Gesel van het Britse platteland
Door Ontwaakt!-correspondent in Groot-Brittannië
IEDERE dag sterven er in Groot-Brittannië twintigduizend iepen. Naar schatting zijn er sinds 1968 11 miljoen gestorven, allemaal slachtoffers van de iepeziekte, een plaag die in Angelsaksische landen bekendstaat als de ’Dutch elm disease’ (Hollandse iepeziekte).
Hoewel de ziekte in die landen ’Hollands’ wordt genoemd, is ze niet in Nederland ontstaan. In plaats daarvan wordt ze zo genoemd omdat veel van het vroege onderzoek naar de ziekte in Nederland is verricht. Er wordt algemeen aangenomen dat de iepeziekte vanuit Centraal-Europa Noord-Amerika heeft bereikt, en dat de huidige epidemie waarschijnlijk in 1968 door ziek hout uit Noord-Amerika in Groot-Brittannië werd ingevoerd. Maar laten wij, voordat wij de ziekte bespreken, eens kort een blik werpen op de iep (of elm) zelf.
Van de zes basissoorten die op de Britse Eilanden groeien, hebben de Engelse iep, ook wel bekend als de gewone iep of veldiep, en de bergiep of breedbladige iep lang de overhand gehad. De Engelse iep heeft een dikke, oneffen stam waarop vele knoestige bulten of knobbels zitten, en de schors van de boom is erg ruw en zit vol diepe groeven. De boom is gemakkelijk te herkennen, daar hij helemaal tot op de grond bekleed is met een dichte hoeveelheid twijghout. De bergiep heeft geen twijghout onderaan de stam, en zijn bladeren zijn groter en breder. Daar de bergiep minder ruw is, is hij de sierlijkste van de twee soorten.
Iepehout is nog steeds waardevol als timmerhout, waarbij de ruwe knobbels die op de stam van de gewone iep groeien, worden gewaardeerd door schrijnwerkers, die van de bijzondere tekening in het hout houden. Thans wordt het evenwel hoofdzakelijk gebruikt voor pallets, spaanplaat, mijnstutten en doodkisten. Het belangrijkste kenmerk van de Engelse iep is echter zijn unieke bijdrage tot de schoonheid van het landschap. Hij staat of in rijen, of solitair, en is een van de hoogste bomen van Groot-Brittannië
Wat is de iepeziekte?
De iepeziekte is een schimmelziekte die wordt overgebracht door de grote en kleine iepespintkever, die zich ongeveer een week aan de gezonde bomen te goed doet voordat hij eitjes gaat leggen. De sporen van de schimmel worden in deze periode van het lichaam van de kever afgewreven en dringen de houtvaten van de gezonde boom binnen. De iep verzwakt door de inwerking van de schimmel steeds meer en gaat dood aan vergiften en omdat hij zijn bladeren verliest. Wanneer een iep door en door verzwakt is, dringt de kever de schors van de stam binnen. Daar legt het insekt zijn eitjes, waarna de jonge kevers de volgende lente te voorschijn komen om de kringloop weer helemaal opnieuw te beginnen.
Typische uiterlijke symptomen van iepeziekte zijn het geel en bruin worden van de voorheen heldergroene bladeren. Soms buigen krachtige nieuwe scheuten door als teken dat ze sterven. Wordt de schors afgeschild, dan zal blijken dat er over de buitenste houtvaten lange donkere strepen lopen. Zulke symptomen kunnen gemakkelijk door een leek worden herkend. Maar er zijn twee vormen van deze boomziekte, een agressieve vorm en één die niet agressief is. Het verschil kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. De niet-agressieve vorm doodt de besmette boom gewoonlijk niet, maar de agressieve vorm verspreidt zich tweemaal zo snel en doodt de iepen bij miljoenen tegelijk. In de ruim tien jaar dat deze ziekte nu in Groot-Brittannië voorkomt, heeft ze het hele land geteisterd en alle iepen op die in Cornwall en Huntingdon na, aanzienlijk in aantal verminderd. Tegen het eind van 1977 waren er van de 23 miljoen iepen die het land rijk was, 11 miljoen te gronde gegaan. In ten minste één graafschap is al meer dan 90 percent van de iepen dood, wat neerkomt op 50 percent van alle bomen in dat graafschap.
Londen is veel prachtige parken rijk met oude en bijzonder mooie iepen, maar deze hebben ernstig geleden. In Regents Park moesten alleen al in 1977 naar schatting 100 van de ongeveer 500 overgebleven iepen worden omgekapt. Net als in andere delen van het land zijn er pogingen gedaan om getroffen bomen te injecteren. Maar het schijnt dat die maatregelen in de strijd tegen deze kwaadaardige ziekte zonder uitwerking zijn geweest.
De ziekte bestrijden
Tot voor kort was het enige middel op lange termijn tegen iepeziekte, het vervangen van dode iepen door nieuwe resistente variëteiten. Tijdelijke maatregelen waren gericht op het behouden van zo veel mogelijk bestaande iepen, met als belangrijkste middel om de ziekte in de hand te houden, het kappen en opruimen van aangetaste bomen. Wil dit kappen zin hebben, dan moeten de bomen zodra ze besmet zijn, worden omgekapt, terwijl de schors moet worden verbrand. Een boom die sterft, dient vóór de volgende lente te worden geveld, voordat de kever zich kan voortplanten en de schimmel kan verspreiden. In de meeste gevallen zal dit niet gebeuren, wat betekent dat de daaropvolgende lente waarschijnlijk nog eens 1.000.000 iepen zullen zijn besmet. Helaas heeft dit kappen gefaald, omdat er te weinig werd gedaan, en men er te laat mee was.
Onlangs zijn schimmelbestrijdingsmiddelen als tegengif in gebruik genomen. Deze worden geïnjecteerd in de voet van gezonde bomen, zodat het sap het bestrijdingsmiddel naar alle takken transporteert, waar het zijn strijd tegen de schimmel kan gaan voeren. Zulke injecties kosten ongeveer ƒ 23,– per boom en de behandeling moet ieder jaar worden herhaald. De resultaten hebben echter getoond dat deze methode alleen doeltreffend is bij bomen die niet hoger zijn dan ongeveer 12 meter; en bij sommige iepen blijkt ze meer succes te hebben dan bij andere.
Nu en dan raken de wortels van iepen elkaar, wat het voor de schimmel mogelijk maakt zich ondergronds van boom naar boom te verspreiden. Het is mogelijk een boom te isoleren door middel van een chemische barrière, die tot stand wordt gebracht door tussen de bomen om de 15 centimeter gaten in de grond te boren met een doorsnede van 2,5 centimeter en een diepte van 60 centimeter, en daarin een steriliserende vloeistof te gieten. Deze behandeling zal verscheidene jaren bescherming bieden, maar de kosten zijn erg hoog, ten minste zo’n ƒ 55,– per boom. Ze is alleen praktisch in het geval van waardevolle iepen.
Pogingen tot herplanting
Men is zich er thans steeds meer van bewust dat bomen een essentiële rol spelen in het hele ecologische evenwicht. Zullen de iepen worden vervangen? En zo ja, hoe? In veel gebieden zijn er meer programma’s voor openbare dan voor particuliere aanplant, maar met snelgroeiende boomsoorten, zoals de linde, en niet met iepen. Onder de meer dan 170.000 nieuwe bomen die vóór 1975 in een gebied werden geplant, bevond zich niet één iep. Tot nu toe is alles wat men gedaan heeft als reactie op de tragedie met de iep, even effectief geweest als het tegenhouden van een bosbrand met een tuinslang.
Ondanks regeringssubsidies bestaat er van de zijde van boeren en landeigenaars een zekere terughouding om nieuwe bomen te planten. Waarom? Omdat de huidige wetten eisen dat van iedere vier bomen die worden geplant, er feitelijk drie in de vorm van belastingen naar de regering gaan. Vandaar dat in 1975 ten minste 90 percent van de geplande herplantingsprogramma’s niet doorging.
Het terrein van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Londen heeft ook de gevolgen van boomziekten ondervonden. Op dit terrein moesten wel 30 bomen worden gekapt, waaronder veel iepen. Ook stormen hebben hun tol geëist. Onlangs is echter een energiek herplantingsprogramma ondernomen. Behalve meer dan 100 coniferen die deel uitmaken van een heg die het terrein omgeeft, zijn er overal op het terrein in totaal meer dan 200 bomen geplant, waaronder witte berken, sycamoren, eucalyptusbomen, lijsterbessen en esdoorns. Maar het opvullen van gaten in het landschap is een erg langzaam proces.
In de afgelopen maanden hebben ecologen weer wat moed gevat toen zij opmerkten dat uit sommige van de oude, overal op het platteland nog overgebleven wortelstelsels weer iepescheuten ontsproten. Misschien zullen de nieuwe scheuten ten slotte tot volwassen bomen uitgroeien en helpen het evenwicht te herstellen. Maar het is nu nog te vroeg om er zeker van te zijn of ze tot wasdom kunnen komen.
Ondertussen blijft de iepeziekte haar rampzalige weg vervolgen. Het prachtige Britse platteland, dat zo levendig in herinnering wordt gebracht op de oude schilderijen van Constable, Gainsborough en Turner, is op tragische wijze door deze ziekte geteisterd en verwoest. De kale takken van de eens zo trotse bomen herinneren verwijtend aan het falen van elk beleid voor hun behoud.