Hebben er „holemensen” bestaan?
ZO STERK is de invloed geweest van boeken, tijdschriften, exposities in musea en zelfs stripverhalen, dat men bij het woord „holemensen” gewoonlijk aan „aapmensen” en „ontbrekende schakels” denkt. Is dat bij u ook het geval? Deze uitdrukkingen zijn bijna synoniemen geworden voor het een of andere schepsel uit het verleden dat als „de primitieve mens” deel uitmaakt van een „evolutionaire keten” tussen de oude primaten en de mens zoals hij nu is. Bestaat deze „keten” werkelijk? Hebben er „holemensen” bestaan in de betekenis die de evolutietheorie daaraan geeft? Heeft de moderne wetenschap bewezen dat deze denkbeelden op waarheid berusten?
De gemiddelde leek neemt aan dat de wetenschap dat alles netjes heeft uitgewerkt en dat er inderdaad een door bewijzen ondersteunde, ononderbroken keten bestaat van ontwikkelingsstadia van de mens. Hierbij maakt men zich een voorstelling van aapachtige oermensen die in grotten woonden en zelfs tijdgenoten waren van de dinosaurussen. Hoe komt dit? Wel, de afbeeldingen die zij hebben gezien, hebben hen ertoe gebracht te denken dat de geleerden volledig complete wezens hebben gevonden, precies zoals ze worden afgebeeld — behaard en voorovergebogen en al!
Een onderzoek van het bewijsmateriaal laat echter zien dat er verschil bestaat tussen wat geleerden werkelijk weten en wat zij denken dat wellicht het geval geweest is. Zo wordt bijvoorbeeld in een beroemd natuurhistorisch museum een expositie aangetroffen van primaten waarvan, naar men veronderstelt, de mens afstamt, terwijl ook een „stamboom van primaten” wordt getoond. Maar er staat een belangrijke verklarende tekst bij: „Zolang enkele fossielen, waarvan zowel ouderdom als verwantschap bekend zou moeten zijn, nog ontbreken, zijn sommige takken en vertakkingen slechts aannemelijke gissingen.” Gissingen zijn geen feiten. De verwantschap en ouderdom zijn niet bewezen.
Het is waar dat wetenschapsmensen holen hebben gevonden met hopen as van vuren, samen met sporen van voedsel en andere tekenen van menselijke bewoning. Maar dat bewijsmateriaal zegt ons niet dat alle mensen uit de oudheid in holen leefden, of dat mensen die dat wel deden, werkelijk een schakel vormen in een keten die teruggaat tot een of ander soort „primitieve mens”. Er zijn nu nog mensen die in grotten wonen, zoals de Tasadays op het Filippijnse eiland Mindanao. Hoewel sommigen de Tasadays misschien als primitief beschouwen vanwege hun eenvoudige levensstijl, zijn zij allerminst behaarde, zich log voortbewegende, op apen gelijkende schepselen.
Maar hebben wetenschapsmensen dan geen schedels en botten van „aapmensen” gevonden waardoor bewezen wordt dat er eens zulke schepselen hebben bestaan? Allereerst moet gezegd worden dat dit soort van fossiel bewijsmateriaal niet overvloedig is. Een paar botten vormen nog geen keten. Ten tweede komen er juist problemen voort uit de manier waarop mensen hun vondsten interpreteren of verklaren. Aan de interpretatie van het karige bewijsmateriaal zitten vele haken en ogen. „Zoals altijd kan het fossiele bewijsmateriaal op verscheidene wijzen geïnterpreteerd worden”, zei een evolutionist. Een ander gaf met betrekking tot fossielen toe: „Het onderzoek van de menselijke evolutie is eerder een sport dan een wetenschap in de gebruikelijke zin van het woord.” Over de ouderdom van deze fossielen zei weer een ander: „Een ieder die vindt dat wij het probleem al hebben opgelost, is zichzelf toch wel aan het misleiden.” Wetenschapsmensen zijn het onderling oneens over wat zij hebben ontdekt. Zij maken reconstructies van wat zij ontdekken en interpreteren het; dan, later, interpreteren zij het bewijsmateriaal opnieuw en veranderen hun denkbeelden. Ter illustratie:
DE JAVAMENS werd in het begin van de jaren 1890 ontdekt, maar dit was geen vondst van een compleet skelet. Volgens de Encyclopedia Americana bestond ze uit „niet meer dan een schedeldak en een dijbeen”. De rest was een gissing, en toch verschijnen er afbeeldingen van een harig, aapachtig wezen met een voorovergebogen houding. Denkt u dat het mogelijk is louter en alleen aan de hand van een paar botten te vertellen hoeveel haar en welke huidkleur een schepsel had? De ontdekker beweerde dat hij een „aapmens” had gevonden, maar geleerden zeggen nu dat het een vroege mens was. De interpretatie was veranderd!
DE PILTDOWNMENS werd gedurende meer dan veertig jaar ten toon gesteld als een bewijsstuk voor de „evolutieketen”. Nog in 1956 werd hij in een woordenboek beschreven als „een uitgestorven mensensoort”. Maar in latere uitgaven sprak hetzelfde woordenboek van „opzettelijk vervalst” en „een zorgvuldig opgezet bedrog”. Weer waren interpretaties veranderd. Waarom? In de tussenliggende jaren was het bewijs geleverd dat er sprake was van een misleiding en dat de vondst opzettelijk geprepareerd was om er als het fossiel van een aapmens uit te zien. Hoewel het schedelfragment van een mens was, was het stuk kaak van een ander schepsel, mogelijk een orang-oetan. Iemand had geprobeerd een aapmens te „verzinnen”! Waarom waren sommige geleerden zo gemakkelijk te misleiden door vervalst bewijsmateriaal? Misschien doordat ze zich wanhopig aan elke strohalm vastklampen?
DE NEANDERTHALMENS is ook een van de beter bekende schakels van de zogenoemde evolutieketen. Toen het eerste schedelfragment werd gevonden, sprak een geleerde van het schedeldak van een idioot. Geleidelijk veranderden de interpretaties naarmate meer beenderen werden gevonden. De eerste reconstructies stelden de Neanderthalers voor als voorovergebogen, aapachtige wezens met lange naar beneden hangende armen. Maar nu zeggen de boeken dat „de Neanderthaler er waarschijnlijk niet veel anders uitzag dan bepaalde hedendaagse mensen”. Een encyclopedie beschrijft ze nu als „volkomen menselijk, met volledig opgerichte gang”. Wat een verandering! Een vergelijking van de illustraties in verscheidene boeken zal de wijzigingen aan het licht brengen in het veronderstelde uiterlijk van de Neanderthalmens. In plaats dat hij als een idioot wordt beschouwd, wordt nu toegegeven dat hij een schedelinhoud had die groter was dan die van de meeste moderne mensen!
Eén reden waarom sommige wetenschapsmensen zich de Neanderthaler gedrongen en gebogen voorstelden, is uiterst interessant. Bij de eerste vondsten was een skelet met gebogen benen en een voorovergebogen lichaamsbouw. Omdat zij zochten naar aapachtige wezens die in hun theorie zouden passen, was het natuurlijk heel gemakkelijk om een vergissing te maken! Later, bij voortgezet onderzoek, werd aangetoond dat het skelet vervormd was ten gevolge van artritis!
Dat is echter niet alles. In hun pogingen om hun vondsten eruit te laten zien als een schakel tussen apen en mensen hebben evolutionisten, toen zij de voetbeenderen van een Neanderthaler voor het eerst reconstrueerden, die beenderen „er laten uitzien als die van een aap”, zo vertelt een boek ons. Maar hetzelfde boek geeft toe dat de voeten in werkelijkheid ’heel veel lijken op die van de moderne mens en ook in hun manier van functioneren heel veel overeenkomst vertonen’. Als u het plaatje op de tegenoverliggende bladzijde bekijkt, denkt u dan dat deze voeten voldoende op elkaar lijken om bij vergissing te doen concluderen dat ze hetzelfde zijn?
AUSTRALOPITHECINEN vormen een goed studie-object daar er veel beenderen van hen zijn gevonden. Zijn wij er zekerder van dat zij voorouders van de mens zijn geweest? Leerboeken zeggen: „Hoe zij er hebben uitgezien, kunnen wij slechts raden.” „Er zijn nog steeds veel gaten en leemten in onze kennis van onze voorvaders en sommige van de dingen die wij over hen denken te weten, zijn op niets anders gebaseerd dan op voorzichtige gissingen.” Toch laten leerboeken het voorkomen alsof zij schakels zijn die tot de mens leiden.
„HOMO ERECTUS” is zo’n geval dat laat zien hoe iemand moet oppassen om niet àlles te geloven wat hij in illustraties over ontbrekende schakels ziet. Een leerboek vraagt: „Waren ze behaard?” Het antwoordt: „Waarschijnlijk niet — niet sterker tenminste dan vele thans levende mensen.” Maar meer naar voren in het boek staat er toch één als een harig monster afgebeeld, zoals op het plaatje op bladzijde 23. Is dat eerlijk?
De feiten zijn duidelijk: er zijn geen bewijzen voor een keten die de mens en de primaten met elkaar verbindt, zoals wel wordt beweerd. Er waren geen „holemensen” in die zin. Niet alleen ontbreken er schakels — de keten zelf bestaat in werkelijkheid niet. Wat als bewijsmateriaal wordt gepresenteerd, is in sommige gevallen vervalst, veranderd of zo gereconstrueerd dat het aan een vooropgezette mening beantwoordt. In andere gevallen is het geïnterpreteerd, geherinterpreteerd, verkeerd geïnterpreteerd en verkeerd gebruikt.
De mens echter is eenvoudig wat de bijbel laat zien dat hij is — uniek, een speciale schepping (Gen. 1:26, 27; 2:20). Niet alleen zijn zijn hersenen verre superieur aan die van dieren, maar ook zijn lichaam is dat. Zelfs sommige evolutionisten zeggen vol bewondering: „Het opmerkelijkste van het menselijke lichaam is dat het uniek is. Niets ter wereld is ermee te vergelijken.”
[Illustraties op blz. 22]
gorilla
mens
orang-oetan