Leven de doden?
HET verlangen van de mens om in leven te blijven is sterk; zo sterk zelfs dat hij de gehele geschiedenis door nauwelijks bereid is gebleken de dood te aanvaarden. Oude en moderne begrafenisgewoonten wekken niet alleen de indruk dat de doden nog leven, maar ook dat zij mensen, ten goede of ten kwade, kunnen beïnvloeden.
Met betrekking tot de geloofsovertuiging van de oude Babyloniërs schrijft professor M. Jastrow jr. in The Religion of Babylonia and Assyria:
„Dat onsterfelijkheid de mens onthouden is, kon niet betekenen dat zijn bewuste leven totaal uitgedoofd werd. Noch het volk, noch degenen die het religieuze denken vorm gaven, zagen ooit de mogelijkheid onder ogen van een totale vernietiging van dat wat eens tot bestaan was geroepen. De dood was een overgang naar een ander soort van leven, en dat de mens geen onsterfelijkheid had gekregen, beklemtoonde slechts dat het onmogelijk was om te ontsnappen aan de verandering in bestaan die door de dood werd teweeggebracht. . . . De Babylonische religie komt niet boven het stadium van geloof uit dat karakteristiek is voor primitieve beschavingen waar ook ter wereld, waarin men zich niet de mogelijkheid kan voorstellen dat het leven volkomen tot een einde komt. Men veronderstelde altijd zonder meer dat er leven van een of andere soort in een of andere vorm aanwezig bleef.”
Begrafenisgewoonten in Babylon
Volgens het denkbeeld dat bij de oude Babyloniërs bestond, gaan mensen bij hun dood Arallu binnen, „het troosteloze land”, waar zij in een naargeestig bestaan verder leven. „Het lichaam, waarvoor de ziel na zijn heengaan nog steeds een levendige belangstelling had”, zoals Hastings’ Encyclopædia of Religion and Ethics vermeldt, „werd begraven of verbrand, en de bloedverwanten voorzagen het van voedsel, drank, kleding, en de gebruiksvoorwerpen die kenmerkend waren voor de bezigheden van de persoon op aarde. Crematie en begrafenis bestonden van de allervroegste tijden af naast elkaar.”
Volgens hetzelfde naslagwerk werden zelfs in geval van crematie de stoffelijke resten van voedsel en andere zaken voorzien. „De as werd zorgvuldig in een urn verzameld waarin ook kruiken met drank (bier in de vroege periode, water in de latere tijd), brood, enz., werden geplaatst om te voorzien in de onmiddellijke behoeften van de ziel.”
Niet alleen geloofden de oude Babyloniërs dat de doden nog leefden, maar zij geloofden ook dat mensen in contact met hen konden treden en door hen beïnvloed konden worden. De gewoonte kwam tot ontwikkeling om maandelijks gemeenschapsoffers te brengen aan de „schimmen” van de dode voorouders.
Professor Jastrow wijst erop dat vrees een belangrijke drijfveer was die de levenden ertoe bracht de overledenen eer te bewijzen. Ja, vrees zette de levenden ertoe aan om deel te nemen aan verschillende godsdienstige riten die met de doden in verband stonden. Professor Jastrow schrijft in dit verband: „De doden van voedsel en drank te voorzien, in lijkzangen de herinnering aan hun deugden op te roepen, ter ere van hen offers te brengen — zulke godsdienstige gebruiken werden evenzeer beoefend uit verlangen zich van de gunst van de doden te verzekeren en hun boze plannen af te weren, als uit overwegingen van piëteit, die natuurlijk ook wel een rol speelden. De dode voor wie niet op juiste wijze door zijn nabestaanden werd gezorgd, zou zich op de levenden wreken door hen op demonische wijze te kwellen.”
Lijkbezorging in Egypte
Een soortgelijke houding tegenover de doden heerste in het oude Egypte. H. R. Hall, een deskundige op het gebied van de Egyptische oudheid, schrijft: „Dat degene die had geleefd nu absoluut en onherroepelijk dood was, was voor de kinderlijke geest van de vroegste Egyptenaar even onvoorstelbaar als voor ieder ander primitief mens. En bij dit meest behoudende van alle rassen werd het eerste primitieve idee alleen maar meer uitgesponnen en raakte het naarmate de beschaving voortschreed, met steeds meer rituelen overwoekerd.”
Wanneer het op begrafenisgewoonten aankwam, gingen de Egyptenaren verder dan de Babyloniërs. In oude tijden werden Egyptische slaven gewurgd en met hun meesters begraven om hen na de dood te dienen. Aan het begraven van leden van het koninklijk huis kwam ten slotte een kolossale lijst van voorwerpen te pas. H. R. Hall noemt hier enkele van:
„Er lagen grote vazen opgestapeld met wijn, graan en ander voedsel, dat afgedekt was met een laag vet om de inhoud goed te houden, en dan afgesloten met een aardewerken stop die weer werd beschermd door een kegel van hard geworden klei, waar het koninklijke zegel in stond gedrukt. Er waren graankorven, hele stukken ossevlees, aardewerken schalen, koperen pannen, en andere zaken die van nut konden zijn bij de spookachtige keukenwerkzaamheden in de graftombe. Er waren ontelbare kleine voorwerpen die door de dode vorst zonder twijfel tijdens zijn leven gebruikt waren, en die hij graag in de volgende wereld terug zou zien — doosjes van bewerkt ivoor, kleine paletten voor het fijnwrijven van oogverf, gouden knopen, nabootsingen van gereedschap, modellen van vazen met gouden bovenkant, kleine ivoren en aardewerken beeldjes, en andere kunstvoorwerpen.”
Hebt u ooit een afbeelding gezien van de reusachtige Egyptische piramiden? Dit zijn groots opgezette graftomben voor de dode Egyptische vorsten. De piramide van Cheops dicht bij Caïro is 146 meter hoog en elke zijde heeft een lengte van 230 meter. Bestaande uit meer dan twee miljoen stenen die elk op zich een gewicht van twee en een halve ton kunnen hebben, bedekt dit massieve bouwwerk een oppervlak van 54.000 vierkante meter — genoeg ruimte voor tien voetbalvelden. Met de piramiden stonden tempels in verbinding, waar de aanbidding van de dode Farao’s werd bevorderd.
Een bijzonder opvallend onderdeel van de gebruikelijke Egyptische begrafenis was de conservering van het lichaam door mummificering. Herodotus, die ooggetuige is geweest van dit proces, noemt drie methoden en beschrijft de meest kostbare als volgt:
„[De balsemers] nemen eerst een ijzeren haakje en trekken daarmee de hersenen — voor een gedeelte — door de neusgaten naar buiten, waarna de schedel van de rest wordt gezuiverd door spoelen met bepaalde preparaten; daarna maken zij met een scherpe Ethiopische steen een snede in de zij, en halen de hele inhoud van de buik eruit om die dan schoon te maken, grondig te wassen met palmwijn en vervolgens meermalen met een afgietsel van fijngewreven welriekende kruiden. De buikholte vullen zij hierna met de zuiverste fijngewreven mirre, met cassia, en elk ander soort kruiderij behalve wierook, en naaien de opening dicht. Dan wordt het lichaam voor zeventig dagen in natron [natriumcarbonaat] gelegd en helemaal afgedekt. Na het verstrijken van die tijdsperiode, die niet overschreden mag worden, wordt het lichaam gewassen en van hoofd tot voeten omwikkeld met zwachtels van fijn linnen, die met gom zijn ingesmeerd, wat door de Egyptenaren gewoonlijk in de plaats van lijm gebruikt wordt, en in deze toestand wordt het lichaam teruggegeven aan de verwanten, die het in een houten kist doen die zij voor dat doel hebben laten maken en die in de vorm van een mens eromheen past. Na de kist te hebben afgesloten, plaatsen zij die rechtop tegen de muur in een grafkamer.”
Met welk doel werd deze ingewikkelde balseming zo nauwgezet uitgevoerd? De oude Egyptenaren geloofden dat mensen uit verscheidene delen bestonden. Zo had men de ikhu (de vonk van het verstand), de ba (de op een vogel gelijkende ziel), de ka (de dubbelganger van een persoon die hem tijdens zijn verblijf op aarde vergezelde) en de khaibit (zijn schaduw). Men geloofde dat deze delen zich bij de dood van het lichaam scheidden. In vroeger tijden geloofden de Egyptenaren dat de ziel van een dode persoon overdag door de onderwereld of door de woestijn doolde, maar ’s nachts of bij tijden van gevaar in het lichaam terugkeerde. Waarschijnlijk vormde dit een belangrijke reden waarom men zich zoveel moeite gaf om het lichaam te conserveren.
Het geloof dat de doden leven, is zelfs tot op onze dag blijven bestaan. „Onder vele volkeren”, verklaart de Encyclopaedia Britannica, „heeft het geloof dat de doden werkelijk in hun graftomben wonen, de graven van bepaalde heilige personen tot heiligdommen gemaakt die door duizenden worden bezocht om te trachten een wonderbaarlijke genezing te verkrijgen of om religieuze verdienste te verwerven; opmerkelijke voorbeelden van dergelijke bedevaartplaatsen zijn de graven van St. Petrus in Rome, van Mohammed in Medina en, in de oudheid, het graf van Imhotep in Sakkara in Egypte.”
Het unieke standpunt van de bijbel
De lijkbezorging van de oude Israëlieten vormt een scherpe tegenstelling met deze ingewikkelde begrafenismethoden. De Encyclopaedia Judaica schrijft: „Voor bijna de gehele bijbelse periode brengt de archeologie geen begrafenisgebruiken aan het licht die speciaal kenmerkend zijn voor de Israëlieten. . . . De [Mozaïsche] wet zegt betrekkelijk weinig over begraven, en waar het onderwerp behandeld wordt, gaat het om het vermijden van verontreiniging door de doden (Num. 19:16; Deut. 21:22-23). De doden loven God niet, zij zijn vergeten en afgesneden van Zijn hand (Ps. 88:6, 10-12), en dientengevolge zijn rouw en het begraven van de doden zaken die maar nauwelijks met de Israëlitische godsdienst te maken hebben.” Zo onopvallend waren de plaatsen van joodse graven dat Jezus kon spreken van „herinneringsgraven die niet in het oog vallen, zodat de mensen er overheen lopen zonder het te weten.” — Luk. 11:44.
Dit legt de nadruk op het feit dat de bijbel met betrekking tot de dood een uniek standpunt inneemt. Zowel in de Hebreeuwse als in de christelijke Griekse Geschriften wordt de dood vergeleken met een slaap waarin de overledenen zich „van helemaal niets bewust” zijn (Pred. 9:5; Ps. 13:3; Joh. 11:11-14). Mensen gaan bij hun sterven in „het stof des doods”, en worden „machteloos in de dood”. — Ps. 22:15; Spr. 2:18; Jes. 26:14.
Hoe staat het met de ziel? Volgens de bijbel is de ziel niet een deel van een persoon, maar de gehele persoon (Gen. 2:7). Wanneer iemand sterft, sterft daarom de ziel. Wij vinden dan ook bij de profeet Ezechiël de veroordeling van hen die eropuit waren „om de zielen ter dood te brengen die niet behoorden te sterven” en „om de zielen in het leven te behouden die niet behoorden te leven” (Ezech. 13:19; 18:4, 20). In overeenstemming met veel bijbelgeleerden van deze tijd stelt professor E. Jacob van de universiteit van Straatsburg zonder meer: „Geen bijbeltekst verleent gezag aan de bewering dat de ’ziel’ op het moment van de dood van het lichaam wordt gescheiden.” Wist u dat?
Aangezien de doden niet leven, kunnen zij personen op aarde geen schade berokkenen. Ook kunnen zij niet geholpen worden door religieuze ceremoniën die de levenden laten plaatsvinden. De schriftuurlijke hoop voor de doden bestaat niet in het voortleven van een niet-bestaande onsterfelijke ziel, maar in de opstanding. Dit betekent een terugkeer tot leven van de hele persoon, zoals dit met degenen gebeurde die Jezus uit de doden opwekte (Luk. 7:11-17; 8:41, 42, 49-56; Joh. 11:1-44). Zou u niet meer willen vernemen omtrent deze op de bijbel gebaseerde hoop? Zo ja, vraag dan de uitgevers van dit tijdschrift u te helpen.