Zij die uitgezonden worden — Om wat voor personen gaat het?
„WAT voor soort van zendeling zul je worden?” Die vraag stelde K. A. Adams aan de 24 studenten die hij de voorgaande vijf maanden onderricht had gegeven. De gelegenheid was de graduatie van de 64e klas van de Gileadschool, welke op 5 maart werd gehouden in de Congreshal van Jehovah’s Getuigen op Long Island (New York).
„Er zijn diverse lessen te trekken uit het leven van degenen die jullie zijn voorgegaan”, zo vervolgde Adams. Daarna vestigde hij de aandacht van de studenten op twee zendelingen die in de bijbel worden vermeld, namelijk Jona en de apostel Paulus. Jona, zo merkte hij op, gaf blijk van een verkeerde houding ten aanzien van het hem toegewezen gebied, Ninevé, en bleef in gebreke met betrekking tot de inwoners ervan hetzelfde standpunt als God in te nemen. Dus ging Jona een andere richting uit. „Maar God hield hem al heel snel tegen”, aldus Adams, „gaf hem een paar dagen de tijd om over zijn stap na te denken, en ten slotte zei Jona uit de buik van de vis: ’Wat ik plechtig beloofd heb, wil ik betalen.’”
„Maar Jona had nog steeds te kampen met problemen”, zo vervolgde Adams. „Hoewel hij naar Ninevé ging en zijn werk verrichtte, bezat hij kennelijk niet de juiste bezorgdheid voor de mensen daar. Want toen zij hun slechte gedrag veranderden en Jehovah besloot hen niet te vernietigen, zo vertelt de bijbel, ’mishaagde dit Jona ten zeerste’.” Dit stemt ons tot nadenken, aangezien de bijbel te kennen geeft dat Jona wel grote bezorgdheid toonde voor zijn eigen persoonlijke comfort. — Jona, de hoofdstukken 1 tot en met 4.
De afgestudeerden begrepen heel duidelijk waar het om ging — zij zouden er werkelijk in geïnteresseerd moeten zijn andere mensen te helpen, in plaats van zich overmatig bezorgd te maken over hun eigen comfort. In de dagen na de graduatie werden er vele afscheidswoorden gewisseld. Langzamerhand vertrokken de studenten naar de in totaal tien landen waaraan zij waren toegewezen — de Bahama’s, Brazilië, Chili, Ecuador, El Salvador, Frans Guyana, Japan, Paraguay, Senegal en Sierra Leone. In totaal zijn er nu — sinds het begin van de Gileadschool, 35 jaar geleden — 5633 afgestudeerden naar 160 landen vertrokken.
De afgestudeerden van de 64e klas konden zich spiegelen aan het voortreffelijke voorbeeld van de vele zendelingen uit vroegere klassen. Neem bijvoorbeeld Leo en Eunice Van Daalen, van de eerste klas van Gilead. In maart 1944 kwamen zij op Puerto Rico aan, waar toen slechts zes personen als getuigen van Jehovah actief werkzaam waren. De Van Daalens vonden een huis waar ze konden wonen en gingen toen prediken in de hete tropische zon. Het zestal Koninkrijksverkondigers van toen, was tegen november 1951 toegenomen tot 622.
Daarna gingen de Van Daalens in april 1952 naar de Verenigde Staten om hun ouders te bezoeken. Hun vliegtuig stortte echter neer in de oceaan. Eunice, een uitstekende zwemster, gaf haar reddingsgordel aan een andere persoon, een daad van onzelfzuchtigheid die in de kranten veel lof oogstte. Maar zij en haar man verdronken. Acht jaar hadden ze hard gewerkt in de prediking, en dank zij vooral hun activiteit en die van andere Gilead-zendelingen, zijn er nu op Puerto Rico meer dan 16.700 Koninkrijksverkondigers.
Zo is er ook Donald Baxter, een afgestudeerde uit de vijfde klas van Gilead. Op 2 juni 1946 landde hij in Caracas, de hoofdstad van Venezuela, een land waar toen slechts vier Getuigen waren. Aan de rand van de stad vond men een klein huis zonder stromend water, langs een ongeplaveide weg. Dat was het eerste zendingshuis in Venezuela. Baxter is nog steeds in Venezuela, en heeft een aandeel gehad aan de groei tot meer dan 13.800 Koninkrijksverkondigers thans.
In land na land zijn Gilead-afgestudeerden de predikingsactiviteit begonnen — in de Dominicaanse Republiek, in El Salvador, Nicaragua, Peru en vele andere landen. Over het begin van het werk in Ecuador bericht het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1948: „Er is van de zijde van de zendelingen grote vastberadenheid voor nodig om naar een land te gaan waar zij volkomen vreemd zijn, waar niemand hen sympathiek gezind is of hun geloof in de waarheid deelt, en dan toch onbevreesd en moedig voort te gaan . . . dit hebben de zendelingen van Gilead gedaan.”
Tijdens het graduatie-afscheid van de 64e klas drongen acht leden van de staf van het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen er bij alle 1944 aanwezigen op aan een soortgelijke vastberadenheid en getrouwheid aan de dag te leggen. L. Weaver wees op het voorrecht dat de afgestudeerden hadden genoten de Gileadschool te mogen bezoeken, maar hij merkte ook op dat ze onder druk en moeilijkheden hun waardering voor dat voorrecht zouden kunnen verliezen. „Neem Demas”, zo zei hij. „Hij genoot het voorrecht een medewerker van de apostel Paulus te zijn. Maar later verklaarde Paulus: ’Demas heeft mij verlaten omdat hij het tegenwoordige samenstel van dingen liefhad.’” — 2 Tim. 4:10.
L. Greenlees gaf voortreffelijke raad hoe wijsheid betracht kon worden in de omgang met mensen, in de omgang met medezendelingen met wie de afgestudeerden spoedig zouden samenwonen, en zeker ook in de omgang met de plaatselijke bevolking die er wellicht heel andere manieren en gewoonten op na zou houden. Hij drukte de zendelingen op het hart hun eigen gewoonten en manieren niet superieur te achten. Om te illustreren hoe belangrijk het is zich onder de mensen te begeven en hun gewoonten te leren kennen, las Greenlees de volgende ervaring voor van een lidmate van het Vredeskorps, welke stond afgedrukt in The Wall Street Journal:
„Indertijd woonde ik al bijna twee jaar in Kenya en gaf onderwijs in een klein dorpje in het midden van het land. Een leerling, Samuël genaamd, nodigde me uit om bij hem thuis te komen. Daar maakte ik kennis met zijn familie en genoot van het voortreffelijke maal dat zijn moeder had klaargemaakt. Natuurlijk prees ik haar kookkunst.
Op weg naar huis vroeg Samuël me of hij me iets mocht zeggen. ’Madam’, zo begon hij, ’ik wil u niet kwetsen, maar het is heel erg onbeleefd iets over voedsel te zeggen, tenzij er iets aan mankeert.’
Bij die woorden bekroop mij een gevoel van neerslachtigheid. Nu was ik al twee jaar hier en nog was ik zo slecht op de hoogte van de gewoonten van deze mensen — naar wie ik was gekomen om ’hulp’ te bieden — dat ik niet eens wist hoe ik me bij een maaltijd moest gedragen.”
Ja, oprechte belangstelling en zorg voor mensen — dat moeten zendelingen bezitten. En te oordelen naar de resultaten die deze afgestudeerden reeds hebben geboekt bij het helpen van mensen in de vijf landen waar ze vandaan komen, is er alle reden te verwachten dat zij voortreffelijke zendelingen zullen worden. Sommigen van hen hebben al tien jaar volle-tijdprediking achter de rug. Het zijn dus geen onervaren jongeren. Hun gemiddelde leeftijd ligt boven de 29 jaar.
In zijn laatste toespraak tot de klas haalde leraar U. V. Glass de volgende woorden uit de bijbel aan: „Beter is het einde naderhand van een zaak dan het begin ervan” (Pred. 7:8). Vervolgens zei hij aan het slot van zijn hartverwarmende toespraak, waarin hij melding maakte van hun voortreffelijke eigenschap loyaliteit: „Dit is onze wens voor jullie: Moge jullie zendingsdienst aan het eind zelfs beter blijken te zijn dan aan het begin.” Ja, mogen alle leden van de afgestudeerde 64e klas in hun zendingstoewijzingen loyaliteit en andere christelijke hoedanigheden aan de dag blijven leggen.
[Illustratie op blz. 6]
Afgestudeerden van de vierenzestigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead
64th Class March 1978
In onderstaande lijst zijn de rijen genummerd van voren naar achteren, en de namen in elke rij verwijzen naar de studenten in volgorde van links naar rechts.
(1) Beatty, M.; Gillar, W.; Byrd, L.; Regalade, L.; Jefferson, M.; Landells, C.; Gabel, G.; Gabel, U. (2) Keller, R.; McCoy, S.; Triplett, B.; Segura, L.; Aponte, S.; Keller, C.; Jones, C.; Regalade, E. (3) Triplett, R.; Beatty, M.; Gillar, H.; Segura, G.; Reed, A.; Aponte, R.; Fawcus, B.; Henser, S.