Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/3 blz. 23-26
  • Nederland laat gevangen Getuigen vrij

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Nederland laat gevangen Getuigen vrij
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Achtergrond van de beslissing
  • De autoriteiten beginnen te luisteren
  • Parlementslid stelt vragen
  • Het ministerie van defensie gaat tot actie over
  • Duits hooggerechtshof beslist over volle-tijdpredikers
    Ontwaakt! 1971
  • Een Europees hof herstelt een onrecht
    Ontwaakt! 1998
  • Vragen die mensen stellen over Jehovah’s getuigen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • „Het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws”
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/3 blz. 23-26

Nederland laat gevangen Getuigen vrij

Door Ontwaakt!-correspondent in Nederland

IN 1936 was Johan Akkerman de eerste Getuige die de poorten van de strafkolonie Veenhuizen achter zich hoorde dichtvallen. Als een van Jehovah’s getuigen had hij op grond van zijn geweten geweigerd militaire dienst te verrichten. Achtendertig jaar later, op 19 juli 1974, werd de laatste getuige van Jehovah uit diezelfde gevangenis vrijgelaten.

Dit was ’groot nieuws’ voor de pers. Koppen als „JEHOVAH[’S] GETUIGEN ZWAAIEN AF” kwamen op de voorpagina’s van belangrijke dagbladen.

Voor veel overheidsfunctionarissen betekende dit het eind van een probleem dat hen al lange tijd had gekweld — dat nette, eerlijke jongemannen te zamen met „harde” misdadigers in de gevangenis werden geworpen enkel omdat zij weigerden hun christelijke geweten geweld aan te doen. Voor Jehovah’s getuigen was het een nieuwe overwinning in hun strijd voor vrijheid, vrijheid om God te aanbidden op de wijze zoals de bijbel gebiedt.

Achtergrond van de beslissing

Welke ontwikkelingen hadden tot dit sensationele nieuws geleid? Voor de volledigheid zij eerst nog vermeld dat elke mannelijke Nederlander zich bij het aanbreken van de leeftijd van achttien jaar moet onderwerpen aan een medische keuring. Is hij geestelijk en lichamelijk geschikt bevonden, dan moet hij tegen zijn twintigste jaar opkomen om een militaire opleiding te volgen. Heeft hij er op grond van zijn geweten bezwaar tegen de wapens op te nemen, dan mag hij vragen vervangende burgerdienst te verrichten.

Jehovah’s getuigen in Nederland weigerden echter niet alleen militaire dienst, maar ook elk burgerwerk dat hun als vervanging hiervan werd aangeboden. De schriftuurlijke reden voor hun standpunt zal later in dit artikel worden uiteengezet.

Voor de Tweede Wereldoorlog was het dienstweigeringsprobleem in verband met Jehovah’s getuigen betrekkelijk klein. Maar tijdens de oorlog en ook daarna werd het steeds groter. En aangezien de Nederlandse wet voorzag in vrijstelling van militaire dienst voor personen die een geestelijk ambt bekleedden of zich op zulk een ambt voorbereidden, werd het verstandig geacht om te pogen ook dit recht te verkrijgen.

Maar deze uitzondering bleek alleen gemaakt te worden voor de bedienaren van die organisaties waarvan de naam op een speciale lijst stond. En op die lijst kwam de naam Jehovah’s getuigen niet voor. Behalve dat voorzag de wet echter ook in de mogelijkheid dat de minister van defensie desgewenst vrijstelling kon verlenen aan ambtsdragers van een religie waarvan de naam niet op de lijst voorkwam. Jehovah’s getuigen trachtten daarom langs deze weg in enkele gevallen vrijstelling te verkrijgen door de minister hiertoe te bewegen.

Ongeveer tien jaar lang, beginnend in 1949, werden derhalve tal van gevallen onder de aandacht van de Raad van State gebracht, een lichaam dat de regering moest adviseren over de raadzaamheid van het verlenen van een dergelijke vrijstelling. Na verloop van tijd werd het echter duidelijk dat vrijstelling afhing van de persoonlijke bereidheid van de minister en niet van de bewijzen of het hier een wettelijk recht betrof. Bijgevolg werden deze pogingen gestaakt.

Toch bleven deze tien jaar van inspanning niet geheel zonder resultaat. Gunstige commentaren verschenen van tijd tot tijd in de pers. Een openbare aanklager verklaarde bijvoorbeeld dat hij de beschuldigde weliswaar naar het huis van bewaring had gezonden, maar besefte dat hij „niet onder misdadigers thuishoort”. — Het Vrije Volk, 11 november 1955.

Tijdens die periode was het ook voornamelijk de minister van Justitie die stappen ondernam om de omstandigheden waaronder de Getuigen gevangen zaten, te verlichten. Vanaf 1950 was het een opziener van het bijkantoor van Jehovah’s getuigen te Amsterdam toegestaan de gevangen Getuigen eens per maand te bezoeken. Toen, in 1956, kwam er toestemming om de gevangenen zonder aanwezigheid van een bewaker te bezoeken. Ook de duur van de bezoeken werd verlengd.

Vanaf 1958 mocht tevens bijbelse lectuur voor persoonlijke studie de gevangenis binnenkomen. Na verloop van tijd verhuisden de gevangen Getuigen naar barakken grenzend aan de strafinrichting Veenhuizen, terwijl hun ook een overeenkomstige extra vrijheid van beweging werd toegekend. Ten slotte mochten zij in de weekeinden naar huis, en tevens grote vergaderingen van Jehovah’s getuigen bezoeken als die in het land werden gehouden. Toch gingen de Getuigen nog steeds naar de gevangenis — een feit dat het geweten van velen in het land kwelde.

De autoriteiten beginnen te luisteren

Op 26 maart 1971 hadden drie vertegenwoordigers van Jehovah’s getuigen een onderhoud met een comité van vertegenwoordigers van de ministeries van Defensie en Justitie. Die bespreking duurde twee en een half uur.

Een der eerste punten die door het comité werd aangeroerd, was de vraag: „Dat u geen deel wilt hebben aan de militaire dienst is voor ons duidelijk en behoeft geen betoog. Maar wat zijn feitelijk de bezwaren tegen burgerlijke, vervangende dienst?”

De Getuigen legden daarop uit dat zij niet tegen de aard van het werk zijn dat in burgerdienst moet worden verricht, maar dat het hier veeleer om een zaak van strikte neutraliteit ging. Dat daarom elk werk dat louter zou dienen als vervanging voor militaire dienst, voor Jehovah’s getuigen onaanvaardbaar zou zijn.

Andere vragen stelden de zaak waar het om ging nog scherper. „Wanneer iemand dienst weigert”, zo verklaarden de vertegenwoordigers van de regering, „komt hij onder militaire jurisdictie vandaan en komt dus onder burgerlijke jurisdictie en heeft vanaf dat moment niets meer met de militaire dienst te maken. Waarom is dan het aanvaarden van burgerlijke dienst op aanwijzing van de overheid toch nog zo bezwaarlijk?”

Het bereidwillig aanvaarden van zulk werk is voor een christen onaanvaardbaar wegens hetgeen Gods wet over deze kwestie zegt: „Gij werdt met een prijs gekocht; wordt niet langer slaven van mensen” (1 Kor. 7:23). Burgerdienst als vervanging voor militaire dienst is voor een christen even verwerpelijk als militaire dienst. Daardoor zou hij toch weer een deel van de wereld worden, in plaats van zich afgescheiden te houden, zoals Jezus gebood. — Joh. 15:19; 17:14-16.

De bespreking nam nu een andere wending. „Welk voorstel zou u willen doen voor het behandelen van de zaken van Jehovah’s getuigen?” vroeg het comité. Het antwoord was: Vrijstelling voor zowel de volle-tijdpredikers als de part-time verkondigers van het evangelie, in welke mogelijkheid de wet reeds voorziet. Er werd in dat verband gewezen op de vrijstelling die leden van bepaalde religieuze orden in Nederland genoten, hoewel ze misschien niets meer doen dan in een klooster wonen en bier maken.

Het comité sprak zijn bezorgdheid uit over deze voorstellen van de Getuigen. Zij vreesden dat hierdoor allerlei soorten van personen bij de Getuigen zouden komen die alleen maar de militaire dienst zouden willen ontlopen. Zij kregen van de Getuigen echter de verzekering dat het voor simulanten vrijwel onmogelijk zou zijn om de „controle” te passeren die in alle plaatselijke gemeenten van Jehovah’s getuigen bestaat.

Parlementslid stelt vragen

Minder dan vier maanden later werd een getuige van Jehovah wegens dienstweigeren tot eenentwintig maanden gevangenisstraf veroordeeld. Zijn advocaat, Mr. Spermon, bepleitte zijn zaak op grond van het feit dat hij een bedienaar van het evangelie was. Daarna legde hij een openbare verklaring af waarin hij onder meer naar voren bracht: „Katholieke en protestantse theologiestudenten worden vrijgesteld van militaire dienst en van vervangende burgerdienst louter op het feit dat zij een erkende theologische hogeschool bezoeken. Omdat Jehovah’s getuigen in Nederland geen theologische hogeschool hebben en hun godsdienst bovendien niet als kerkgenootschap door de wet erkend wordt, komen zij niet voor die in de wet gewetensbezwaarden vastgelegde mogelijkheid in aanmerking.”

Hieraan voegde Mr. Spermon nog toe het een onbillijk criterium te vinden. Het riekte volgens hem te veel naar inmenging van de autoriteiten in de interne aangelegenheden van religieuze genootschappen. Volgens de Wet op de kerkgenootschappen van 1853 zijn de interne aangelegenheden van een kerkgenootschap taboe voor de staat en wordt het aan de genootschappen zelf overgelaten te bepalen hoe een ambtsdrager een bepaalde functie moet vervullen. — De Tijd, donderdag 22 juli 1971.

Deze verklaringen waren de prikkel tot nog meer actie. Een lid van de tweede kamer, de heer D. A. Th. van Ooijen, stelde schriftelijke vragen aan de ministers van Defensie en Justitie: „Zijn de bewindslieden bereid hun mening te kennen te geven over de navolgende uitspraak van Mr. W. Spermon voor het Hoog Militair Gerechtshof: . . .?” En zette toen de kern uiteen van bovenaangehaalde verklaring van de heer Spermon.

Daarna stelde de parlementariër andere puntige vragen: „Is het juist dat in de Verenigde Staten, Zweden en de Duitse Bondsrepubliek een Jehovah getuige wordt vrijgesteld van militaire dienst en van vervangende dienst, mits kan worden aangetoond dat hij een voldoende aantal uren aan de prediking besteedt? Zijn de bewindslieden bereid te bevorderen dat de Wet op de kerkgenootschappen die aan een kerkgenootschap de vrijheid laat zelf te bepalen wie van zijn leden als bedienaar der openbare godsdienst geldt, ook van toepassing zal zijn op de getuigen van Jehovah?”

Het ministerie van defensie gaat tot actie over

Op 25 oktober 1973 zaten de drie vertegenwoordigers van Jehovah’s getuigen weer aan de tafel met het vertegenwoordigende comité van het ministerie van Defensie. Het comité nam er de tijd voor af om grondig geïnformeerd te raken over de organisatiestructuur van Jehovah’s getuigen en de procedure volgens welke zij hun „volle-tijdpredikers” aanstellen.

Naarmate deze vergadering vorderde, werd het steeds duidelijker dat men binnen het ministerie van Defensie reeds stappen had ondernomen in de richting van een erkenning van de „volle-tijdpredikers” als zodanig. Toen, geheel onverwacht, bracht een van de comitéleden de mogelijkheid te berde om ook diegenen vrij te stellen die zich aan het voorbereiden waren op de „volle-tijddienst”. Daar het enkel om een suggestie leek te gaan, gingen de vertegenwoordigers van Jehovah’s getuigen slechts voorzichtig op dit voorstel in. Zo niet de comitéleden, die erop bleven voortborduren en zeer positief waren in hun uitlatingen.

Als resultaat van deze vergadering mocht het Nederlandse hoofdbureau van Jehovah’s getuigen dan ook aan alle gemeenten van Jehovah’s getuigen de inlichting doorgeven dat alle „volle-tijdbedienaren” alsmede degenen die zich op deze dienst voorbereidden tot onbepaalde tijd uitstel zouden krijgen van militaire of vervangende dienst, in afwachting van een definitieve wet over deze kwestie.

U kunt zich voorstellen hoe welkom dit goede nieuws na zoveel jaren van inspanning was! Toen men echter dacht dat dit het einde van de zaak was, had men het mis. Er zou nog een hoofdstuk worden toegevoegd aan de geschiedenis voor de strijd van vrijheid van aanbidding in Nederland. Op 11 juni 1974 hadden dezelfde vertegenwoordigers van Jehovah’s getuigen opnieuw een onderhoud met hetzelfde comité van defensievertegenwoordigers. Het zou de kortste bespreking worden maar wel één met verreikende consequenties.

Bij die gelegenheid namelijk kondigden de vertegenwoordigers van defensie aan dat in de toekomst alle gedoopte getuigen van Jehovah na aanbeveling van het lichaam van ouderlingen in hun gemeente, van militaire dienst zouden zijn vrijgesteld, hangende de definitieve aanvaarding van de wet. De procedure voor de behandeling van deze zaken werd daarna tot aller tevredenheid verder uitgewerkt. Het verzoek om vrijstelling zou, getekend door de leden van het lichaam van ouderlingen in de gemeente, bij elk geval lopen via het bijkantoor van Jehovah’s getuigen. Daar zouden de handtekeningen van de ouderlingen worden bekrachtigd alvorens het verzoek verder zou worden doorgezonden naar de regering. Op die manier zou de geloofwaardigheid van elk verzoek voor het ministerie van Defensie gewaarborgd zijn.

Het ministerie van Justitie, handelend in overeenstemming met de beslissing van het ministerie van Defensie, was er daarna vlug bij om alle op dat moment nog vastzittende Getuigen in vrijheid te stellen. Twaalf dagen nadat de laatste Getuige was vrijgelaten, op 31 juli 1974, waren mensen in alle delen van het land verrast in hun dagbladen koppen te lezen als „JEHOVAH[’S] GETUIGEN ZWAAIEN AF”

Het Algemeen Dagblad schreef in zijn verslag: „Het ministerie van defensie is bezig met een wetsontwerp dat alle gedoopte Jehovah’s Getuigen vrijstelling van militaire dienst wil geven. In afwachting van de behandeling daarvan door de Staten-Generaal zijn alle strafvervolgingen tegen dienstweigerende Jehovah’s Getuigen gestaakt. Justitie vond het in deze situatie niet meer rechtvaardig hun geloofsgenoten die nog net wel waren gestraft, nog langer vast te houden.”

Zo eindigde een kwart eeuw van strijd voor vrijheid, vrijheid om God volgens eigen geweten te aanbidden, met de vrijlating van achtentwintig Getuigen. En voor hen precies op tijd — enkele dagen namelijk voor de aanvang van de „Goddelijke voornemen”-districtsvergadering van Jehovah’s getuigen afgelopen zomer in Nederland.

Onze hoop en ons gebed is dat de mannen die verantwoordelijk zijn geweest voor dit wijze besluit, allen persoonlijk zullen gaan handelen overeenkomstig de bijbelse aansporing: „Kust de zoon [Jezus Christus] ”, door hem als de Koning over de aarde te erkennen, en aldus in aanmerking te komen onder zijn zo nabije Koninkrijksheerschappij te leven en de grootse zegeningen deelachtig te worden waarin hij voor de gehele gehoorzame mensheid zal voorzien. — Ps. 2:12.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen