Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 8/5 blz. 9-11
  • Duits hooggerechtshof beslist over volle-tijdpredikers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Duits hooggerechtshof beslist over volle-tijdpredikers
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Geen vrijstelling
  • Hooggerechtshof beslist
  • Argumenten tegen
  • Hof houdt rechten hoog
  • Wie zijn Gods dienaren in deze tijd?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Nederland laat gevangen Getuigen vrij
    Ontwaakt! 1975
  • Wie zijn Gods dienaren in deze tijd?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
  • „Het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws”
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 8/5 blz. 9-11

Duits hooggerechtshof beslist over volle-tijdpredikers

Door Ontwaakt!-correspondent in West-Duitsland

JEHOVAH’S GETUIGEN staan in Duitsland bekend om het feit dat zij tijdens Hitlers „Reich” niet ter wille van politiek voordeel hebben geschipperd. Mensen van andere religies, geestelijken inbegrepen, brachten de Hitlergroet, groetten de nazi-vlag en ondersteunden Hitlers legers in hun aanvalsoorlog. Bijna alle katholieke priesters en protestantse predikanten maakten zich schuldig aan het sluiten van compromissen met Hitlers regime. Deze geestelijken ontvingen gedurende die tijd vrijstelling van militaire dienst.

Jehovah’s getuigen hebben echter standvastig geweigerd de Hitlergroet te brengen, de nazi-vlag te groeten of zijn legers te ondersteunen. Ook zij hebben zich op vrijstelling als bedienaren van een godsdienst beroepen, maar deze werd hun geweigerd en zij werden vervolgd. Duizenden van hen werden naar de nazi-concentratiekampen gezonden en velen werden gedood.

Geen vrijstelling

Na de Tweede Wereldoorlog werd in 1956 in Duitsland opnieuw de militaire dienstplicht ingevoerd. Katholieke priesters en geestelijken van andere religies ontvingen weer vrijstelling. Aanvankelijk werden ook Jehovah’s getuigen vrijgesteld. Toen werd echter de vervangende dienstplicht ingevoerd, en voor deze dienst kregen Jehovah’s getuigen geen vrijstelling.

In 1962 werd op grond van deze nieuwe wet de eerste rechterlijke uitspraak gedaan betreffende een jonge bedienaar van het evangelie die een van Jehovah’s getuigen was. Hij had geweigerd zich voor vervangende dienstplicht te melden. Aangezien bedienaren van het evangelie, behorende tot staatskerken en andere denominaties, echter niet verplicht waren deze dienst te vervullen, beriep deze Getuige die een bedienaar van het evangelie was zich erop dat hij onder de Westduitse grondwet eveneens voor vrijstelling in aanmerking kwam. Zijn beroep werd evenwel afgewezen. Hij werd tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld.

Vele soortgelijke gevallen volgden en gevangenisstraffen waren het resultaat. Tot hen die veroordeeld werden, behoorden bedienaren van het evangelie die als Jehovah’s getuigen al hun tijd aan predikingsactiviteiten besteedden. Men beriep zich op grondwettelijke rechten in een poging deze beslissingen ongedaan te laten maken en wettige erkenning te krijgen als bedienaren van het evangelie die van alle dienstplicht zijn vrijgesteld.

In oktober 1963 werd er verder bewijsmateriaal aan het hof voorgelegd. In grote trekken werd hierin uiteengezet dat Jehovah’s getuigen die volle-tijdbedienaren van het evangelie zijn, als geordineerde bedienaren recht hebben op de vrijstelling waarin de grondwet voorziet.

Op het ingediende verzoekschrift werd afwijzend beschikt. De zaak bleef zeven jaar hangende. Gedurende al die tijd bleef men de getuigen van Jehovah die als volle-tijdbedienaren van het evangelie werkzaam waren, tot gevangenisstraffen van één tot zestien maanden veroordelen.

Er deed zich bovendien een nieuwe situatie voor. Zodra deze volle-tijdbedienaren uit de gevangenis werden ontslagen, werden zij opnieuw voor vervangende dienst opgeroepen. Wanneer zij weigerden, kwamen zij voor de tweede maal, sommigen zelfs voor de derde maal, in de gevangenis. Daarom werd er bij het Bundesverfassungsgericht (Federale Constitutionele Hof) van West-Duitsland opnieuw een beroep gedaan op de grondwettelijke rechten. In het beroep werd de grondwettigheid van herhaalde veroordelingen voor dezelfde overtreding in twijfel getrokken.

Hooggerechtshof beslist

Op 7 maart 1968 deed het Bundesverfassungsgericht zijn beslissing toekomen. Er werd in verklaard dat het herhaald veroordelen in deze zaken inderdaad ongrondwettig was. Er werd in opgemerkt dat volgens fundamenteel recht niemand tweemaal voor dezelfde daad gestraft kan worden.

Het probleem was hier echter niet geheel mee opgelost. Jehovah’s getuigen bleven wel voor de eerste maal in de gevangenis komen omdat zij zowel militaire als vervangende dienst weigerden, welke beide niet vereist zijn voor bedienaren van het evangelie die tot andere religies behoren.

Ten slotte werd op 11 december 1969 in Berlijn door de 8ste Senaat van het Administratieve Hof van de Bondsregering een beslissing meegedeeld. Ze was van grote betekenis in verband met de status van de volle-tijdbedienaren van het evangelie die als speciale pioniers en opzieners van christelijke gemeenten bij Jehovah’s getuigen werkzaam zijn.

Dit hoogste administratieve hof van Duitsland verklaarde dat deze volle-tijdbedienaren vrijgesteld zijn van militaire dienst, alsmede van vervangende dienst. Hierdoor werd de beslissing die verscheidene jaren eerder door de 7de Senaat van dit zelfde gerechtshof was genomen, ongedaan gemaakt.

Argumenten tegen

Tevoren had de 7de Senaat betoogd dat zulke volle-tijdpredikers van Jehovah’s getuigen geen vrijstelling verdienden omdat zij niet dezelfde positie innamen als bedienaren van het evangelie die tot andere religies behoren. De Senaat handhaafde de door een lager gerechtshof gedane uitspraak dat de posities niet „overeenkwamen” wegens de verschillen op het gebied van studie en onderricht zoals die aan katholieke en protestantse bedienaren van het evangelie worden gegeven.

Het hof had ook het volgende gehandhaafd: „De functie van een bedienaar van het evangelie verdient volgens de wet uitsluitend bescherming wanneer zijn positie voor de gemeente van gelovigen duidelijk onderscheiden is doordat alleen hij de ceremoniën van de religieuze eredienst mag vervullen en hem een speciale waardigheid is verleend, welke exclusief het beroep van bedienaar van het evangelie toebehoort; in tegenstelling hiermee erkent de godsdienstige groep van Jehovah’s getuigen in het geheel geen lekenklasse, noch een klasse van geestelijken.”

Het hof had ook vastgesteld: „Beslissend is het beeld dat een religieuze groepering gewoonlijk van een bedienaar van het evangelie heeft; dit beeld wordt in de grotere denominaties gevormd door de positie van een bedienaar van het evangelie die als herder van zijn kudde pastoraal werk verricht, zonder hetwelk het ceremoniële leven praktisch ten onder gaat.”

Deze voorgaande rechterlijke uitspraken hadden vastgesteld dat de getuigen van Jehovah die in de volle-tijddienst stonden, niet het „beeld” van een geestelijke vertoonden. Dat was en dat is stellig waar. En Jehovah’s getuigen willen dat „beeld” ook niet vertonen. Dit betekende echter niet dat zij geen bedienaren van het evangelie waren in de ware zin van het woord.

Hof houdt rechten hoog

In zijn laatste rechterlijke uitspraak van 11 december 1969 was de 8ste Senaat het met deze vorige interpretaties niet eens. In de zaak waar het hier om ging, namelijk die van een speciale pionier en opziener, hield de Senaat daarentegen de rechten hoog welke bij de wet aan andere bedienaren van het evangelie die volle-tijddienst verrichten, ongeacht hun religie, waren toegestaan. De Senaat verklaarde: „De neutraliteit van de staat ten aanzien van de religieuze begrippen van zijn burgers verbiedt de Senaat de waarde te bepalen van de leer en instellingen van godsdienstige genootschappen en andere denominaties.”

Het hof toonde aan dat niet het aanvaarde „beeld” het belangrijkste was, maar de taken en werkzaamheden die er werden verricht, en zei: „Het beginsel van religieuze gelijkheid brengt evenwel met zich dat in deze kwestie om redenen welke op grondwettelijke rechten zijn gebaseerd, het ’patroon’ of ’beroepsbeeld’ van een bedienaar van het evangelie behorende tot beide grote christelijke denominaties [rooms-katholieke en ’evangelische’], zoals dit door hun kerkorde en theologische interpretatie tot ontwikkeling is gebracht, niet als maatstaf voor de bedienaren van andere denominaties gebruikt kan worden. Verschillen in geloof en dogma’s, die door de beide zichzelf op de voorgrond plaatsende grote christelijke denominaties als eigenaardig worden opgevat, behoren niet in aanmerking te worden genomen.”

Aldus verklaarde het hof dat het niet mogelijk zou zijn een bedienaar van het evangelie behorende tot een andere religie dan de twee grote denominaties wettelijk te dwingen aan een bepaalde maatstaf te voldoen die deze kerken zelf hadden aangelegd. Religieuze gelijkheid en vrijstelling van militaire dienst konden niet afhankelijk worden gesteld van de gedachte die een afzonderlijke religie over het ambt van een bedienaar van het evangelie heeft. Bij Jehovah’s getuigen is het niet een „ambt”, „titel”, „beeld” of „image” waar het met betrekking tot het erkennen van hun bediening op aankomt, maar zijn het de diensten die zij op geestelijk gebied vervullen.

Met betrekking tot de manier waarop moet worden uitgemaakt wie een volle-tijdbedienaar van het evangelie is, zei het hof: „Of de werkzaamheid van een bedienaar van het evangelie . . . ’overeenstemt’ met de werkzaamheden die aan de [rooms-katholieke en ’evangelische’] bedienaren van het evangelie zijn toegewezen, kan alleen maar op grond van uiterlijke kenmerken worden bepaald, zonder een bepaald ’patroon’ in aanmerking te nemen dat theologisch of door kerkelijk recht is vastgelegd.” Er werd op gewezen dat de werkzaamheden van een bedienaar van het evangelie als een „volle-tijd”-bezigheid zouden worden beschouwd wanneer de bedienaar van het evangelie zijn gehele werktijd aan de bediening wijdde.

Evenmin dient één bepaalde vorm van opleiding of voorbereiding beslissend te zijn. De rechterlijke uitspraak van het hof was: „Welk voorbereidend onderwijs en welke verificatie vereist zijn wanneer iemand als bedienaar van het evangelie een vaste volle-tijdbetrekking krijgt toegewezen, en op welke wijze dit geschiedt, is evenmin van speciale betekenis. De staat laat het aan de religieuze overtuigingen en leerstellingen van alle godsdienstige verenigingen over, te bepalen onder welke omstandigheden bepaalde functies of ambten worden toegewezen, net zoals deze op overeenkomstige wijze door de aangestelde bedienaren van het evangelie in de grote kerken worden behartigd.”

Deze ferme beslissing van het Duitse hooggerechtshof ten gunste van de vrijheid van geloofsovertuiging is prijzenswaardig. Ze komt overeen met de opmerkenswaardige beslissingen die in andere landen werden genomen waar de persoonlijke rechten van de mens worden hooggehouden.

Lang voordat deze rechterlijke uitspraak werd gedaan, hadden Jehovah’s getuigen evenwel getoond dat zij inderdaad geordineerde bedienaren van het evangelie zijn, in dienst van de Allerhoogste God Jehovah. Zij staan overal in heel Duitsland reeds lange tijd bekend om hun ijverige werkzaamheden als bedienaren van het evangelie. Die activiteit heeft ertoe bijgedragen dat tienduizenden rechtvaardig-gezinde personen in Duitsland tot een kennis van Gods Woord, de bijbel, zijn gekomen en heeft hen in staat gesteld hun Schepper te dienen.

Niettemin is de uitspraak van het hof een voortreffelijke wettelijke erkenning van de door God geschonken ordinatie van zulke volle-tijdbedienaren van het evangelie in Jehovah’s dienst.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen