Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g79 8/10 blz. 27-29
  • Dient u zich erom te bekommeren hoe anderen u bezien?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Dient u zich erom te bekommeren hoe anderen u bezien?
  • Ontwaakt! 1979
  • Vergelijkbare artikelen
  • De geestelijke mens — Waarom „door geen mens onderzocht”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Persoonlijk voordeel trekken van de wetten en beginselen van de bijbel
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Jaag datgene na waardoor u elkaar opbouwt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Behoed uw christelijke hoop
    De beste levensweg kiezen
Meer weergeven
Ontwaakt! 1979
g79 8/10 blz. 27-29

De zienswijze van de bijbel

Dient u zich erom te bekommeren hoe anderen u bezien?

WARE christenen dragen tegenover God en mensen de verantwoordelijkheid te bewijzen dat zij ’zonder smet zijn te midden van een krom en verdraaid mensengeslacht’. In een van God vervreemde wereld moeten getrouwe discipelen van Jezus Christus als lichtgevers schijnen (Fil. 2:15). Door hun voorbeeldige dagelijkse gedrag en hun verlangen Gods waarheid bekend te maken, functioneren zij als lichten in een wereld die in diepe geestelijke duisternis verkeert.

Het is dan ook juist dat een christen zich erom zou moeten bekommeren welk voorbeeld hij in zijn dagelijkse leven geeft. Voor zover het van hem afhangt, zou hij niemand een deugdelijke basis moeten geven om hem te bezien als een persoon die morele wetten geweld aandoet, of die in strijd handelt met het natuurlijke gevoel voor wat juist is. De apostel Petrus vermaande medegelovigen: „Dat niemand van u echter lijde als een moordenaar of een dief of een boosdoener of als iemand die zich met andermans zaken inlaat” (1 Petr. 4:15). Alle christenen, en niet alleen mannen die zijn aangesteld als ouderlingen, zouden ernaar moeten streven „een voortreffelijk getuigenis . . . van de mensen buiten” te hebben. — 1 Tim. 3:7.

Het is ook uitermate belangrijk dat een dienstknecht van God de gevoelens of gewetensbezwaren van de mensen onder wie hij woont, in aanmerking neemt. In sommige streken bijvoorbeeld wordt een persoon die alcoholische dranken drinkt, zelfs al doet hij het met mate, of die bepaalde soorten van voedsel eet, misschien als een zondaar bezien. Wanneer dat het geval is, zou een christen niet op zijn recht willen staan een beetje wijn te drinken, of varkensvlees of ander vlees te eten dat zijn buren als verontreinigend zouden kunnen beschouwen. Hij zou veeleer de beslissing willen nemen van zijn rechten af te zien om personen die zich open zouden kunnen stellen voor het „goede nieuws”, niet nodeloos een struikelblok in de weg te leggen.

Onze wens moet zijn in overeenstemming te handelen met het voortreffelijke voorbeeld van de apostel Paulus die met betrekking tot zichzelf kon zeggen: „Hoewel ik vrij ben van allen, heb ik mijzelf tot slaaf van allen gemaakt, om de meeste personen te winnen. En zo ben ik voor de joden geworden als een jood, om joden te winnen; voor hen die onder de wet staan, ben ik geworden als onder de wet staande, hoewel ik zelf niet onder de wet sta, om hen die onder de wet zijn, te winnen. Voor hen die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet, hoewel ik niet zonder wet ben ten opzichte van God, maar onder de wet ten opzichte van Christus, om hen die zonder wet zijn, te winnen” (1 Kor. 9:19-21). „Wij hebben gebroken met de achterbakse dingen waarover men zich dient te schamen, daar wij niet met listigheid wandelen noch het woord van God vervalsen; maar door de waarheid openbaar te maken, bevelen wij ons aan ieder menselijk geweten aan voor het oog van God” (2 Kor. 4:2). Ware christenen van thans hebben net als Paulus goede redenen zich erom te bekommeren dat hun spreken en handelen appelleert aan het goede geweten van personen die hen gadeslaan.

Voor een getrouwe discipel van Jezus Christus is er echter geen reden tot bezorgdheid wanneer mensen uit de wereld op hem neerzien omdat hij een christen is. Misschien wordt hij wegens zijn geloof bespot en lichamelijk mishandeld. Wanneer dat het geval is, zal hij wijselijk de geïnspireerde raad opvolgen: „Lijdt hij als een christen, dan schame hij zich niet, maar hij blijve God verheerlijken in deze naam” (1 Petr. 4:16). Het is werkelijk een eer ten behoeve van Christus te lijden. Zijn autoriteit is veel groter dan die van enig mens of enige groep van mensen. Jehovah God gaf zijn Zoon „alle autoriteit in hemel en op aarde” (Matth. 28:18). Bovendien deed Jezus als bewijs van zijn grote liefde afstand van zijn leven als een offer, wat het voor zijn discipelen mogelijk maakte een reine positie voor de Schepper te verwerven en aldus op de weg gebracht te worden die tot eeuwig leven leidt (Joh. 3:16; 15:13). Als wij Christus, grote autoriteit en de diepte van zijn liefde voor ons beschouwen, hebben wij zeker geen reden ons erover te schamen voor zijn naam te lijden.

Bovendien hoeft een ware christen zich er niet om te bekommeren welk oordeel er wellicht over hem wordt geveld door personen binnen en buiten de christelijke gemeente die niet geestelijk gezind zijn. De apostel Petrus beklemtoonde dit in de volgende woorden: „Met dit doel werd ook aan de [in geestelijk opzicht] doden het goede nieuws bekendgemaakt, opdat zij van menselijk standpunt uit bezien naar het vlees geoordeeld zouden worden, maar van Gods standpunt uit bezien naar de geest zouden leven” (1 Petr. 4:6). Terwijl zij die het „goede nieuws” aanvaarden, vanuit geestelijk standpunt bezien tot leven komen, blijven degenen die niet geestelijk gezind zijn, misschien de waarde van zulke personen bepalen op basis van vleselijke overwegingen, waarbij zij hen die het aan wereldse invloed, macht, een goede positie en bezittingen ontbreekt, nietswaardige personen vinden. Dit zou ons niet moeten verontrusten. Veel belangrijker is wat God van ons vindt. Wij willen dat hij ons beziet als mensen die een werkelijk geestelijk leven leiden.

Er is eenvoudig geen manier om vitters te behagen. Daarom hoeft de gewetensvolle christen zich geen zorgen te maken dat hij ongunstig vergeleken wordt met anderen. De christelijke apostel Paulus werd blootgesteld aan zulke ongunstige vergelijkingen door bepaalde leden van de gemeente in Korinthe. Zijn reactie op een dergelijke verkeerde beoordeling van hem kan aanmoedigend voor ons zijn. Hij schreef: „Nu is het voor mij een zeer onbeduidende zaak of ik door u of door een menselijke instantie wordt onderzocht. Ja, ik onderzoek mijzelf niet eens. Want ik ben mij er niet van bewust dat er iets tegen mij is. Toch is daardoor nog niet bewezen dat ik rechtvaardig ben, maar hij die mij onderzoekt is Jehovah. Oordeelt daarom niets vóór de bestemde tijd, totdat de Heer komt, die zowel de verborgen dingen der duisternis aan het licht zal brengen als de raadslagen der harten openbaar zal maken, en dan zal een ieder zijn lof van God ontvangen.” — 1 Kor. 4:3-5.

De apostel Paulus zal beslist hebben geweten welke redenen en motiveringen hij had voor zijn spreken en handelen, beter dan degenen die zich aanmatigden hem te doorvorsen of hem op zijn waarde te schatten. Hij handelde naar eer en geweten in overeenstemming met Christus’ voorbeeld en onderwijzingen. Daarom beschouwde hij een dergelijk onderzoek als een „zeer onbeduidende zaak”, iets dat geen serieuze aandacht verdiende. De apostel Paulus besefte dat het oordeel dat door de Heer Jezus Christus als Gods aangestelde rechter zou worden geveld, van belang was. Insgelijks moeten christenen thans de ernst van het feit in gedachte houden dat zij door Jehovah God door bemiddeling van de Zoon worden onderzocht. Dit kan hen helpen het te vermijden van streek te raken door de opinie die niet geestelijk gezinde personen van hen hebben, en het zelf vermijden zulke niet-geestelijke oordelen te vellen.

De Schrift maakt dus duidelijk dat er tijden zijn waarop wij ons erom moeten bekommeren hoe anderen ons bezien en ook tijden waarop wij er niet bezorgd over hoeven te zijn wat anderen kunnen denken of zeggen. Te allen tijde zou onze belangrijkste zorg moeten zijn te bewijzen dat wij in Gods ogen zonder smet zijn door een rein geweten voor hem en voor onze medemens te behouden. Wij zouden echter ongegronde vitterij, bespotting of niet-geestelijke oordelen als van geen enkele betekenis moeten achten wanneer wij voortgaan ons in al onze aangelegenheden op een wijze te gedragen die God en onze Heer Jezus Christus tot eer zal strekken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen