De aardbeving in Peru
Door Ontwaakt!-correspondent in Peru
„AARDSCHOK LAAT IN CAJACAY 100 DODEN ACHTER.” „AARDVERSCHUIVING BEDELFT 18 MENSEN IN SAYAN.” „ROTSEN VALLEN OP CAJATAMBO — 40 DODEN.” „YUNGAY TOTAAL VERWOEST.”
Elk van deze koppen zou voldoende zijn om met een schok de aandacht van de lezer te trekken. Maar dat ze allemaal in snelle opeenvolging zouden verschijnen, om verslag uit te brengen van de grootste natuurramp op het westelijk halfrond die in de geschiedenis staat opgetekend, is bijna niet te geloven. Als het uiteindelijke dodental — zo men het juiste cijfer al te weten kan komen — bekend is, zou de tol die de hevige aardbeving die Peru op zondagmiddag 31 mei deed schudden, geëist heeft, wel meer dan 60.000 doden kunnen bedragen!
De gevolgen van de aardbeving, die meteen op televisieschermen en in krantekoppen over de hele wereld te zien waren, gingen het voorstellingsvermogen te boven. Chimbote, een bloeiende vissers- en industriestad van meer dan 100.000 inwoners, werd voor 85 percent verwoest. Huaras, Caras en Yungay, die in de prachtige Huaylasvallei liggen als op een reclameplaat voor een reisbureau, waren nu ruïnes; Yungay was volledig weggevaagd, en de overblijfselen ervan waren begraven onder een zee van modder en slib.
Ook de hoofdstad Lima voelde die zondagmiddag om 3.24 uur de aardschok. Toen na een snelle controle van de verschillende delen van de stad echter bleek dat er slechts weinig bezittingen beschadigd waren en er slechts drie doden te betreuren vielen, begonnen de burgers zichzelf te feliciteren dat zij met de schrik waren vrijgekomen. Zij gingen rustig zitten kijken naar de openingswedstrijd van de wereldkampioenschappen voetbal, die in Mexico gehouden werden en via satellieten over de hele wereld konden worden gezien. Lima ging die avond naar bed, volkomen onkundig van de tragedie die zich in de steden meer naar het noorden had afgespeeld.
Chimbote en Casma
Pas maandagmorgen bereikten de eerste berichten Lima, daar het verkeer over de Pan-American Highway pas toen begon binnen te komen. Een medewerker van het Wachttorengenootschap keerde met zijn vrouw terug van een korte vakantie die zij bij vrienden in Trujillo hadden doorgebracht, en zij behoorden tot de eersten die de hoofdstad bereikten met berichten van wat er gebeurd was. Wij zullen hem zijn ervaring laten vertellen.
„Wij hadden een mooie rit gehad van Trujillo naar Chimbote, maar daar het nog vijf uur rijden was naar Lima, besloten wij even te stoppen en ons wat te verfrissen voordat wij onze reis voortzetten. Wij stopten vóór hotel Chimú, waar we uitzicht hadden op de kalme Chimbote-baai. De motor was nog maar net afgezet, of alles werd aangegrepen door een geweldige beweging van de aardkorst. De auto slingerde als dol naar alle kanten. Het hotel, een indrukwekkend gebouw van drie verdiepingen, zwaaide en draaide rond. Dakpannen kletterden op de grond. Ik reed de auto achteruit tot midden op het parkeerterrein, en daar wachtten we.
De eens zo kalme baai werd overspoeld door reusachtige, woeste golven en het strand begon weg te zakken en zonk toen in de oceaan. In de straat kwamen enorme spleten. Van één auto zakten de voorwielen in een brede scheur die plotseling ontstond. Een blik op het centrum van de stad toonde ons een opstijgende grijze stofwolk, die een hoogte van wel dertig meter bereikte en de hele stad bedekte.
Overal om ons heen lag de stad in puin. Uitzinnige kreten van pijn en smart doorsneden de lucht. De mensen renden in paniek heen en weer, zochten in het puin naar geliefden, riepen namen, luisterden of zij stemmen hoorden. Een vader rende doelloos over straat, met het levenloze lichaam van zijn zoontje in zijn trillende armen. Velen waren nog te verdoofd om iets te doen en stonden zo maar op straat terwijl zij vragende blikken om zich heen wierpen.
De schok had maar vijfenveertig seconden geduurd — in andere omstandigheden dan tijdens een aardbeving inderdaad een kort ogenblik. In die voorbijsnellende, langdurige, eindeloze vijfenveertig seconden kwamen er drastische veranderingen in het leven van honderdduizenden mensen.
Toen de eerste schrik voorbij was, kwam de gedachte bij ons op: ’Hoe zou het met onze christelijke broeders, de getuigen van Jehovah in Chimbote, zijn?’ Waarschijnlijk hadden zij net de wekelijkse vergadering. Wij gingen dus op weg naar de dichtstbijzijnde Koninkrijkszaal. Er zijn drie gemeenten in Chimbote.
Er waren nog maar vijf minuten voorbijgegaan toen wij in de Koninkrijkszaal aankwamen. Ze was totaal vernield, maar de hele gemeente was veilig en iedereen leefde! Een stalen steunbalk was aan één kant in de pilaar van gewapende beton blijven hangen. Hoewel het dak aan beide kanten ingestort was, was er toch genoeg ruimte overgebleven zodat iedereen veilig naar buiten kon kruipen. Een paar personen hadden wat lichte kwetsuren opgelopen.
Kort daarna kwam iemand vertellen dat het dak van hun Koninkrijkszaal het gehouden had. Hoewel enkelen een arm of been hadden gebroken, bleek slechts één meisje ernstig gewond te zijn. Daar de derde gemeente geen vergadering had gehouden, was er niet onmiddellijk iets over het lot van de leden daarvan bekend.
Alle Getuigen hadden hun huis en bezittingen verloren en bezaten alleen nog de kleren die zij aan hadden. Later bleek dat slechts één Getuige en de vrouw van een Getuige in Chimbote waren omgekomen.
Er was geen enkele telefoonlijn meer, dus besloten wij naar Trujillo terug te keren om van daaruit het Wachttorengenootschap in Peru telefonisch op de hoogte te stellen. Wij wisten toen nog niet dat ook Trujillo zwaar was getroffen. Toen wij bij de bergpas ten noorden van Chimbote kwamen, bleek deze vol met enorme rotsblokken te liggen en onbegaanbaar te zijn. Wij keerden dus om en gingen op weg naar Lima.
De eerste stad ten zuiden van Chimbote was Casma. Het kostte ons ongeveer een half uur om de Koninkrijkszaal te vinden waar de Getuigen hun vergadering hadden gehouden. Er was niemand van hen te vinden. Wij vernamen echter dat één Getuige ernstig was gewond toen een muur van de zaal boven hem instortte. Hij overleed die nacht.
Toen wij onze race naar Lima voortzetten, was de nacht ingevallen. Al gauw bemerkten wij dat enorme keien de weg blokkeerden. Onze auto was klein genoeg om ze te omzeilen, maar toen wij bij de Casmabrug kwamen, konden wij niet over een verhoging van zestig centimeter heen komen die was ontstaan door het verzakken van de macadamoprit. Wij keerden om naar een veilige plaats in het vrije veld, van eventueel vallend gesteente vandaan en wachtten tot de lange nacht om was. Wij konden niet slapen. De hele nacht schudde onze auto onafgebroken door herhaalde schokken en trillingen, vergezeld van een griezelig gerommel.
Toen de maandagochtend begon te gloren, werd de brug eindelijk voor het verkeer opengesteld en konden wij de rest van de vier uur durende rit naar Lima afleggen.”
Het organiseren van hulp
Onmiddellijk werden alle getuigen van Jehovah in Lima die telefoon hadden, opgebeld. Zij kregen instructies om voedsel en kleding, dekens en medicijnen bijeen te brengen en aan anderen door te geven dit eveneens te doen. Er werd dadelijk liefdevol gereageerd. Die avond vulde de hal van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Lima zich met pakken kleren en dozen met levensmiddelen. Er kwamen grote en kleine geldelijke bijdragen binnen.
De reactie was zo groot dat dinsdag tegen middernacht, precies zesendertig uur nadat men het bericht had ontvangen, een konvooi van vijf voertuigen waaronder een tientonsvrachtauto uit Lima vertrok en met de bijeengebrachte voorraden op weg ging naar Casma en Chimbote! Zij hadden dekens, kleren, levensmiddelen en ruim 1000 liter drinkwater, benevens een keuken- en cafetaria-uitrusting en canvas tentmaterialen bij zich. Het Wachttorenkonvooi was een van de eerste dat deze getroffen gebieden te hulp kwam.
Een vrachtwagen met voorraden werd in Casma achtergelaten. Alle Getuigen daar waren bijeengekomen bij een Getuige die aan de rand van de stad woonde, waar geen schade was gemeld.
De Getuigen in Chimbote trof men welgemoed aan ondanks het grote verlies. In de twee dagen die op de aardbeving volgden, hadden zij het puin uit de Koninkrijkszaal geruimd en er rondomheen muren van gevlochten matten opgezet. Dit bood een veilige plaats voor het opslaan van de voorraden totdat deze gedistribueerd konden worden.
De twee andere gemeenten in Chimbote hadden een kamp opgeslagen op een heuvel die uitzag op de stad. Toen er leden van de expeditie kwamen, troffen zij een miniatuurstad aan die netjes en ordelijk was en harmonieus functioneerde. Er waren taken toegewezen. ’s Morgens ruimden de Getuigen puin rond hun ingevallen huizen en ’s middags gingen zij naar de huizen van de getroffen personen om hun aan de hand van de bijbel troost te bieden. Er was een school gesticht om de kinderen bezig te houden.
Weldra genoten de Getuigen hun eerste warme maaltijd in drie dagen. Die nacht konden zij warm slapen onder de dekens en winterkleren waarvoor was gezorgd. Toen het terrein van de Koninkrijkszaal vrij was gemaakt, zette de gemeente haar schema voor vergaderingen zonder onderbreking voort. De Getuigen hadden eerst aandacht aan hun Koninkrijkszaal besteed en hun eigen huizen tot later laten wachten!
De Huaylasvallei
Boven de stad Huaras hing echter nog altijd een groot en onheilspellend vraagteken. Er was geen bericht van de gemeente daar binnengekomen en er was ook geen nieuws ontvangen uit Caras, verder noordelijk van Huaras, waar zich een geïsoleerde groep Jehovah’s getuigen bevond. Zelfs acht dagen later had men nog niets omtrent de Getuigen in de Huaylasvallei vernomen. Toen er berichten bleven binnenstromen van de omvang van de ramp, vreesden wij werkelijk voor het lot van onze medegetuigen daar.
De bochtige wegen naar Huaras en Caras die omhoogkronkelen tot in de „altiplano” van het Andesgebergte waren op hun allerbest al niet goed, maar nu waren ze praktisch weggevaagd. Genie-eenheden van het leger viel de kolossale taak te beurt de wegen zo snel mogelijk open te stellen.
Vliegtuigen hadden weliswaar voorraden geparachuteerd, doch wegens hun beperkte laadvermogen, alsook het levensgevaar en de grote kosten, was het dringend noodzakelijk voorraden over land aan te voeren. Er waren al vier helikopters en één vliegtuig neergestort, waarbij acht personen om het leven waren gekomen. Honderden tonnen goederen wachtten op transport naar de getroffenen zodra de weg kon worden opengesteld.
De ploegen wegwerkers werkten dag en nacht in een bijna bovenmenselijke wedloop met de tijd. Eén konvooi dat door Jehovah’s getuigen was gezonden, werd door een nog altijd geblokkeerde weg tegengehouden en de voorraden werden naar Casma en Chimbote doorgebracht. Ten slotte kreeg men op maandag 8 juni officieel bericht dat de weg eindelijk opengesteld zou worden. Er werd een nieuw konvooi samengesteld en dit behoorde tot de eerste vijftien wagens die ongeveer anderhalve kilometer achter de wegwerkers stonden te wachten en telkens als er weer een stuk weg werd opengesteld, optrokken.
Eén lid van het konvooi merkte op: „Als wij rusteloos in de bittere kou wat slaap probeerden te pakken terwijl wij wachtten totdat de weg zou worden opengesteld, dachten wij aan onze medegetuigen en hun kleine kinderen die eveneens zouden proberen te slapen. Zij zouden echter geen dak boven hun hoofd en weinig dekens en kleren hebben om zich tegen de vrieskou te beschermen.”
Eindelijk was de weg vrij en vervolgde het konvooi zijn stoffige klim naar de hoogten daarginds in de ijle vrieslucht!
De speurtocht
Onder de koesterende stralen van de opgaande zon daalde het konvooi ten slotte langs de bochtige weg in het dal af waar eens Huaras had gelegen. De totaal verwoeste dorpen die de reizigers langs de weg passeerden, deden sombere gedachten bij hen opkomen. Een zo volkomen vernietiging moest toch zeker wel enkele, zo niet alle Getuigen hebben weggevaagd.
Het konvooi ging uit de rij van andere vrachtwagens en begon te trachten de Getuigen op te sporen. De stad lag in puin. Overal in de omtrek waren vluchtelingenkampen verrezen. Geruchten en aanwijzingen werden nagegaan tot ze tot grote teleurstelling doodliepen.
Twee leden van het konvooi zochten, voortdurend inlichtingen inwinnend, de kampen af. Met walkie-talkies om in contact te blijven, gingen zij van tent tot tent, van hut tot hut en van afdakje tot afdakje. Tegen zonsondergang leidden twee afzonderlijke aanwijzingen hen bijna gelijktijdig naar het kamp van Jehovah’s getuigen. Tranen van vreugde liepen hun over de wangen toen zij elkaar omarmden. Alle getuigen van Jehovah en hun naaste familieleden, ongeveer zestig personen in totaal, waren veilig en wel in leven!
Beetje bij beetje begon het verhaal van hun overleving zich te ontvouwen. Sommigen hadden open terrein weten te bereiken, terwijl anderen hun toevlucht hadden gezocht in de deuropening, het gedeelte dat van een gebouw nog het vaakst overeind blijft staan. Soms waren zij door het oog van de naald gekropen.
Eén Getuige had als een bezetene gegraven om zijn zoontje onder twee zware muren van in de zon gedroogde stenen vandaan te halen. Vechtend tegen verstikking door stof en aarde, had de jongen de tegenwoordigheid van geest zijn ademhaling te beperken totdat zijn vader het puin rond zijn gezicht en hoofd had kunnen weghalen. Hij kwam er met enkel een gescheurd kaakbeen vanaf.
Het elfjarige dochtertje van een Getuige was op haar fiets weggegaan om brood voor de avondmaaltijd te halen. Haar moeder bevond zich op de bovenverdieping van haar huis midden in het meest verwoeste stadsgedeelte en zat daar onder een deuropening de aardbeving uit, terwijl de rest van het huis rondom haar afbrokkelde. Er werd een onderzoek naar het meisje ingesteld. Twee uur na de aardbeving stuitte haar oom op verscheidene stukken brood tussen het puin op straat. Toen vond hij het gehavende stuk van een fiets en vlak erbij onder grote stenen en dakpannen het vermiste meisje. Zij is nu in een ziekenhuis te Lima herstellende van meervoudige arm-, been- en bekkenfracturen.
Totale verwoesting
Tienduizenden anderen waren niet zo fortuinlijk, want volgens officiële schattingen lagen er nog velen onder tonnen puin in de straten van Huaras bedolven.
Toen de eerste trillingen gevoeld werden, trachtten duizenden naar de veiligheid van de open ruimten te vluchten, maar het is hun nooit gelukt. Hun huizen stortten boven hen in.
Het puin in de straten heeft thans de hoogte bereikt van wat eens de bovenverdieping was, zodat het dus moeilijk te zeggen is waar de straten waren.
Berichten van verderop uit de vallei meldden een nog grotere en vollediger verwoesting. Er was klaarblijkelijk een reusachtig brok van de noordwand van de berg Huascarán afgevallen en in het Yanganucomeer gestort waardoor het water in de ravijnen was gestroomd die naar de Huaylasvallei beneden leiden. Het aansnellende water, de modder, de stenen en het ijs als gevolg daarvan bereikten de stad Yungay en het naburige stadje Ranrahirca, bedolven ze beide en eisten meer dan 20.000 mensenlevens! Het enige wat nog van de stad Yungay te zien is, zijn de toppen van vier hoge palmbomen die eens de „Plaza de Armas” in het centrum markeerden. Degenen die de verschrikkelijke aardschok overleefd mochten hebben, werden precies tien minuten later door de overstroming gedood.
De stad Caras werd voor totale vernietiging door deze verschrikkelijke lawine gespaard doordat deze vlak voor de stadsgrenzen tot staan kwam. Hoewel de weg daar nog steeds niet was opengesteld, kwam er ten slotte toch bericht van de Getuigen in Caras. Zij waren allen veilig!
Van overal uit de 57.000 vierkante kilometer die door de aardbeving was getroffen, kwamen verhalen van de verschrikkelijke verwoesting. Tweehonderd vijftig steden, stadjes, dorpen en gehuchten waren tot puinhopen geworden, waardoor 800.000 à 1.000.000 mensen dakloos waren geworden. Jehovah’s getuigen zijn werkelijk gelukkig dat zij onder de ongeveer 400 Getuigen die in de zwaarst getroffen gebieden wonen en werken slechts drie doden en zeer weinig gewonden behoeven te tellen.
Herstel
Thans rest de kolossale taak om voor de gewonden te zorgen, de doden te begraven, tehuizen te vinden voor de honderden kinderen die door de ramp wees zijn geworden en de verwoeste steden te herbouwen. Men is echter vol vertrouwen dat dit tot stand zal worden gebracht, want de Peruviaan heeft geleerd zich spoedig te herstellen door met de altijd aanwezige mogelijkheid van aardbevingen en lawines te leven.
Alleen al in deze eeuw werd Peru door twaalf grote aardbevingen getroffen en ook vele andere streken der aarde zijn sinds 1914 getroffen door talloze grote aardbevingen, die elk een tol van verscheidene honderden tot dicht bij de tweehonderdduizend doden eisten. Jehovah’s getuigen zien in deze aardbevingen een verder bewijs dat wij in de laatste dagen van dit samenstel van dingen leven. Jezus Christus heeft immers specifiek gezegd dat ’aardbevingen in de ene plaats na de andere’ „het besluit van het samenstel van dingen” zouden kenmerken. — Matth. 24:3, 7.
Vanuit alle delen der wereld is men de slachtoffers van de aardbeving te hulp gekomen om zich van deze ramp te herstellen. Jehovah’s getuigen in de stad New York schonken meer dan tien ton kleding, selecteerden deze opdat ze gemakkelijk verdeeld kon worden, pakten ze in meer dan duizend kartonnen dozen in en zonden ze begin juni naar Peru. Zulke krachtsinspanningen hebben de Peruvianen geholpen zich van de ergste natuurramp die in de geschiedenis van het westelijk halfrond staat opgetekend, te herstellen.
[Illustratie op blz. 18]
Getuigen in hun kleine stad, die zij net als zij met hun congressen doen, na de aardbeving hebben opgebouwd