Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 22/12 blz. 12-16
  • De Tasadays — Een volk uit de „steentijd”?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De Tasadays — Een volk uit de „steentijd”?
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het bosvolk wordt ontdekt
  • Binnentreding in de wereld van de Tasadays
  • De levenswijze van de Tasadays
  • Wat de Tasadays ons leren
  • Is er een prehistorische „steentijd” geweest?
    Ontwaakt! 1973
  • Hebben er „holemensen” bestaan?
    Ontwaakt! 1981
  • God bestaat! Maar wat weten wij van hem?
    Ontwaakt! 1979
  • Schoonheid verborgen in de duisternis
    Ontwaakt! 2004
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 22/12 blz. 12-16

De Tasadays — Een volk uit de „steentijd”?

Door Ontwaakt!-correspondent op de Filippijnen

„EEN modern restant uit de steentijd”; „De primitiefste mensen tot dusver ontdekt”; „De eerste levende ’holbewoners’, die wij leren kennen.” Door dergelijke kranteberichten werd de aandacht in de hele wereld gericht op een uit vijfentwintig leden bestaande volksstam die in het dichte regenwoud van het eiland Mindanao in het zuiden van de Filippijnen woont. Hun ontdekking leidde tot de vorming van verscheidene expedities, bestaande uit Filippijnse en Amerikaanse antropologen, correspondenten van nieuwsbladen, televisieploegen van de National Geographic Society, een Filippijnse minister en een Amerikaanse propagandist voor natuurbehoud, de inmiddels overleden Charles A. Lindbergh.

Vanwaar die ongeëvenaarde belangstelling voor zo’n klein groepje mensen als de Tasadays? Wat maakt hen zo bijzonder? Kan de moderne, beschaafde wereld iets van deze kleine, primitieve groep leren?

Het bosvolk wordt ontdekt

De ontdekking van de Tasadays geschiedde vrij toevallig. In de loop van 1966 trof een jager uit een plaats aan de rand van het woud hen aan toen hij diep in de bergen van zuidelijk Cotabato zijn strikken voor wilde varkens uitzette. Een spoor van vreemde voetafdrukken volgend, stuitte hij op drie mannen met een bruine huid en klein van postuur, die alleen een lendenbedekking van bladeren droegen. Zij waren bezig met puntige stokken een grote wortel uit te graven. Geschrokken sloegen zij op de vlucht. Maar de jager zette hen achterna onder het roepen van: „Ik ben goed! Ik ben goed.” Eindelijk bleven de mannen bevend in een rivierbedding staan.

Hoewel de taal die de jager sprak, verwant was aan die van de Tasadays, nam hij zijn toevlucht tot gebarentaal omdat het moeilijk was met elkaar te praten. De stam van de jager en de Tasadays zijn praktisch gesproken achterburen van elkaar, maar het verschil tussen hun talen kan vergeleken worden met dat tussen oud Duits en modern Engels. Geleerden hebben hieruit afgeleid dat dit wijst op een afzondering van ongeveer duizend jaar. Trouwens, alleen al de naam Tasaday (uitgesproken Táwsawdai), is een combinatie van het Maleise woord sadai („aan zijn lot overgelaten”) en het Maleis-Polynesische woord tawo („mens”)! Tasaday is ook de naam van de met bos bedekte bergpiek die boven hun verborgen vallei oprijst. Zo volledig is hun afzondering geweest, dat zij, toen er pas contact met hen was gelegd, niets wisten van een natie die de Filippijnen heet.

Het bestaan van deze stam werd onder buitenstaanders bekend door de inspanningen van het Panamin, een regeringsbureau dat de belangen van culturele minderheidsgroepen op de Filippijnen behartigt. Bij de eerste ontmoetingen tussen de jager en de stamleden die aan de rand van het oerwoud plaats hadden, was het niet bekend dat zij in holen leefden, en er werden geen directe pogingen ondernomen om zo diep het regenwoud in te gaan. De meer recente beslissing om de holen te bezoeken, werd genomen om de Tasadays te beschermen tegen de houthakkers, landbouwers, veeboeren, en delvers naar grondstoffen, die beetje bij beetje het oerwoud aantastten en hun rijk daarmee steeds kleiner maakten. Niet lang daarna ondertekende de president van de Filippijnen een verklaring waarin 200.000 hectare land voor hen gereserveerd werd.

Binnentreding in de wereld van de Tasadays

23 maart 1972 was de dag dat voor het eerst buitenstaanders — in de twintigste eeuw — de wereld van de Tasadays binnendrongen. Een helikopter was het enige doeltreffende transportmiddel dat de expeditie tot een punt kon brengen vanwaar de holen verder te voet te bereiken waren. Aangezien het dichte oerwoud een landing op de grond onmogelijk maakte, werd een houten platform in een boomtop neergelaten. De leden van de expeditie moesten uit de erboven hangende helikopter op het gammele landingsplatform springen, dat danste als een kano op de golven vanwege de windstoten van de rotorbladen. Lindbergh zei dat zijn sprong een ervaring was als die van Alice in Wonderland, waarbij hij als het ware „door de spiegel heen” van de moderne tijd in de oudheid stapte.

Uit de top van de boom maakte de groep de afdaling van 23 meter naar de grond. Daar werden zij opgewacht door een jonge Tasaday met alleen zijn uit bladeren bestaande schaamschortje. Een tocht van een uur, een bergrug af en langs een sprankelend stroompje, bracht de groep bij de verblijfplaats van de Tasadays: drie kalkstenen grotten op 5 meter boven de grond, gelegen op een hoogte van 1370 meter. Hier woonden zij dan, diep in een tropisch regenwoud — de atmosfeer vochtig en elk plekje overwoekerd met plantengroei. Rondom waren overal reusachtige varens en orchideeën, rotan, hoog opschietende bamboe, wilde pisangbomen en palmen, alsook geweldige torenhoog uitstekende bomen van het geslacht Dipterocarpus, die zich in de hemel leken te boren en hun bladerdak een dertig meter of meer boven de glooiende hellingen van de vallei uitspreidden.

Hoofden staken nieuwsgierig over de randen van de holen en onderzoekende ogen namen elk detail op van de eerste vreemdelingen die ooit een voet in deze verborgen vallei hadden gezet. Een jongen stapte, uit een van de holen, sloeg zijn armen en benen om een dun boompje met witte bast en gleed vijf meter omlaag naar de grond. Hij voegde zich bij anderen die opgewonden schreeuwden, met sprongen een stoffig pad afkwamen en een groepje vormden rondom de bezoekers. De buitenstaanders stonden sprakeloos bij het tafereel dat zich voor hun ogen ontvouwde. Hier waren mannen, vrouwen en kinderen die alleen oorringen en een lendenbedekking of rokje van orchideebladeren droegen — knappe mensen met een gebruinde huid en zacht donker haar, die in de verste verte niet leken op de harige, zich log voortbewegende aapachtige wezens zoals evolutietekenaars die afbeelden. Neen, de mannen slaan hun vrouw niet met een knots en slepen hen niet aan hun haar voort. Dit zijn waarschijnlijk de zachtaardigste mensen die er op de aardbodem rondlopen.

De levenswijze van de Tasadays

Toen zij werden ontdekt, bestond de stam uit vijf families met dertien kinderen. De Tasadays kennen geen polygamie, verwachten niet te zullen scheiden en hebben daar ook geen regeling voor. De paren gaan een verbintenis aan voor het leven — „tot al ons haar wit wordt”, zeiden Kulataw en Sikal, een van de echtparen van de Tasadays. De voltrekking van het huwelijk bestaat hoofdzakelijk uit het bijeenkomen van de hele stam bij de opening van hun grootste hol, waar zich dan een groep vormt om het nieuwe echtpaar en waarbij eenvoudig gezegd wordt: „Mafeon, mafeon” („Goed, goed”). Zij hebben ook bruiden genomen uit in de bergen levende groepjes van de Tasafang- en de Sanduka-stam, waarmee de Tasadays op beperkte schaal betrekkingen hebben onderhouden.

Het was heel leerzaam de grotten, waarvan de grootste negen meter diep en elf meter breed was, van wat dichterbij te bekijken. Er zijn geen schilderingen of tekens op de wanden aangebracht, en de vloer is met takken schoongeveegd, zodat er geen voedselresten liggen. Er is geen huisraad, behalve een paar matten van boomschors. Ook hebben zij er een voorraadje gedroogd brandhout liggen, en enkele bamboe, houten en stenen werktuigen. De wanden van het hol glanzen als geverniste steenkool nadat ze jaren zijn blootgesteld aan het roet van de vuren waarop gekookt wordt en die worden gestookt om de holen tijdens de koele avonden te verwarmen.

Het verzamelen van voedsel vormt de belangrijkste bezigheid overdag en vereist de inzet van de hele groep. Gewoonlijk worden er drie uur besteed aan het zoeken naar voedsel, en het menu hangt af van wat zij bijeen kunnen brengen: krabben, vissen en kikkervisjes, die de Tasadays vangen door eenvoudig met hun blote handen rondom stenen in stroombeddingen te voelen. Zij kennen geen landbouw en verzamelen slechts datgene wat zij nodig hebben wanneer het te vinden is. Hun voeding omvat vruchten, bessen, bloemen, bamboeloten, yamswortels en het merg van de wilde palm waarvan zij stevige koeken maken die ze natak noemen. Hun voedsel koken ze in bamboekokers of in bladeren die rechtstreeks op de gloeiende kolen worden gelegd. Vuur wordt, tussen haakjes, gemaakt door een houten stok met de handpalmen in een draaiende beweging te brengen totdat de onderkant door de wrijving begint te smeulen. Dan wordt er tondel van droog mos tegenaan gelegd en wanneer dit ontbrandt, wordt het vlammetje verder aangeblazen. De hele handeling neemt ongeveer vijf minuten in beslag.

Omdat er een overvloed aan voedsel is, trekken de Tasadays niet weg van de plaats waar zij wonen, zoals nomadenstammen die weggaan als het voedsel opraakt. Het hele bos is voor hen één grote Tasaday-„supermarkt”. Naar verluidt hebben zij zich nooit meer dan acht kilometer van huis gewaagd. „Onze vaders en grootvaders hebben ons gezegd dat wij overdag het bos in kunnen gaan, maar dat wij altijd voor de nacht naar de holen moeten terugkeren”, zei een van hen. Men denkt dat misschien het elkaar niet meer begrijpen, oorlog of vrees voor pokken er de oorzaak van is geweest dat de Tasadays het contact met de andere Manobo-stammen, waaruit zij zijn voortgekomen, hebben verbroken.

Wanneer zij op het midden van de dag hun maaltijd hebben gehad, gaat de middag voorbij met rusten, slapen of het reinigen van elkaars haar van dorre bladeren, takjes of luizen. Eén jongetje zag men spelen met „zijn” vlinder, die hij aan een touwtje liet vliegen, zoals een ander kind een vlieger heeft. Hun behoeften zijn eenvoudig, en hun taal kent geen woorden voor rijst, zout, suiker, naald of tabak. Hoewel de voeding van de Tasadays weinig calorieën bevat (1000 tot 1500 per dag), vindt men bij hen geen ondervoeding, geen tandbederf, geen malaria en geen tuberculose! Toen de bezoekers hun vroegen wat zij wensten, antwoordden zij: „Wat bedoelt u met ’wensen’?”

Wat de Tasadays ons leren

De Tasadays hebben in hun taal ook geen enkel woord voor vechten. Zij kennen het begrip ’oorlog’ niet en kunnen zich helemaal geen geweld voorstellen. Manuel Elizalde, de minister die aan het hoofd staat van het Panamin-bureau en die de expeditie leidde, verklaarde: „Zij hebben geen weet van al de problemen waardoor mensen in gekkenhuizen terechtkomen en die het begin vormen van oorlogen, vetes en wat niet al. Dit alles is hun vreemd.”

Evolutionisten dachten dat de ontdekking van de Tasadays een „krachtige injectie” voor hun verbrokkelende theorie zou vormen. Maar hoewel de Tasadays praktisch gesproken eeuwen van de beschaving afgesneden zijn geweest, bewijzen hun orde en rechtschapenheid dat de mens niet eenvoudig een hoger dier is. In tegenstelling tot de dieren bezit hij een geweten en voelt hij ook de drang om te aanbidden. Belangwekkend genoeg kwam deze behoefte om te aanbidden tot uiting in de manier waarop de Tasadays minister Elizalde bezagen. Zij geloofden dat hij de „witte god” was die op een goede dag naar hun woonplaats zou afdalen en hen zou bezoeken.

Het is opmerkelijk dat een volk dat afgesneden is van de moderne technologie en alle gemakken van dien, toch uit zijn afzondering te voorschijn kan treden met een goede mentale en fysieke gezondheid en voortreffelijke morele waarden, terwijl de „beschaafde” mens vandaag de dag van alle kanten bestookt wordt door de problemen van geestelijke en lichamelijke kwalen, wereldomvattende verontreiniging, morele ineenstorting en een voortdurende vrees voor oorlog.

Sommigen hebben medelijden met de Tasadays omdat zij alle wereldse gemakken ontberen, en elke wereldwijsheid missen. Toch zouden nadenkende mensen hen kunnen benijden om hun ongecompliceerde levenswijze, en herinnerd worden aan wat Gods Woord, de bijbel, zegt: „Wij hebben niets in de wereld meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen. Wanneer wij daarom voedsel en kleding hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn.” — 1 Tim. 6:7, 8.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen