Afgestudeerden van Gilead dierbaar bemind — Waarom?
„WAAROM zijn jullie ons zo dierbaar geworden?” vroeg de spreker aan de 64ste afgestudeerde klas van de Gileadschool. „Niet vanwege jullie knappe uiterlijk . . . of omdat jullie zulke eminente bijbelgeleerden zijn” legde hij uit. „Nee, het is wegens de geest die jullie ten opzichte van het werk van de Heer aan de dag leggen.”
De spreker, D. Parsons, was de eerste van acht leden van de staf van het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen die de 24 afgestudeerden bij wijze van afscheid vermanend en aanmoedigend toespraken. Op zondag, 5 maart 1978, kwamen in totaal 1944 personen bijeen om de graduatieplechtigheid in de Congreshal van Jehovah’s Getuigen in Long Island City, New York, bij te wonen.
Het programma begon om 10 uur v.m., met C. W. Barber, een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen, als voorzitter. Na een openingslied en gebed merkte Barber op dat de Gileadschool ertoe heeft bijgedragen de bijbelse waarheid tot de einden der aarde te verbreiden.
In de 35 jaar dat de school bestaat, zijn 5633 afgestudeerden naar ver uiteengelegen delen van de aarde uitgezonden om er te prediken. Deze afgestudeerden vertoonden een onzelfzuchtige bereidheid om dienst te verrichten, zelfs ondanks moeilijke omstandigheden. Zij waren afkomstig uit vijf verschillende landen en sommigen van hen hadden in hun eigen land reeds meer dan 10 jaar in het volle-tijd predikingswerk doorgebracht. Maar toen zij naar de vijfmaandse Gileadcursus gingen, boden zij zich vrijwillig aan om naar elk gebied op aarde te gaan waar hun hulp speciaal nodig was. Zijn personen met zo’n onzelfzuchtige christelijke geest u ook niet dierbaar?
De tweede spreker, T. Jaracz, merkte op dat de afgestudeerden „bereid zijn vader en moeder en broers en zusters en huizen en andere bezittingen te verlaten ten einde naar een nieuw land te gaan, waar zij problemen en vervolgingen onder de ogen moeten zien.” Hij vroeg echter: „Om welke reden zijn jullie bereid dit allemaal te doen?” Terecht, zo beklemtoonde hij, behoort dit „ter wille van [Christus] en ter wille van het goede nieuws” te gebeuren (Mark. 10:29, 30). Mogen jullie die reden nooit vergeten, besloot Jaracz.
De zevenentachtigjarige M. G. Friend, die tijdens de eerste 34 klassen van Gilead leraar was geweest, deed toen een ontroerend beroep op de klas. ’Geliefde Gileadstudenten’, zei hij, ’mogen jullie toch vreugdevol en harmonieus met Gods organisatie blijven samenwerken.’ L. K. Greenlees volgde met vermaningen te geven die gebaseerd waren op Spreuken 8:33: „Luistert naar streng onderricht en wordt wijs.” Hij schetste verscheidene situaties die de afgestudeerden in het zendelingenleven kunnen meemaken, waarin de toepassing van goddelijke wijsheid van levensbelang zou blijken te zijn.
Vervolgens sprak L. Weaver tot de klas over hun grootse voorrecht Gilead te bezoeken. „De vraag is”, zo zei hij, „zullen jullie dit voorrecht blijven waarderen en er de juiste waarde aan blijven toekennen?” Weaver wees op Maria als een navolgenswaardig voorbeeld. Zij stelde het voorrecht Gods Zoon Jezus te mogen baren, bijzonder op prijs, ondanks het risico voor haar eigen leven; als een verloofde vrouw, zo legde hij uit, had zij ten onrechte als een overspeelster doodgestenigd kunnen worden.
Vervolgens hielden de twee leraren van Gilead een toespraak. K. A. Adams wees op prachtige lessen uit het verslag over de eerste zendeling die in de bijbel genoemd wordt, Jona, en ook uit het leven van de meest bereisde zendeling, de apostel Paulus. U. V. Glass legde de nadruk op de eigenschap loyaliteit, welke eigenschap hij in de klas bewonderde. Hij vestigde vervolgens de aandacht op de priester Abjathar, die, na vrijwel zijn hele leven loyaal te zijn geweest, deloyaal werd door koning Davids zoon Adonia te ondersteunen toen deze probeerde zich het koningschap meester te maken. Laten wij daarom loyaal zijn, beklemtoonde Glass.
De laatste spreker, F. W. Franz, besprak uitvoerig Jesaja hoofdstuk 61, waarin hij aantoonde hoe de afgestudeerden van Gilead het voorrecht hebben samen met het gezalfde overblijfsel aan het werk van de Heer deel te nemen. Franz wees op 61 vers 5, waarbij hij uitlegde hoe de „andere schapen” van de Heer, waartoe al deze afgestudeerden van Gilead beleden te behoren, de „vreemden” en „buitenlanders” zijn die de priesterlijke gezalfde klasse als helpers bijstaan. Toch zei hij tot hen: „Ook jullie zijn in een heilige betekenis dienstknechten van Jehovah God.”
Later op de dag, na een onderbreking voor de lunch en na een bespreking van De Wachttoren, presenteerden de studenten een kort muzikaal programma. Ten slotte eindigde het programma omstreeks 4.45 uur n.m., nadat de studenten twee schitterende bijbelse drama’s hadden opgevoerd: „De behoefte van de vaderloze jongen — Kunt u hem helpen?” en „Wat kiest u?”, dat over de vroege levensjaren van Mozes handelde.