden maken er aanspraak op dat het een instelling is die de vrede, vrijheid en gerechtigheid is toegewijd. Omdat deze statenbond uit het oude Britse Rijk is voortgekomen, aanvaarden alle leden koningin Elisabeth II als het symbolische hoofd van het Gemenebest.
Het belangrijkste middel waarover de leden van het Gemenebest beschikken om met elkaar te overleggen, is de bijeenkomst van regeringshoofden — de Gemenebestconferentie. De laatste vijf van deze conferenties zijn om de twee jaar gehouden. De conferentie is uniek in die zin dat ze, in tegenstelling tot vele andere internationale conferenties, geen bindende resoluties aanneemt, maar ernaar streeft een overeenstemming in zienswijze te bereiken. Ze is informeel in de zin dat er geen podium is en er geen officiële voordrachten worden gehouden. De regeringshoofden zitten, ieder met slechts twee adviseurs, aan een tafel en er vindt een werkelijke uitwisseling van gedachten tussen hen plaats.
Op welke internationale kwesties zou de 22ste conferentie haar aandacht richten?
De secretaris-generaal van het Gemenebest, de heer Shridath Ramphal van Guyana, verklaarde in een televisie-interview dat de besprekingen zich voornamelijk zouden richten op het apartheidsvraagstuk in zuidelijk Afrika, voornamelijk in Zimbabwe/Rhodesië en Namibië, en op de problemen van de wereldeconomie.
Politieke geschilpunten
De president van Tanzania, Julius Nyerere, die het debat over de situatie in zuidelijk Afrika opende, verklaarde dat er drie dingen gedaan moeten worden om het probleem Zimbabwe/Rhodesië op te lossen. Ten eerste zou Engeland een democratische grondwet moeten opstellen; ten tweede behoorden er onder internationaal toezicht verkiezingen te worden gehouden waaraan alle partijen moesten kunnen meedoen die bij het conflict betrokken zijn; ten derde zou door het Gemenebest een programma en een fonds moeten worden ingesteld dat een nieuw bestaan mogelijk maakt voor blanken die verkiezen het gebied te verlaten in geval een zwarte regering die een minderheidsgroep vertegenwoordigt, de macht mocht overnemen. Deze voorstellen werden aangenomen en aangevuld met een uit negen punten bestaand communiqué dat tegen het einde van de conferentie werd vrijgegeven. De premier van Engeland, mevrouw Margaret Thatcher, stelde zich achter het communiqué met de verklaring dat de Engelse regering zich voornam snel haar onmiddellijke doelstellingen te verwezenlijken om een grondwet voor de onafhankelijkheid op te stellen.
Er werden nog meer politieke kwesties besproken, waaronder ook de gewapende conflicten in Indo-China en het wezenlijke gevaar dat de conflicten verder om zich heen zouden grijpen. De regeringshoofden spraken hun diepe bezorgdheid uit over de wereldomvattende groei van het internationale vluchtelingenprobleem; ook spraken zij hun ernstige bezorgdheid uit over de kwestie Cyprus; zij gaven hun volledige ondersteuning aan het streven van de bevolking van Belize naar een spoedige en verzekerde onafhankelijkheid; zij namen opnieuw de ernstige situatie in het Midden-Oosten in ogenschouw, waarbij in het bijzonder aandacht werd geschonken aan het Palestijnse volk; zij betreurden het te moeten opmerken dat er niet veel vooruitgang was geboekt in het streven de Indische Oceaan tot vredeszone te maken, maar dat daarentegen de militaire aanwezigheid van de grote mogendheden daar feitelijk was toegenomen.
Ja, er werden problemen besproken, er werden standpunten uiteengezet, er werd uiting gegeven aan bezorgdheid en er werden voorstellen gedaan. Maar werden de problemen werkelijk opgelost? Zullen degenen wier situatie werd beschouwd, nu ware vrede, vrijheid en gerechtigheid genieten?
Economische kwesties
Op financieel terrein werd de economische wanverhouding tussen rijke en arme landen scherp bekritiseerd. De premier van Papoea Nieuw-Guinea, de heer Michael Somare, beschuldigde de rijke landen ervan zich hoofdzakelijk op hun eigen belangen te concentreren. Tevens werd opgemerkt dat de problemen van inflatie, algemene malaise, hoge werkloosheidscijfers en andere kwesties nu aan de ontwikkelingslanden waren doorgegeven. Ten einde dit probleem te illustreren, werd de conferentie medegedeeld dat de ontwikkelingslanden de olieproducenten meer dan $40 miljard (ƒ 80 miljard) schuldig zijn, terwijl het tekort van de geïndustrialiseerde staten tot $2 miljard (ƒ 4 miljard) was verminderd. Welke actie zou er ondernomen moeten worden om deze tendens tegen te gaan?
Men stelde voor de OPEC-landen ertoe te bewegen een gedeelte van hun kapitaal te investeren in de ontwikkelingslanden, waarvan nu bij sommigen de economie ten gevolge van de energiecrisis op de rand van ineenstorting staat, in plaats dat zij hun oliedollars weer in de economie van de industrielanden laten circuleren. Een tweede plan om dit probleem aan te pakken was een overeenkomst om een internationale instelling voor energie op te richten ten einde wetenschappelijk onderzoek naar alternatieve krachtbronnen te coördineren. Zij geloofden ook dat het Gemenebestfonds voor Technische Samenwerking ertoe zou kunnen bijdragen de ongelijkheid tussen de rijke en arme landen uit de weg te ruimen, en kwamen overeen om $8 miljoen (ƒ 16 miljoen) voor dit fonds bijeen te brengen.
Zij gaven vijf terreinen aan waarop de grotere lid-staten de ontwikkelingslanden zouden kunnen helpen. Deze omvatten: hulp te verschaffen om de economie een bredere basis te geven door tot grotere plaatselijke verwerking van grondstoffen aan te moedigen; de landen te helpen hun technische bekwaamheid te verbeteren; kleine eilandenstaten het recht te waarborgen hun produkten vrij op de markt te brengen; de toestroming van kapitaal te vergroten en hulpprocedures te vereenvoudigen; financiële en technische bijstand te verlenen om hun afhankelijkheid van ingevoerde olie te verminderen en alternatieve energiebronnen te ontwikkelen.
Maar zullen de grotere landen deze voorstellen werkelijk toepassen? Geeft het bericht dat zij hebben opgebouwd ook maar enige reden te geloven dat zij op onzelfzuchtige wijze voor elkaars belangen zorg zullen dragen?
Wat zal erdoor tot stand worden gebracht?
In zijn slottoespraak merkte de voorzitter op dat ’het verheugend was op te merken dat de vrees die men in het begin had uitgesproken, was uitgelopen op een beter begrip van elkaars standpunt’ en dat een sfeer van vriendschap en een geest van openhartigheid de overhand hadden gehad.
Maar wat zou door al het praten, de discussies, de beloften en mondelinge overeenkomsten tot stand worden gebracht? Het is noodzakelijk dat de beslissingen in een actieprogramma worden omgezet, want de vergadering zou volgens de voorzitter geen enkele historische betekenis hebben tenzij ze tot historische veranderingen zou leiden.